caninus, liber vi

door johan_velter

caninus

Bij Caninus, de historicus van de nadagen van het Romeinse Rijk, lezen we (Liber VI, r. 332-665):

‘Het was in die dagen dat Caesar zijn troepen wilde reorganiseren, het ene project na het andere bleek te groot gezien, werkte niet en ondanks de propaganda kwamen de pestplekken overal bloot te liggen. Zoals latere filosofen zullen zeggen: ‘een oorlog ontketenen is de beste manier om het eigen volk te onderdrukken.’

De nabije bevelhebbers waren gemakkelijk te manipuleren, de buitengewesten waren moeilijker onder controle te krijgen. Nu zijn persoonlijk gouden paleis in gebruik genomen was, had hij tijd om nieuwe spelletjes te beginnen. Onder het motto ‘Rechte Romeinse Regels’ werd de politiek van de godengelijke waarheid overal opgedrongen. De waarheid was één en, de waarheid was Caesar. De leugen had Rome reeds vergiftigd, nu de wereld. Daartoe stelde hij onder zijn rechtstreeks bevel twee generaals aan die verregaande bevoegdheden kregen. Zoals de geschiedenis het bewees kregen ze te verregaande bevoegdheden.

Sylvanus Janus was door Caesar persoonlijk aangeworven, hij had hem in een vorig leven diensten bewezen die nu vergoed moesten worden. Sylvanus Janus kreeg landgoederen, een veestapel en in het hoofdstedelijk paleis een suite met persoonlijk dienstpersoneel. Ook mocht hij zich uit de keizerlijke garde een schandknaap kiezen. Maximus Gulanus, bijgenaamd ‘de bruutzak’, was door Caesar gekozen om zijn onbeschaamdheid, grofheid, ambitiezucht, botheid. Hij sliep waar de varkens sliepen, hij at uit de trog van de beesten, hij dronk als een slurfbeest, hem ontbrak waardigheid. Al wist Caesar dat Maximus Gulanus door de senatoren uitgelachen werd, hij kon geen behoorlijke zin uitspreken, zijn Latijn was doorspekt met boertige uitdrukkingen en verkeerde woorden, de klanken die uit die grofgebekte muil vlogen stonken als koeien die een hele winter op stal gestaan hadden, waar de wind geen vrij spel had en de stank tot in de beenderen van de beesten was doorgedrongen, hij vond het plezant om in te gaan tegen de Romeinse moraal en idealen.

In de noordelijke gewesten was Lucius Agnus het hoofd van het Tweede Legioen. Hij had bij zijn manschappen een goede naam verworven. Hij was moedig, rechtvaardig, oprecht en stond dag en nacht klaar voor het welzijn van zijn troepen. Iedereen werd op tijd betaald, kreeg eten en drinken, de strijdoefeningen gebeurden in optimale omstandigheden. Alhoewel Lucius Agnus tot de bezettende macht behoorde, was hij mild voor de barbaren. Hij strafte niet nodeloos, de penningen die betaald moesten worden, waren niet onmatig, het barbaarse leven kon verdergezet worden zoals de barbaren het wensten. Op die manier was het gewest rijk en welvarend geworden, een gewest waar het goed leven was. De weiden waren groen en sappig, de schapen mekkerden en hadden een rijke kroost. De stoffen die geweven werden, hadden een roemruchte kwaliteit.

Caesar, steeds wantrouwig en in het besef van zijn nu voor iedereen zichtbare tanende vermogens, zag in de welvaart van dat land en het welzijn van de manschappen en de barbaren de opstand gloren, een opstand die hij de kop wilde inslaan. Niet alleen de opstand, al zijn fouten waren zichtbaar gemaakt, nu moest hij de aandacht verleggen. Sommige generaals vermoedden dat er geen opstand was, dat de slechtheid zich een verwoestende stroom bloed wenste. Hij vreesde het – later zo genoemde – ‘onmachtige bondgenootschap der goeden’, tirannen vrezen de zwakheid van de waarheidsgetrouwe Romein.

Daartoe zond hij de beide door hem zelf aangestelde generaals naar het buitengewest met de opdracht alle zogenaamde opstandelingen te doden. Beiden wisten  dat ze niet naar Rome konden terugkeren vooraleer alle opstandelingen, ook de toekomstige, gedood waren. Dat was de grote fout van Caesar. Door twee honden bij elkaar te zetten, kreeg hij een derde hond, een hond boven honden die in elkaars wreedheid een verbondenheid zagen en elkaar opjutten om nog meer wreedheid te tonen. Bloed vraagt bloed. Een druppel bloed verzinkt in een ton bloed.

