12 mannen

door johan_velter

Het is een monumentaal werk, bijna 4 meter hoog, 3 m breed. Het behoort tot de collectie van het Groeningemuseum in Brugge waar het slecht tentoongesteld wordt. Het schilderij staat op de grond maar zou in de hoogte gehangen moeten worden. Het is bedoeld als een fresco, het is een religieus werk, geen museumstuk. Gustave Van de Woestijne schilderde het in 1927, hij zou nog 20 jaar leven, zijn meesterwerk, ‘Onze-Lieve Vrouw van de 7 smarten’, had hij 2 jaar voordien geschilderd.

Centraal staat de tafel, of beter misschien het witte doek over de tafel, de reinheid, het smetteloze, de leugen van de godsdienst. Daarop ligt het brood dat gedeeld moet worden. Er is slechts 1 glas, ook daarover kunnen we ironisch doen, maar zo zijn we niet. Het brood en de wijn horen Christus toe: het is zijn lichaam en bloed. De tafel is verder leeg. Vooraan mogen er twee mannen hun handen op tafel leggen.

Niets klopt aan dit schilderij: de verhoudingen zijn zoek en het perspectief loopt mank. De oplopende vloer, de wijkende muren, de zwevende tafel, de al te grote hoofden en al te kleine lichamen, het tengere van Christus tegenover die Vlaamse koppen, de blikken die nergens naar staren. Alles klopt aan dit schilderij. De expressie van de gezichten maakt het gebeuren heilig, de tijdloosheid van hun staren maakt van het religieuze gebeuren een eeuwige gebeurtenis, de hoofden tonen dat het geloof in het hoofd zit, de handen zijn devoot en krachtig, de ogen zijn de spiegels van de ziel en de voeten van Christus die boven de grond lijken te zweven, kondigen reeds het belangrijkste geloofspunt aan: de verrijzenis.

Waar een ‘Laatste Avondmaal’ gewoonlijk een stil en rustig gebeuren is, is dit hier toch niet: er is wel degelijk stilte en ingetogenheid maar ook veel onrust. Dit komt door het expressieve, maar ook door de vreemde opstelling waarvoor geen ‘rationele’ verklaring mogelijk is. Al zijn het allemaal koppen, toch hebben ze ook een individualiteit, maar nauwelijks een naam. We kunnen de eerste apostel links onderaan als Judas identificeren, ros haar en al enigszins afgewend. Er is ook Johannes die rechts naast Christus zit, die duidelijk de jongste en de lieflijkste is. Zou de tweede figuur rechts Petrus kunnen zijn? Hij die Christus zal verlaten en nu al lijdt? Hij is de meest smartvolle figuur, de enige met de ogen dicht. Maar verder? De derde figuur links (van onderen geteld) is een zelfportret van de schilder. Oogt het tafereel op zichzelf rustig, de figuren zelf zijn dat niet. Het expressieve van de gezichten doet ons alle kanten uitkijken, zoals ook de ogen van de apostelen dat doen. Het linker- en het rechteroog kijken niet altijd in dezelfde richting. Het merkwaardige aan het portret van de schilder, zijn de zwarte ogen (zoals Léon Spilliaert ‘Carnegie’ portretteerde en zoals Gustave Van de Woestijne ook 1 oog van zijn ‘Onze-Lieve-Vrouw van de 7 smarten’ zwart schilderde). Als er handen geschilderd zijn dan ogen ze stil en gelaten maar de onrust zit in de handen zelf, zoals ze ook in de hoofden zit: het belangrijkste is dat wat de schilder niet schilderen kan: het innerlijk van de mens. Alle apostelen verwachten onheil. Daartegenover zit Christus, tenger als een jongeling, rustig. Ook hier een expressionisme in het gelaat (dat niet in het lichaam overgaat, maar in de handen weer tevoorschijn komt) maar de ogen zijn rustig. Christus kijkt niemand aan. Al zit iedereen dicht op elkaar gepakt, het lijkt alsof iedereen in zijn eigen wereld leeft: er is geen contact met de ander (ook dat verklaart de stilte), niemand praat, iedereen is in zichzelf verzonken.

De personages zijn gebeeldhouwd, in de paragone heeft de schilderkunst het weer gewonnen van de beeldhouwkunst: dit zijn beelden, ook al zien we nauwelijks gebogen ruggen, ze zijn er. De apostels worden hier geschilderd als de schaapherders in de stal waar Christus geboren werd. Het verbazingwekkende is dat de schilder de Christus niet radicaal anders heeft afgebeeld en toch een duidelijke breuk met de anderen kon tonen. Er is een contrast tussen het lijnmatige, de rechte lijn van de tafel en de vloer en het veelvormige van de gezichten – de schilder toont zich een menselijke schilder, de abstractie is hem (de mens) te vreemd. Het schilderij is daarmee een lofzang op het leven en het aardse, niet op de platoonse ideaalbeelden. Deze inhoudelijke contradictie (want er is wel degelijk ook onbewogenheid en een metafysica aanwezig) maakt het schilderij nog sterker, want onrustiger: niet alleen het beeld, niet alleen de anekdote, niet alleen de veelheid, ook de idee.

De stijl doet denken aan Maurice Denis, een schilder die veel belangrijker is dan men nu nog denkt en/of weet, is geïnspireerd op een geïdealiseerd Middeleeuwen met een flinke scheut orthodox Oosterse beelding. De muur refereert aan de gouden achtergrond van heiligen, een eredoek. Opvallend is dat Van de Woestijne geen aureolen schildert, het zijn ‘gewone’ figuren, creaturen. De heiligheid zit niet in het uiterlijk. Onmiskenbaar doet het schilderij ook denken aan Georges Rouault, maar de Vlaming is helderder, gebruikt de verf veel spaarzamer, is bedachtzamer en precieuzer. Toch is er eenzelfde soort katholicisme: niet het geloof van het pastoorke van Ars of van Bernadetje, het geloof dat mensen simpel houdt en een dwaze naïviteit uitstraalt maar een pascaliaans katholicisme dat met hevige gemoedsaandoeningen gepaard gaat, nooit gemakkelijk is maar het leven ook niet uit de weg gaat, integendeel, geconfronteerd met het moderne wil men niet wegvluchten in een idylle maar gaat men de confrontatie aan met inachtneming van een verleden.

De apostelen zitten aan de tafel zoals kleine kinderen aan een feesttafel zitten: het hoofd nauwelijks boven het tafelblad. Geknield, de bovenste apostelen rechtstaand. Zit Christus of staat hij? Hij staat zwevend. Men wacht. Men weet. De dood roept alreeds. De massa zal juichen, het verraad zal gebeuren.

Gustave Van de Woestijne, Het laatste avondmaal, 1927

Advertisements