dwalen op een griekse weg, zoeken naar lucebert en betekenis (4)

door johan_velter

lucebert_johan, du hast recht, 1959_stedelijk museum amsterdam

Weerloos is dat wat vergaat, het is het ijle, het vluchtige. Ook het nu. Maar dat staat tegenover de ‘aanraakbaarheid’, dat een materie veronderstelt. Begrijpen we dit gedicht als een reflectie op de tijd, Vadertje Tijd, de zeer oude (al heeft Verhoeven met zijn oude = Parmenides ook gelijk), dan is het nu, het moment zelf rijk wanneer het geleefd wordt, wanneer de tijd aangeraakt wordt, wanneer er bewust geleefd wordt – weer hebben we een rationele bekommernis, niet alleen maar een ‘ondergaan’ of ‘ervaren’, wat dus tegengesteld zou zijn aan de zogenaamde ‘Lucebert-ideologie’.

Nemen we een ‘onverdachte’ bron, Arthur Schopenhauer, omdat er wel parallellen in het denken van de twee pessimisten te ontwaren zijn, dan schrijft ook hij : » Cogito, ergo sum ist ein analytischen Urtheil, Parmenides hat es sogar für ein identisches gehalten: […] nam intellegere et esse idem est […] « (ik laat hier de Griekse versie weg en neem enkel de Latijnse over, Die Welt als Wille und Vorstellung II, Zürcher Ausgabe, Bd. III, Diogenes, 1977, p. 42): denken en zijn, zijn identiek aan elkaar. Door Schopenhauer te introduceren, wordt het ‘willoos’ uit regel 4 in een totaal andere context geplaatst.

De aanraakbaarheid kan plastisch voorgesteld worden: de god van Michelangelo, ook een zeer oude, die Adam aanraakt en daardoor leven geeft. Het aanraken is fysiek, niet louter denken. De tweede strofe is daarmee een materialistische visie (en ook dit gaat in tegen het Lucebert-beeld). Het ‘aan alles gelijk’ worden is hiervan een bevestiging: alles is materie en wordt ook weer materie. ‘Gij zijt stof.’ Aanraken kan plastisch begrepen worden als de lichamelijke liefde, dan gaat het om het vermengen van het mannelijke met het vrouwelijke, het eenworden van het duale wat ooit het ene geweest is.

De zin ‘alles van waarde is weerloos’, is voor sommigen een weerklank van Karl Marx’ » Alles, was besteht, ist wert, daß es zugrunde geht. « (Der 18te Brumaire des Louis Napoleon, 1852) – naar de context te oordelen, een duivelse uitspraak en dus een inversie. In de Nederlandse vertaling: ‘Het algemene kiesrecht schijnt slechts een ogenblik langer in leven te zijn gebleven om eigenhandig voor de ogen van de gehele wereld zijn testament te maken en in naam van het volk zelf te verklaren: alles wat bestaat is waard, dat het ten gronde gaat.’ (De achttiende Brumaire van Louis Napoleon, Pegasus, 1936, p. 20) en deze cynische constatering van Marx is weer een echo van Goethe die zijn Mefistofeles in Faust laat zeggen: » Und das mit Recht; denn alles was entsteht / Ist werth daß es zu Grunde geht. /  Drum besser wär’s, daß nichts entstünde « (r. 1339-1341)  – ‘En dat met recht : want alles, wat ontstaat, / Is waard dat het te gronde gaat ; /  ’t Waar beter dus, dat niets ontstonde, /’ (vert. C.S. Adama van Scheltema). Wat Goethe en Marx zeggen, dat wat waard(evol) is, ten gronde gaat is bijna identiek aan wat Lucebert zegt: het is weerloos, het kan niet overwinnen maar alhoewel het steeds verslagen zal worden (zoals de waarheid, zoals de waarheid), is het door de aanraakbaarheid rijk. Het weerloze moet dus door de aanraking sterker (rijker) worden – het weerloze is daardoor niet zo weerloos. De regels zijn een pleidooi voor de kunst, voor de rijkdom van … de betekenis in de ene zin, in de andere is het een pleidooi voor het leven. Het verschil met Parmenides, Goethe en Marx is dat Lucebert hier nu niet meer spreekt van het alles, maar wel van ‘alles van waarde’ – heel veel mag dus uitgezonderd worden, blaas die pretentiegebouwen maar op, sluit die luchtbelboeken nu definitief, zet uit de radio.

Het is in de derde regel van de 2de strofe (“en aan alles gelijk“) dat het weerloze aan alles gelijk wordt – er is een circulaire beweging gebeurd.

