dwalen op een griekse weg, zoeken naar lucebert en betekenis (2)

door johan_velter

lucebert_hans andreus_1952

De problematiek kan zich omschrijven als een epistemologisch probleem: wat kunnen we kennen, wat mogen we lezen? De auteurs van het artikel ‘Het is helemaal niet onbegrijpelijk’: Lucebert lezen aan de hand van Stravinsky’ stellen een procedurele lezing voor, ze zoeken naar poëticale (artistieke) procedés om zo het werk van Lucebert beter te … begrijpen – het is dus geen kwestie de duisterheid de duisterheid te laten. Net zoals bij Stravinsky lezen ze bij Lucebert verwijzingen die betekenisloos zijn, die geen inhoudelijk (bevestigend of tegensprekelijk) verband hebben met het andere werk. De fouten van Lucebert zijn schijnbare fouten, niet een onachtzaamheid maar gewild. De auteurs beklemtonen een paar keer dat de luisteraar/lezer de muziek/de poëzie moet ondergaan, maar dat is voor een intellectualistische componist als Stravinsky toch ook iets te simpel. De fouten kunnen bewust aangewend worden om de luisteraar wakker te houden, hij mag niet in slaap gewiegd worden door een dreun of door wat hij vanuit zijn zetel verwachten kan: zowel de muziek als de poëzie is dan activistisch – jazeker, de bovenbouw van het economisch kapitalisme. Een derde procedé, dat dicht bij het tweede ligt, is het gebruik van dynamische ritmes. Bij Lucebert is dit duidelijk maar ook hij breekt die soms af. De ‘idee’ die hieronder ligt is dat de eenheid in het denken verdwenen is, er is niet 1 kern die gevonden moet worden om dat hele oeuvre dan te kunnen vatten met dat ene inzicht. De samenhang die door interpreten gezocht wordt, is simpelweg niet aanwezig. De auteurs stellen dat Lucebert begrepen moet worden in een ars imitatio artis, een kunst die andere kunst imiteert als een kunstvorm.

Sommigen zullen dit als postmodernisme omschrijven, maar dit is veeleer een premodernisme, een wereld die nog niet gedomineerd wordt door een simplistisch determinisme: b wordt door a veroorzaakt en daarnaast is er geen enkele andere mogelijkheid, terwijl in een ander, rijker, denken een fenomeen naast verschillende ‘oorzaken’, ook nog door een rest ‘vuil’ veroorzaakt kan zijn en dat dit alles evenwaardig is. Polytheïsme tegenover monotheïsme. Veelvoudigheid, meervoudigheid tegenover vulgair determinisme. De eenheid is een illusie, het spel laat zich niet spelen met 1 enkele regel. Zo is de poëzie nooit een onderdeel van het kapitalistisch denken geweest – de betekenis bleef meervoudig (of ruimer de kunst, met een enkele uitzondering als Mondriaan, niet toevallig een jazz-adept, die als tegenwicht voor zijn eenduidigheid de onnozelheid van madame Blavatsky nodig had). Maar anderzijds is de kunst (of hier enger de poëzie) even goed een product van de kapitalistische bovenbouw omdat ze door de betekenisloosheid een product, een waar in de marxiaanse betekenis geworden is: de kwaliteit is onbelangrijk, als het maar verhandeld kan worden. Er is alleen nog maar vorm, een drager, een vaas. Kunst wordt dan decoratie. Maar het probleem stelt zich ook anders: waar is de betekenis (want zelfs betekenisloosheid heeft een betekenis) te vinden: bij de lezer of bij de schrijver? Hebben de lezers geen cultuur meer waardoor ze de schrijvers niet meer kunnen lezen en dan zijn de schrijvers de uitzonderingen, staan ze boven hun eigen tijd. Of kunnen lezers een schrijver interessanter maken dan hij ‘eigenlijk’ is, door hun kennis in het oeuvre te steken en de schrijver (kunstenaar) daardoor meer te waarderen?

