pierre senges leest pieter bruegel (2)

door johan_velter

pierre senges_cendres_le tripode

Het boek van Pierre Senges is verlucht met tekeningen van Sergio Aquindo, ‘verlucht met’ is wat oneerlijk want het was de tekenaar die de schrijver naar het Louvre had meegenomen om hem het werk Les mendiants van Bruegel te tonen en van het een kwam het ander. Senges en Aquindo hadden eerder al samengewerkt. Het boekje Zoophile contant fleurette (Cades Editions, 2012) kreeg tekeningen van Aquindo mee, echter niet zo dominant als in het nieuwe boek. Voor het Bruegelboek heeft Aquindo zich getrouw gehouden aan de Bruegelprenten, niet alleen aan ‘De bedelaars’, hij heeft bijvoorbeeld ook de imkers overgenomen/geïnterpreteerd en zelfs een stadsgezicht van Jan Vermeer – oude schilders zijn oude schilders moet hij gedacht hebben en het Noorden is het Noorden. Hij tekende de figuren afzonderlijk, in groep, hij componeerde brokstukken. Het is allemaal iets te herkenbaar en iets te weinig inventief om er echt door gefascineerd te worden – ook al is het altijd aangenaam om een glimp van de verloren kunst van het geïllustreerde boek opnieuw te ervaren. Aangenaam is ook dat de uitgever op de binnenkant van het omslag het schilderij heeft gereproduceerd en een raadselachtig werk op de flap van de achterzijde.

Pierre Senges gebruikt een vernuftige techniek om zijn interpretatie van het schilderij te demonstreren, hij doet dit op een deconstructieve manier, zullen de enen zeggen, wie enig besef van verleden heeft, weet dat dit een kubistische manier van kijken en denken is en verwant is aan het veranderingsdenken dat veel dieper geworteld is. Hij beschrijft het schilderij in fragmenten, de personages geeft hij een leven en merkwaardig genoeg wordt die veelvormigheid ook een geografisch gegeven: we zien de figuren als het ware uit alle windstreken komen om hier op dit schilderij een dans uit te voeren. Daarnaast geeft hij in aparte hoofdstukken een beeld van het Vlaanderen in de 16de eeuw, niet alleen het clichébeeld (helaas toch wel overwegend) maar ook dat van de rijkdom, het geld. Op die manier brengt hij personages en Umwelt samen in zijn visie op het schilderij.

Het eerder geciteerde werk van Roger H. Marijnissen is in 1988 uitgegeven, een Franse vertaling kwam tegelijkertijd op de markt. Ik vermoed dat Pierre Senges dit werk gebruikt heeft om alle andere interpretaties in zijn boek op te nemen en die te weerleggen met zijn visie. We kunnen dit  stellen omdat het werk van Marijnissen nog steeds het beste Bruegel-boek is, niet alleen inhoudelijk maar ook vormelijk. De prenten zijn op een ernstige manier gefotografeerd en weergegeven, de details zijn relevant en revelerend, de toon van Marijnissen is betrokken en afstandelijk-ironisch: bij hem moet men geen grote theorieën verkopen. We mogen ook denken dat Senges dit werk gebruikt heeft omdat hij de recente visie op Bruegel, die van de humanist, de schilder-schilder, niet in zijn boek heeft opgenomen, wat Marijnissen ook niet gedaan heeft.

