pierre senges leest pieter bruegel (1)

door johan_velter

de kreupele bedelaars_bruegel

Zijn boeken zijn constructies, hij schrijft eerder over ons dan over ik en het ons is niet psychologisch of sociologisch maar cultureel georiënteerd. Zijn voorlaatste boek, Achab (séquelles), is een roman gebaseerd op Moby Dick van Herman Melville, Pierre Senges gaat als het ware met de culturele figuren en de problematiek aan de haal. Hij maakt kunst van kunst.

Zijn laatste boek, Cendres des hommes et des bulletins (Le tripode, 2016), is een bouwwerk in fragmenten van het enigmatische schilderij De bedelaars van Pieter Bruegel, te zien in het Musée du Louvre. Elke reproductie is bedrieglijk maar deze nog iets meer. Men denkt voor een indrukwekkend doek te staan, de figuren zijn dichtbij geportretteerd en daardoor zijn ze ons bijna als reuzen – ook al is hun gebrekkigheid maar al te duidelijk. Het schilderij meet nochtans slechts 18,5 hoog en 21,5 cm breed, dit is kleiner dan een A4-blad. Het formaat toont aan hoe de schilderkunst op paneel en doek in de miniatuur een vader heeft, maar een kunstbron is die door de musea verwaarloosd wordt.

Het schilderij heeft zijn betekenis niet vrijgegeven – hoe kunnen we multicultureel zijn als we de ‘eigen’ producten van nog geen 5 eeuwen geleden al niet kunnen begrijpen? – en dus zijn er allerlei betekenissen toegevoegd, de een al geloofwaardiger dan de ander maar daarmee ook bevestigend wat men nu aanneemt de bedoeling van Pieter Bruegel geweest te zijn.

Op de achterkant van het schilderij is een spreuk geschreven, niet door Bruegel zelf, maar door de eerste (?) eigenaar of een bevriende kunstenaar. De spreuk is interessant omdat ze informatie geeft over hoe men in de 16de eeuw naar dit schilderij keek. Ik geef de transcriptie weer die Matthijs Ilsink in zijn bijzondere Bosch en Bruegel als Bosch : kunst over kunst bij Pieter Bruegel (c. 1528-1569) en Jheronimus Bosch (c. 1450-1516) (Stichting Nijmeegse Kunsthistorische Studies, 2009) opnam: ‘Wat aan (onze) Natuur ontbrak, ontbreekt hier in (onze) kunst. Zo groot is het talent gegeven aan deze schilder. Een ander. Hier is de Natuur uitgedrukt in geschilderde figuren, verbaasd te zien dat P. Bruegel haar gelijke is, zelfs gezien door kreupelen.’ (p. 161). Het schilderij heet in het Nederlands dan ook ‘Kreupelen’ en niet ‘Bedelaars’ zoals in het Frans. Roger Marijnissen lost het probleem op, het schilderij heet bij hem : ‘De bedelaars of De kreupelen’ (Bruegel : het volledig oeuvre, Mercatorfonds,  1988). Manfred Sellink combineert dan echt: ‘De kreupele bedelaars’ (Bruegel : het volledige werk : schilderijen, tekeningen, prenten, Ludion, 2011). De spreuk bevestigt het auteurschap van Bruegel (linksonder is het werk gesigneerd en gedateerd) maar de betekenis ervan blijft in het ongewisse, althans voor veel onderzoekers. Ilsink neemt dit schilderij mét de inscriptie mee in zijn betoog, al is het geen hoeksteen voor zijn interpretatie.

Ook al is de term strikt genomen niet van toepassing op Pieter Bruegel toch kunnen we hem een fijnschilder noemen, al gaat ook dit in tegen het beeld van de ‘ruwe’ boerenschilder. Niet alleen het formaat is indrukwekkend klein maar ook het spel met het perspectief is dat. Het paneel oogt groot en dominant omdat de schilder de 6 figuren van nabij genomen heeft maar ook een bijzonder intelligent en intellectueel spel met het perspectief geschilderd heeft waardoor ook op dat vlak Bruegel zich een ware humanist toont: hij overtreft de natuur, net zoals hij dat ook met de levensechtheid van zijn figuren gedaan heeft.

Zo, betoogt Ilsink, werd het werk van Bruegel in de 16de eeuw gezien: als kunst die over kunst gaat, een artificieel ‘ambacht’ dat zich meet met voorgangers door ze te imiteren en te overtreffen. De kijker ‘bedriegen’ was een evidente opdracht: doen alsof het geschilderde echt is en de kijker aldus op het verkeerde been zetten. Er is een dubbel spel: de natuur overtreffen én de kunst zelf imiteren. Daarbovenop: een ambigue betekenis.

Toch betekent dit niet dat het dus om een ‘leeg spel’ gaat, er is wel degelijk betekenis te bespeuren maar die is niet eenduidig. De schilder toont zich hier (alweer) een humanistische meester: hij legt de kijker een raadsel voor, hij zorgt dat er verschillende interpretaties mogelijk zijn, hij speelt met symbolen en figuren. Het is ‘de bedoeling’ dat een humanistengroep tijdens een convivium het werk bespreekt, waardoor het aan rijkdom zal winnen en toch niet zijn geheim zal prijsgeven – de veelduidigheid blijft bestaan. ‘Het geheim prijsgeven’ is waarschijnlijk ook een moderne opgave: voor de toeschouwer in de 16de eeuw konden de verschillende waarheden naast elkaar bestaan, het een hoefde niet het ander uit te sluiten. En nog in de 17de eeuw was dit gebruikelijk. Toen Descartes zijn Meditationes de prima philosophia in 1641 uitbracht waren de ‘bezwaren en antwoorden’ die hij mee publiceerde uitgebreider dan de 6 meditaties samen. De auteur had zijn werk voorgelegd aan anderen om dit te beoordelen en om daarover na te denken. Er is een tijd geweest waarin het denken in samenspraak gebeurde, niet vanuit een eigen gelijk. Natuurlijk vond Descartes dat hij gelijk had maar hij trok zich niet terug op een  eiland, hij gebruikte het oppositionele denken om zijn eigen filosofie te verdedigen, te funderen en uit te werken.

Advertisements