Sylvanus Janus deed het met de glimlach, Maximus Gulanus met de hem gekende bruutheid. Beiden waren effectief als de wurgslang. Dood en verderf hingen als strontvliegen rond hen, de geur van de stal was hun parfum, de dieren vluchtten weg, roofvogels vlogen angstig weg, waar zij kwamen verduisterde de lucht, as en schroot achter zich latend. Als de rook niet recht omhoog schoot, moest het volgende buitengewest boeten. Gulanus beval zijn manschappen te blazen en te roepen.

Lucius Agnus, de milde bevelhebber van het Tweede Legioen, had meer geluk dan Sylvanus Janus en Maximus Gulanus konden verdragen. Jupiter en Mars waren hem gunstig gezind, Hera nam hem in haar armen. Aangekomen hoorden de uitgezonden Caesarlijke generaals dat Lucius Agnus aan kanker gestorven was, hij ontglipte hun moordenaarshanden. Eerst knarsten hun tanden, verwrongen zich hun handen, kraakten hun vingers. Maximus Gulanus die zijn brute kracht niet kon aanwenden, installeerde zich in het paleis en vrat zich verder vol, altijd al gelijkend op een dubbele paddenstoel, bol vooraan, bol achteraan, verving de strijd door een feestelijke vreetpartij. Sylvanus Janus besloot met een glimlach, het uitgesproken woord toonde de koude bitterheid om de eigen kilheid, doordrenkt van gif en haat waren dat lichaam en die geest: ‘Wat wij niet zelf doen, doet men voor ons’.

Beiden triomfeerden, bevalen hun knechten de vreugdevuren te doen branden en wensten zichzelf en hun dodende reputatie een vrolijk bestaan. Caesar kreeg in zijn gouden paleis het bericht door een bode aangereikt, las het niet, keek in de spiegel, schikte zijn haar, strooide as op zijn hoofd, vertoonde zich aan het volk dat, zoals verwacht goedkeurend mompelde, haastte zich naar binnen, knipoogde naar zichzelf, veegde de as van zijn hoofd, keek in de spiegel, schikte zijn haar.  Zo ver was het gekomen met de Romeinse rechtsregels, de ooit zo verheven moraal nu vermalen tot zand.

De manschappen treurden om Lucius Agnus, hun milde bevelhebber. De boeren treurden om Lucius Agnus, hun rechtvaardige heerser. De kinderen zongen treurliederen om hun goede vader. De nacht verduisterde, geen sterren blonken, de maan schaamde zich, de zon verkilde bij het zien van de drie beesten.

Zo trokken Sylvanus Janus en Maximus Gulanus op naar het Derde Legioen, ze hadden instructies gekregen ook daar de bevelhebber te liquideren. Ook hij had te veel plaatselijk succes en dwarsboomde aldus de smerige plannen van Caesar – die, in het besef van zijn verminderde vermogens, zijn leugens die nu al te zichtbaar geworden waren, de beslissingen die alleen maar ellende veroorzaakt hadden – het hele rijk aan de bevelhebber van Hades wilde verkwanselen. Maar niet vooraleer hij het goede had uitgeschakeld. Had laten uitschakelen.

Het vervolg van de geschiedenis zal, zoals iedereen weet, tonen dat voor wie bloed aan de handen heeft, bij wie het bloed de moraal heeft weggespoeld, bij wie het moorden slechts maar moorden is,  niemand veilig is. Caesar werd verscheurd door die honden die hij zelf had aangesteld en de brute dictatuur werd verdergezet. Het schip van het Romeinse Rijk werd verder zonder intelligentie en cultuur de woeste zee opgestuurd. Kinderen kregen geen onderwijs, dichters werden vervolgd, filosofen tot zelfmoord gedwongen, mannen werden verkracht, vrouwen tot het binnenplein veroordeeld. De barbaren konden stapvoets binnenkomen. Hun paarden triomfeerden, hun schilden werden niet vuil, de vaandels wapperden recht en fier. Geen strijd werd geleverd. Er was geen weerstand. Het Romeinse Rijk, ooit zo geprezen door dichters en denkers, om zijn welvaart, welzijn, verdraagzaamheid, moed en praktische zin, werd vernietigd en nooit meer kwamen de dagen van weleer terug, ja, bleven een bron van schaamte voor hen die zich niet verzet hadden. Alle levenden treurden nu om hun leven. Het waren de doden die gelukkig waren.’

Advertenties