Goethe, Faust, r. 1331- 1334 : » Bei euch, ihr Herrn, kann man das Wesen / Gewöhnlich aus dem Namen lesen, / Wo es sich allzu deutlich weist, / Wenn man euch Fliegengott, Verderber, Lügner heißt. / Nun gut, wer bist du denn? «. In de vertaling van C.S. Adama van Scheltema: ‘Bij here’ [heren] als gij kan men het wezen / Gewoonlijk uit de naam reeds lezen, / Waar elk meer dan genoeg al weet, / Zo men u Vliegengod, Verderver, Leugenaar heet. / Nu goed, wie zijt gij dan?’ De Vliegengod is Beëlzebul, Satan. Val voor Vliegengod is een bundel van Lucebert uit 1959 met een motto van Robert Graves ‘truth captured with increment of flies’. In het voorwoord schrijft Lucebert dat hij tijdens het schrijven van deze bundel last van vliegen had. Toch komt de regel uit een gedicht van Graves met de titel ‘The philosopher’… (In het gedicht ‘Kleines Lehrbuch des Positivismus’ (Triangel in de jungle, 1951) schrijft Lucebert ‘laat ze gaan die wijsbegeerte / drie dode gedachten / in een grijsleren huid / op een walm van woorden //’ – de titel van dit gedicht is effectief ook een handboek geweest, de auteur was Richard von Mises, hij ‘behoorde’ tot de Wiener Kreis en schreef zijn boek tégen het nationaal-socialisme, het denken moest geklaard worden, een nog immer actueel thema vooral nu [gecensureerd]. Het verscheen in 1939 bij van Stockum & Zoon in Den Haag.)

Het gedicht eindigt met de dubbelregel ‘als het hart van de tijd / als het hart van de tijd’ waarmee het begin (de titel: ‘de zeer oude zingt:’) verbonden wordt: de herhaling van de regel is het echte zingen (wat verwijst naar de Griekse oerdichter, Homeros, de zanger), de echo van de stem, de duisternis van de nacht. In het hart van de tijd is daar waar de duisternis heerst, maar daarmee zijn  we ook weer bij de interpretatie van het gedicht toegekomen: de zeer oude kan geïnterpreteerd worden als de verpersoonlijking van de tijd: het verleden, het zijn, het moment, de toekomst: het alles van waarde is het nu zelf, dat rijk wordt wanneer het in een keten wordt opgenomen: het nu wordt aangeraakt door het verleden en de toekomst, slechts dan bestaat het, zoals het hart slechts kan bestaan als het opgenomen is in een geheel. Het hart van de tijd, het kloppende hart kan gelezen worden als de wil die drijft. Maar niet vooruit, wel in het nu, als een boeddha, verzonken in zichzelf en de tijd.

Het hart van de zoeker (De Bezige Bij, 1987) is een titel van een boek met foto’s van Lucebert, maar is ook de titel van een gedicht van Lucebert zelf (Verzamelde gedichten, 2002, p. 624). Daarin wordt het fotograferen als onderwerp genomen, eigenaardig want Lucebert heeft in de tweede periode van zijn leven geen ‘publieke’ foto’s meer gemaakt. We mogen dan ook veronderstellen dat het fotograferen metaforisch begrepen moet worden als het levendig, dorstig en hongerend, onderzoeken van de wereld. Het is een pleidooi voor het open oog, het actieve leven. Het gedicht is minder gebald dan ‘de zeer oude zingt:’. Er zijn een aantal zwakke elementen (‘hart’-‘hartvormig slot’-‘hartvormige kast’), een overvloed aan beelden, maar er zijn toch enkele formele en inhoudelijke banden te leggen. We weten van Peter Hofman dat Lucebert veel Duitse literatuur las in zijn jonge jaren, onder hen Goethe. Goethe wordt, samen met Newton, genoemd. ‘nooit versagend doorzoekt hij [d.i. de zoeker] bij dag en bij nacht de legerstede van het hart / en maakt zo de eeuwig slapenden wakker opdat ook zij door de zoeker / kunnen kijken naar de tijd […]’, de tijd, de voortgaande wereld zijnde, het geroer. Ook hier is het thema de tijd. De tijd is een veel voorkomend thema in het werk van Lucebert, ik herinner aan De moerasruiter uit het paradijs (1982) die door het moeras van de tijd trekt. Ook ‘de oude’ is een motief in het werk. Het gedicht ‘gaat daar liggen en waarzeggen’ (V.g., p. 200) (wat merkwaardig genoeg doet denken aan de eerste regel uit handschreeuwkoor van Tonnus Oosterhoff ‘ga even liggen en stond niet meer op’) begint met ‘vraagt het oude hoofd:’ – met een zelfde structuur als de titel ‘de zeer oude zingt:’ – tijd, ijlte, herhaling. Of p. 20 waar een regel ‘ik zing als een vogel, de oude, aan die alles bewezen’ of p. 660 ‘een oud jagerslied’, of p. 703 ‘een lustig oud lied’, of p. 729 ‘nog een oud lied een beurtzang’ of p. 730 waar de zwerver ’s avonds in een oud boek leest. Het oude is bij Lucebert niet het negatieve maar een echo van een betere tijd, een waarachtiger leven.

