zij, wij – en een mens

door johan_velter

sfcdt_zij, wij en ik

De foto dateert ergens uit de jaren dertig, 1933-1934 misschien, een stad of dorp ergens in Deutschland – of elders, de plaats is onbelangrijk. Het tafereel zit vol mannen, och wel duizend – metaforisch begrepen, het ganse volk van bloed en bodem. Ze lijken wel op elkaar gestapeld te zijn – ach, ga weg, donkere gedachten. Er is 1 vrouw, onderaan, de derde naast, hoe heet die man ook alweer, ach ja, Adolf Hitler, de man van de treinen, de stipte treinen!, de autowegen, de Volkswagen, Bekaertdraad. Ze kijkt met, hoe kan het ook anders, met verlegen, bedeesde, verliefde ogen naar die man die toch niets zegt. Zo’n hoge moraal hij heeft en toch kijkt ook hij naar omhoog, naar het volk! Naar ons! Het levende deel van de Gemeinschaft! Wij de verbondenen, schouder aan schouder, een muur van uniformen, van mannen!

Van de mannen zijn er alle soorten, oud en jong, dik en dun, lang en kort, uniform en zelfs open kraag, u ziet, het volk bevat alle tendensen en is verenigd. Later, later zal men een oordeel vellen over hen en niet veel later zal men hen doen navolgen en men zal zichzelf op de borst slaan, wij democraten. De man met de snor zegt niets en toch kijkt iedereen vol verwachting en in vertrouwen naar hem. Kijk naar die ogen: groot, bewonderend. Nee, die man is niet hard en gevoelloos. Zie toch hoe die volwassen mannen kijken naar dat zwijgend godswonder. Het zit daar passief, rustig, zeker van zichzelf. Een communicantenprentje.

Zijn handen liggen op tafel, de rechter- omvat de linkerhand, er is geen agressie aanwezig, de handen rusten zoals die van een werkmens na een dag hard werken kunnen losgelaten worden. De tafel is een genoeglijke keukentafel, een mooi, modern kleedje, subtiele deconstructie. Wie wil kan de hoekjes samenvoegen tot een nieuw figuurtje, kindjes vinden dit amusant. Op de tafel, raadselachtig, staan twee kopjes, ongetwijfeld voor koffie, ach ja, de man naast Adolf Hitler is ook een beroemde man, het gaat om twee mannen. Beiden zijn een kop koffie aangeboden. Er ligt een lange lepel op de tafel, er staat een zout- en pepervat op de tafel, zou de grote man een eitje geoffreerd zijn? Zou er iets van het geel in zijn mondhoeken achtergebleven zijn? Is dat een kepie die daar op tafel ligt? De blik van de kijker gaat van beneden naar boven, de tafel is in het midden van de foto geplaatst, links en rechts mensen, mensen! – wie durft dit woord vandaag nog te zeggen? – en de blik wordt langzaam en waardig getrokken naar de armband van die jonge, degoutante man met zijn open en minzame glimlach, de knoken kraken reeds. Het lijkt nu wel alsof de foto gemonteerd is, de mensen geschikt.

Onder die mensenmassa, wat staat daar? Een rij stoelen rond de tafel (de vrouw zit op een laag bankje, of nee, zij zit op haar knieën, er is geen plaats voor een stoel) de tweede rij staat recht, maar lichtjes gebogen, zo kan ook de derde rij nog recht staan. En dan, dan zijn er banken, kasten, stellages, hoger! Hoger!

Dit is een keukentafereel, vredig, vreedzaam. Men komt samen om te kouten, over het werk, de vrouw, het weer en de koeien die zo moeilijk gemolken worden. Dan gaat het over de anderen, de boeken, de gedachten, de kunst, het verderf. Met een simpel, laf gebaar kan de hand dit alles van tafel vegen. Oh, de toekomst, dat men daar niet aan gedacht heeft: dat het moorden ook kan, zonder een oorlog te ontketenen.

Is de foto in de vroege jaren dertig genomen, hoe oud zijn die mannen? Alle leeftijden, 18 jaar, 20 jaar, dertig, sommigen naderen de veertig, een enkel zal ouder zijn. Hoevelen zullen 10 jaar later nog in leven zijn? Hoe oud zijn die mannen echt geworden? En wie van hen zal in die laatste levensdagen gedacht hebben aan dat genoeglijk samenzijn en die goedlachse fotograaf die iedereen op de foto kon krijgen.

Maar elk samenzijn kent een Judas, elke bijeenkomst een outsider, altijd en alles wordt verstoord door die ene, die Jood, die vreemdeling, ook al zijn het kinderen van ons, duivels zijn het, valse broeders, verraders van de goede zaak. Onze Zaak!

Er is er één die boven de grote leider uittroont, hij heeft zich uit de groep gewrongen, hem zullen ze niet alleen zijn hoofd mogen tonen in dat laffe moeras, hij wil zich bevrijden en dat hij daarvoor aan de kant moet staan, ja dat begrijpt hij zelf ook wel.

Zelfs een geënsceneerde foto kan de vrijheid niet volledig verdringen.

Hij heeft een witte blouse moeten aantrekken deze ochtend toen zijn moeder hem met blijde ogen wekte, hem gauwgauw in een teil waste, sluiks naar zijn ding daar keek en mompelde dat hij ook al een man aan het worden is, en dat hij een grote toekomst voor zich zal hebben als hij luistert naar zijn Mutti en die Gröβte. Hij, zoals steeds, onwennig met nieuwe kleren, waarom willen moeders altijd dat ongemakkelijke, dat wriemelen in zijn haar, laat het toch rechtop lopen, ze plakt er weer haar speeksel in, niet verwonderlijk dat het altijd gewassen moet worden.

En nu staat hij daar, met zijn linkerhand houdt hij zich vast, nee, hij zal niet vallen, zoals hij ook op de speelplaats hangt te kijken naar het gewemel en hoe hij in de klas op de laatste rij zit. Hij kijkt omlaag naar die man, zijn ogen zijn niet open en blij, maar laatdunkend en ongelovig-minachtend. Zijn mond gesloten, nee geen krul van een lach, geen glimlach, geen vrolijkheid. Hij lacht niet. Hij weet intuïtief dat de lach, dat soort beate lach, de lach van het moorden is, dat de schoftmedeplichtigen zich zo voordoen. Hij is een straatschoffie, hij is de cultuur, het waardevolle, de discontinuïteit. Ze zullen hem verwijten niet loyaal te zijn.

Ooit zal men zeggen: ‘Het volk stond achter hem. Het steunde het nieuwe regime.’ Nee, niet het volk, wij, zij die zich wij noemen.

Mond, ja ook de neus is wat opgetrokken en ruikt al de stank van het branden, en zijn ogen en dat hele lichaam tonen wat een mens moet zijn, nee, wat een mens is: achterdochtig, niet gelovig, argwanend tegen die grote woorden die al de smeerlapperij zelf zijn. De anderen, de enthousiastelingen, de anderen, die wij, dat zijn de varkens.

2017:
« nous ouvriers, nous n’avons pas d’immunité ouvrière » (Philippe Poutou)
« c’est déjà tellement difficile de parler » (Christine Angot)

Advertenties