We zien 6 figuren, er zijn 5 kreupelen die een rondedans lijken uit te voeren. Ze doen dit op een grasveld, er zijn muren van gebouwen, in de verte een open doorgang en bomen. Open? Sommigen zeggen dat dit een gevangenis is. Een rondedans? Of een dodendans? We volgen Marijnissen in de opsomming van  de verschillende interpretaties, we laten de auteurs-inventors achterwege. Een eerste betekenis is dat we hier een groep geuzen zien, ze worden niet geflatteerd weergegeven. Het zijn  geuzen omdat ze een vossenstaart dragen, het kenmerk van de geus. De een ziet dit als een loflied op de geus, de ander als een bijtende satire op de geus. Een ander ziet in dit tafereel een bijtende kritiek op de clerus. De spreuk op de achterzijde werd geïnterpreteerd als wat men zegt als men een aalmoes geeft. Zelf noemt Marijnissen dit ‘wat Latijnse franje […] over mimesis’. Alomvattender werd dit tafereel geïnterpreteerd als een spiegel van de maatschappij: de clerus is gekenmerkt door een papieren tiara, de soldaat een shako, de bourgeois een beret, de boer een muts, de prins een kroon. Ze doen zich voor als kreupelen maar het zijn hypocrieten; de vossenstaart is daarvan het bewijs. Er wordt ook verwezen naar Koppermaandag: de dag dat de marginalen geld bedelden, daarmee verlaat men de politieke betekenis van het werk. Allegorisch geduid leest men het werk als ‘de leugen gaat kreupel, de waarheid rechtopstaand’. De vossenstaart is het symbool van de leugen maar is ook ketterij en dwaasheid. Als mededogen werd het ook gelezen: zie, wat de Spaanse overheersing met onze mensen gedaan heeft. Weer een ander interpeteerde schilderij het als een ludiek werk: op vastenavond verkleedde men zich als bedelaars/kreupelen om eens goed te lachen. Een probleem bij de meesten is de rechtstaande figuur, is dit een vrouw of een man? Behoort ze bij de groep of niet? Dikwijls wordt ze als een vrouw geïnterpreteerd die met de bedelnap rondgaat, ze behoort dus tot de groep maar neemt niet echt deel aan de vertoning zelf. verschillende auteurs hebben de betekenis van het werk juist in de vossenstaart menen te vinden: teken van laster, huichelen, duivels, opstand (de geus). Opvallend is dat kunsthistorici blijkbaar geen weet hebben van het bestaan van de W.N.T.

Het tafereel dat we hier zien en 1568 gedateerd, werd eerder door Bruegel geschilderd in zijn schilderij ‘De strijd tussen vasten en vastenavond’ (1559), waar het een ‘detail’ in het schilderij was: links, iets boven het midden van het schilderij, een anekdote te midden van andere carnavalsuitingen. Daarmee zou het schilderijtje verklaard kunnen zijn, maar dat is te simpel gedacht. Sommigen gebruiken dit argument om aan te tonen dat dit werk geen politieke betekenis kan hebben omdat in 1559 nog geen sprake was van ‘de geus’. Dat blijft natuurlijk een zwak element. Bruegel heeft ook ‘Blinden gelid door een blinde’ geschilderd op zijn ‘Spreekwoorden’ en als apart schilderij uitgebracht. Betekenissen kunnen verschuiven, een thema kan hernomen worden en zo in een andere context geplaatst worden.

Manfred Sellink blijft, in zijn eerder geciteerde werk, beneden de maat van Marijnissen – het is eigenlijk de vraag waarom diens werk niet in herdruk blijft, het is ondanks alle poeha die we te horen krijgen, nog steeds het beste werk over Bruegel, maar hij voegt wel een element toe: het zijn ‘waarschijnlijk ook geestelijk gehandicapte bedelaars’.

De vossenstaart heeft bijna altijd te maken met list, bedrog, oneigenlijk gebruik. Men kan niet een hoofd afzagen met een vossenstaart, is bijvoorbeeld een gezegde. Maar de staart kan ook neutraal gebruikt worden: soldaten droegen een vossenstaart, als trofee?, als herkenningsteken? Het kan ook verwijzen naar een gebruiksvoorwerp en een sieraad. De W.N.T. geeft een uitgebreid lemma.

De dans kan gezien worden als een dodendans: de maatschappij gaat teloor, de oude standen zijn aan de verliezende hand, allegorisch: iedereen. Voeren de personages een theaterstuk op, waar is het publiek dan? Wij zijn het publiek, maar dan gaat het 6de personage de verkeerde kant op: ze moet gaan waar het geld zit. Van de groep van 5 kreupelen is er 1 personage dat ons niet aankijkt, we zien enkel zijn rug. Het kan dus ook een vrouw of een pop zijn. Dat is een brug te ver.

Beeld: Le tripode

Advertisements