Uiteindelijk blijkt de link met Parmenides te zwak te zijn – ook al kan Lucebert geput hebben uit zijn zinnen, dat denken is niet ten volle in het gedicht aanwezig en zeker is dit gedicht geen uitwerking of poëtische verwoording van Parmenides’ denken. Die filosofie kunnen we immers samenvatten met: er is een eenheid van denken en zijn ; de wereld is afgerond, 1 geheel ; de wet van de niet-tegenstrijdigheid staat centraal. Parmenides spreekt van het zijnde en het niet-zijnde, Lucebert enkel van het zijnde. Bij Parmenides zijn licht en donker 2 elementen, in dit gedicht speelt deze tegenstelling bijna niet.

Het is Plato, nl. in de Theaetetus,  die Parmenides door Sokrates ‘de oude’ genoemd laat worden. Sokrates beschrijft aan Theodorus hoe hij als jongeman een onderhoud gehad heeft met Parmenides, die toen al oud was. In de bibliotheek van Lucebert waren wel wat werken van Plato aanwezig, maar alle verschenen na publicatie van dit gedicht. Dat geldt ook voor de filosofische overzichtswerken. Maar de eerste periode van Lucebert was een arme tijd, hij had nauwelijks geld om te overleven, wat zou hij geld gehad hebben om boeken te kopen – het zijn maar weinigen die zoals schrijver dezes in zijn zwartbroodjaren als levensregel had ‘het is niet omdat je geen geld hebt, dat je geen boeken kan kopen’. Het blijft een raadsel hoe Lucebert van de parmenideïsche filosofie naar dit gedicht kon overstappen – en hoe hij die voorsokratische, materialistische filosofie in zijn eigen denken heeft opgenomen, terwijl duidelijk is dat die hele eerste strofe een draaien is rond ‘het’ waardoor ‘het’ (en niet alleen de strofe en het gedicht) een ronding zijn, een cirkelend denken toont, een omschrijvend, behoedzaam naderen van wat het leven is.

We kunnen ook de suggestie van Cornelis Verhoeven toetsen. We nemen uit 1953 De philosophie der voorsocratici, een overzichtswerk van de jezuïet F. De Raedemaeker (Standaard). (Het gedicht ‘de zeer oude zingt:’ verscheen voor het eerst in 1954.) Het boek zat niet in de bibliotheek van Lucebert, maar dat zegt niets omdat het om een vroeg werk gaat. Belangrijker en relevanter is het, te weten of dit soort boek wel over de grens tussen België en Nederland geraakte. Het boek is in ieder geval opgenomen in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam, er zou nog 1 exemplaar in het openbaar bibliotheeknetwerk aanwezig zijn, al is de catalogus al even onduidelijk als in [gecensureerd, zie Inburgeringscursus, hoofdstuk 1,  De [gecensureerd]].

Aan de hand van de overgeleverde fragmenten geeft De Raedemaeker het leerdicht van Parmenides weer (Cornelis Verhoeven gaf een eigen vertaling, wij gebruikten boven de J. Mansfeld-vertaling, hier is er een derde). Parmenides stelt een oppositie tegenover wat is en wat niet is. Hij stelt dat er slechts over het zijnde kan nagedacht worden.
‘Er blijft nog maar één weg aanbevolen: dat het (zijnde) is.’ (p. 163). Het woord zijnde is in de vertaling toegevoegd, Lucebert haalt het er in zijn gedicht weer uit en houdt enkel nog ‘het’ over.
‘Het is ook niet deelbaar, omdat alles van dezelfde aard is. Ook niet hier wat sterker – hetgeen zijn samenhouden zou verhinderen -, noch daar wat zwakker, maar het is gans gevuld met het zijnde.’ (p. 163). Dit wordt door Lucebert vertaald als ‘er is niet meer bij weinig / noch is er minder’.

