9 april 1553

door johan_velter

rabelais_lasne 17de eeuw

9 april 1553, Rabelais, de grote humanist, sterft. Het is verleidelijk om met hem een tak van het modernisme te zien sterven, de fakkel van de modernisering van de Westerse maatschappij kwam in protestantse handen. De Katholieke Kerk werd veracht, geminacht, misprezen voor het geld, de smerige zaakjes, de corrumpering van maatschappij en geesten. De idee werd alleen nog als een abstractie gezien, niet meer het lillende vlees, de geur van zweet en uitscheiding. Het ascetische werd verward met het schrale. Beter misschien: een terughoudendheid werd verward met een afzijdigheid.

Toch is het met Rabelais dat het levendige, het goddeloze, het vreugdevolle gestorven is – een ruimte waar lichaam en geest als een tweespan de mens voorttrok. Misschien is dat wat we nu nog in de marges van het denken ontwaren, het meest waardevolle wat verloren gegaan is. De vreugde van het denken, de vreugde van de vrijheid. Wanneer ik over dit uitspreek, bekijkt men mij alsof ik een voorhistorisch wezen ben. Vrijheid? Denken? In de 18de eeuw is er in de marge van de Verlichting een poging geweest om een antisysteemdenken te denken – die poging is mislukt. In de 19de eeuw vond in de rafelige randen van het socialisme een gelijkaardig streven plaats – allen zijn gestorven, er is niets overgebleven. Misschien kan het ooit, ergens – maar dit lichaam zal het niet meer meemaken.

“Doe wat ge wilt:
want vrije, weldenkende mensen, die een goede opvoeding hebben genoten en omgaan met fatsoenlijke mensen, hebben van nature een neiging en een drang die hen altijd duwt in de richting van de deugde en hen afhoudt van de ondeugd. Die neiging noemen ze hun ‘eergevoel’. Wanneer die mensen in een verachtelijke staat van onderworpenheid en dwang worden onderdrukt en geknecht, dan verwringt zich die edele neiging, waardoor ze zonder meer de deugd navolgden, om het juk der dienstbaarheid aan die deugd af te werpen en te verbreken; want we doen altijd dingen die verboden zijn, en we willen altijd dat wat ons wordt geweigerd.”

(Gargantua, Hoofdstuk LVII)

beeld: François Rabelais door Michel Lasne

Advertenties