niets kan ons overkomen

door johan_velter

benoit doppagne_de tijd

Zie ze schrijden, zie hoe die armen bewegen, ook al is de foto van Benoit Doppagne (die in De Tijd van 4 februari 2017 verschenen is) een stilstaand beeld. Er moet veel wind zijn in de fabriekshal, het lichaam van de eerste man wat voorovergebogen. Maar ook niet zo veel wind dat de ogen naar de grond zijn neergeslagen. De ogen van de koning zijn rond en donker omrand, oh, de zorgen om het land, Marie, een mens weet niet wat dat is. Nee, toch de blik ver vooruit, de fotograaf heeft de einder, de toekomst niet gefotografeerd en dus blijven wij in het ongewisse. Misschien zal de koning der Belgen alleen maar het licht doven.

Hij schrijdt vooruit, de helm op het hoofd, hij is een krijger zoals ook zijn voorgangers dat niet waren. Hij is een man van alle gelegenheden (‘Je kunt daarmee onder de mensen komen.’), de helm draagt hij als hij arbeider is ; het kostuum is voor het establishment. Hij is koning, hij is het al, altijd en overal. Zijn linkerhand is bijna tot een vuist gebald, nu toch zacht en week. De rechterhand vraagt een ander handje.  Niet zoals de anderen is hij een naamkaartje opgespeld, hij draagt een pochette, zoals de mannen het vroeger deden, toen hun ijdelheid nog met confectie versierd mocht worden. Zijn broekspijpen zijn iets te kort, maar hier komt hem dat te pas, zijn broek zal niet nat worden. Maar daar had men zich al op voorzien: de rode loper werd hem uitgerold, vakkundig vastgekleefd met gele lijmband, ja, zo kun je er niet naast lopen, alles is duidelijk en er mag niet getwijfeld worden. Zij die hem begeleiden kennen hun vak nog niet echt, het zijn zeker en vast Walen: men loopt niet naast een koning maar achter hem, minstens een meter. De koning kijkt vooruit, zijn begeleider spreekt uit, achter hem, met klare, duidelijke stem, wat de koning ziet.

De koning is ons voorbeeld. Hij is actief en ernstig. Zonder hem geen economie, geen vernieuwing, geen sociaal pact, geen leven en geen aarde. Hij is bij ons.

De man met het reddersvestje loopt met de handen op de rug, hij is er precies gerust in, hij heeft ongetwijfeld veel geld op zak, hij stapt ook naast de loper en toch wel te dicht bij de koning, zijn majesteit. Nee, dit is niet lopen, hij wandelt zoals hij op zondagochtend met zijn hond door de velden wandelen gaat. Zijn helm is iets te klein, die van de koning iets te groot. Kon de ceremoniemeester niet eerst de maten opvragen?

In het midden van de grote Heeren loopt de baas van het Luikse ArcelorMittal, Matthieu Jehl. Hij is trots, hoog bezoek en geen vuiltje op de grond, alles is schoongemaakt, weggeblazen. Links voor hen, rechts voor ons, staat daar wat in de weg, maar gelukkig, niemand kijkt en wel vooruit. Hij heeft een modieuze baard (al is het de mode van een paar modes her). Zijn das is iets te oud voor zo’n man, die we toch zonder das zouden mogen verwachten. Hij zal instructies gekregen hebben. Wat hij hier presenteert is niet niets: het staal van de toekomst. Ja, de man van staal, zo ziet de koning eruit. Ah, de connecties tussen Gent en Luik, in de eerste stad wordt het staal warm geproduceerd, in Luik wordt het getoekomstialiseerd wat toch al vandaag is, ‘verzinkt’ waardoor het staal niet meer kan oxyderen en daardoor beter gemanipuleerd kan worden, er is minder staal nodig. Hoihoi! Was dat ook maar mogelijk met het geld: het is er en plots is het er niet meer. Voor de goede zaak! Onze zaak!

Achter de top loopt een tweede groepje, het lijken wel anarchisten te zijn. Men doet daar zelfs geen moeite meer om op het tapijt te lopen, men gaat maar vooruit zonder na te denken. Er is van alles, de clichés-rijke man met een vierkant hoofd en afhangende wangen, er zijn de halve hoofden en de bruine blinkende schoenen. Hier hebben we de mannen die werken.

Waar de koning vroeger de rust zelve was, hij zat op zijn troon en het volk (d.i. iedereen die geen koning was) kwam naar hem toe, al dan niet gebukt, is hij nu de doener. Vroeger : de koning ontving. Hij deed niets, hij gaf opdrachten, nee, men deed al wat gevraagd zou kunnen worden. Theodor Veblen schreef in 1899 The theory of the leisure class : an economic study of institutions, waarin hij de maatschappij bekritiseerde/beschreef door de werkende klasse tegenover de niet-werkende klasse te stellen; de eerste voedde de tweede, de tweede buitte de eerste uit. Hoe armzalig deze beschrijving en voorspelling! De wereld is gekeerd: de topklasse werkt voor het volk. Gelukkig wordt ze daarvoor correct, marktconform betaald. Een eerlijke prijs. Het management is nu moe, uitgebuit, krijgt zenuwaanvallen, moet op het werk beziggehouden worden want anders verveelt het zich. De nietsdoende klasse van Veblen is de actieve klasse geworden die de nietsdoende onderklasse in leven moet houden. Ze wordt stilgehouden met geld, veel geld, ze koopt dingen, overbodige dingen, ze is gelukkig want  verdoofd. De arbeidende klasse moet nog slechts controleren, kwaliteitsbewaking, het zijn de bollebozen die voor hen werken. Het werk is voor hen een spel, een doen alsof. De priesterlijke klasse.

Rechts op de foto zien we twee arbeiders die er niet als arbeider uitzien. Hun pak is proper, er is geen vuiltje te bespeuren. Ze hebben hetzelfde noodvestje aan als de man links op de foto. De een heeft de armen gekruist en staat lichtjes achteruit, de benen wat uit elkaar, stevig. De ander is iets groter en lijkt wat aan te leunen bij de kleinere, iets door de knieën gezakt, de armen op de rug. Beiden hebben een bril op, nu het attribuut van de arbeidersklasse. Ze kijken, zij staan stil, bezien hoe de wereld rond hen draait. Ze weten echter, daar, naast hen, staat een product. Nee, ook dat is niet meer van hen. « Dites, Julien, ça marche, hein. Tu connais ce type-là ? » – « Ah, la jeunesse, mon vieux, l’avenir! C’est peut-être le nouveau chinois. » – « De Pékin ?»

Advertenties