‘Ik [Sokrates] kwam met hem [Parmenides] in betrekking toen ik nog zeer jong was, en hij zeer oud.’ (p. 167, een citaat uit Plato, Theaitetos) en ‘Ik was nog jong toen; hij daarentegen een zeer bejaard man.’ (p. 167; een citaat uit Plato, Sophistes) en ‘Naar Antiphoon verzekerde, zei Polydoros, dat Parmenides en Zenoon eens naar de grote Panatheneeën kwamen. Parmenides was toen zeer oud en grijs, maar een edele verschijning.’ (p. 168, een citaat uit Plato, Parmenides) – de titel van het gedicht van Lucebert: ‘de zeer oude zingt:’. Toch wijzen we deze interpretatie volledig af, Lucebert heeft de woorden van Parmenides gebruikt maar niet om diens filosofie poëtisch te verwoorden. Lucebert heeft een aantal woorden/zinsnedes overgenomen maar die verwijzing betekent ‘niets’ voor wat de betekenis van het gedicht betreft en dus is ook de bron hier betekenisloos. De impliciete verwijzing is louter vorm, zoals Lucebert woorden in een woordenboek bij elkaar zocht.

Parmenides schreef over het zijnde, zijn leerdicht kreeg van Diogenes Laertios de titel ‘Over de natuur’. Van die filosofie ging hij over naar een kosmologie en bepaalde de plaats van aarde en hemellichamen, elk met hun kenmerken. Het gedicht van Lucebert gaat echter niet over de materie (al kan de 2de strofe als een uitwerking van het filosofisch materialisme gelezen worden) maar over de tijd – waarover Parmenides niets zegt. Het gaat over de waarde van het nu, het moment. Het leven op de punt van een naald. Zo is de laatste dubbele regel begrijpbaar: het moment van het nu is ‘als het hart van de tijd’, het is in het hier en nu dat de tijd werkt. De ‘zeer oude’ uit de titel is dan uiteraard Kronos, hij die wel degelijk zeer oud is. Lucebert ontdoet hem van al zijn wreedheden en maakt van hem een abstract concept. De tijd is ijl, het moment bestaat niet, is reeds voorbij – het is slechts een kunstenaar als Henri Matisse die van een hem toegevoegde tijd kan spreken. De vierde regel ‘wat wordt wordt willoos’ kan als een determinisme gelezen worden: de tijdsmomenten zijn in een keten gevat en verlopen van moment naar moment, het ene bepaalt het andere (al kunnen we ook hier een bevestiging bij Parmenides vinden: ‘Parmenides en Demokritos leren dat alles noodzakelijkerwijze gebeurt. Deze noodzakelijkheid noemen zij het noodlot, de gerechtigheid, de voorzienigheid en de wereldvormer.’ (De Raedemaeker, p. 171, een vertaling van Aetios, I, 25, 23). Dit determinisme wordt in de regels 9-10 verdergezet: ‘wordt van aanraakbaarheid rijk / en aan alles gelijk’: er is een keten van gebeurtenissen. Echter: ‘het rijk worden’, het waardevol worden is een contradictie met regel 6 waar ‘het herinnert zich heilloos’ het verleden als zonder heil voorstelt. Als de toekomst willoos is, hoe kan in de keten het nu dan ‘rijk’ worden? De ‘aanraakbaarheid’ moet dan een verschuiving van het subject zijn: niet ‘de tijd’ maar de mens raakt aan (vandaar het materialisme). Het wordt ‘aan alles gelijk’ omdat het moment ijl wordt, vervliegt en de rijkdom verliest – vandaar het weerloze. Het waardeloze is niet weerloos. Zo begrepen heeft deze beroemde versregel nog nooit een correcte toepassing gekend.

Paul Claes voegt toe / corrigeert : ‘Nee,zo komen we er niet.
Anders dan Verhoeven dacht, blijft Lucebert ook in het slot van het gedicht met Parmenides’ ideeën en termen spelen (zoals Claus dat later met Herakleitos zal doen).
De Parmenides van Plato, 143 e.v. is in de tweede hypothese (het ene is) een soort dialecticus, die zegt dat het ene alles is, gelijk en ongelijk, in aanraking en niet in aanraking (148d), deel hebbend aan de tijd en dus aan het worden (151e).
Lucebert zal wel ergens een samenvatting van deze redenering gelezen hebben. Hij hoeft het boek niet zelf bezeten te hebben, want de Vijftigers leenden elkaars boeken, Claus bijvoorbeeld Frazer van Andreus.

beeld: lucebert – Johan, du hast Recht, 1959, Stedelijk Museum Amsterdam

Advertenties