De bibliotheek van Lucebert geeft eigenlijk de betekenisloosheid gelijk: er is geen coherente verzameling opgebouwd (en verzamelen weiger ik te gebruiken in de sentimentalistische versie à la Kuitert of Leyman: verzamelen is een ernstige, doelmatige, intellectuele kwestie) maar er is bewaard wat ‘voorbijkwam’ – dit is geen depreciatie, een constatering. Om het nog wat complexer te maken: moeten we echt iets weten over de kunstenaar en zijn kennis om het werk omhoog te duwen, dus intelligenter te maken dan het is? Het werk van de kunstenaar kan vruchtbaar zijn, het werk van de lezer kan een oeuvre kapotslaan. Toch zal men zich altijd houden aan een zekere integriteit (niet authenticiteit): men mag een schrijver niet het tegenovergestelde doen beweren – wat dagelijkse praktijk is in de toneelwereld: de regisseur vernietigt de schrijver door een eigen mening naar voor te schuiven, een mening die niet in het werk zelf ligt. Koorddansen.

In dat nummer van Zacht lawijd halen Berend Eijkhout en Rick Honings uit een titelloos gedicht twee strofen aan als voorbeeld van de vertwijfeling die de lezer te beurt valt als hij naar betekenis zou zoeken. Ze zijn te vinden in de recente Verzamelde gedichten (2002) op p. 90, het gedicht begint met de regel ‘mijn vogels laden hun snavels met gongslagen’ en de strofen zijn (de auteurs hebben in hun artikel geen interlinie gelaten na de eerste 4 regels):

veel is veel gaat verloren de taal
dode takken in de keel
en een lichaam is
een uit ijs slaande brand

verbrand mij … als brieven
brieven op de bodem van een bokaal
bokaal brandende wijn

Er is uiteraard een poëtische werking aanwezig, een herhaling van woorden, klanken, klinkers. Een opzettelijke ontwrichting van het eendimensionale, maar, mits toevoeging van enkele leestekens, is dit perfect te lezen en te begrijpen. ‘veel is, veel gaat ook verloren. De taal – dode takken in de keel – en een lichaam is een uit ijs slaande brand. Verbrand mij … als brieven, brieven op de bodem van een bokaal, bokaal, brandende wijn.’

De eerste regel herneemt woorden, net alsof de dichter een verklaring wil geven. Toch is er een tegenstelling: enerzijds het veel dat bestaat, anderzijds gaat veel verloren. De dode takken in de keel is een sterk plastisch beeld dat spreekt van een onmachtige taal: het gaat om dode takken, dichters spreken graag over de bloemen of de vruchten van de taal. Deze takken doen denken aan Ovidius’ Metamorfosen: Daphne na de verkrachting. Het werkwoord ‘is’ slaat op lichaam, niet op taal en lichaam, maar kan een bewuste fout zijn, dan slaat het op taal én lichaam, als een eenheid en daarom is het enkelvoud weer wel juist. De lichamelijkheid van deze poëzie moet niet nog eens bevestigd worden, het ijs is tot materie gestold water. Er is een oppositie tussen ijs en vuur, maar beide zijn natuurelementen, net zoals er onderhuids bij keel een verwijzing is naar lucht(klank). De laatste strofe bevat iets te veel nadrukkelijke herhaling, bokaal kan hier echter begrepen worden als een ‘pichet’, een schenkkan, maar ook gewoon een groot glas (zoals in het gedicht ‘van de zelfmoordenaars’ uit van de maltentige losbol, 1994): ‘zich los praten het uitzingen fris / van de lever zich uitleveren / aan glazen aan bokalen aan roemers / klare wijn of tintelende paardenpis’, een gedicht dat geïnspireerd is op Inferno, Canto 13 van Dante, waar Lucebert een zoveelste sneer aan ‘met grollen gelardeerde geleerden’ geeft) dan is het beeld  evident en een herneming van de vorige regels: brieven zijn taalelementen, wijn, gekleurd water en brandend het vuur. De brieven die branden nemen de vorm en eventueel de donkere kleur van de wijn aan, de beweging en de vluchtigheid van het branden doet denken aan de werking van wijn. Het ‘verbrand mij’ is een aanroeping: laat me leven, laat het vuur niet doven. Er is dus een beweging beschreven, een opgaan in het vuur van de taal, een leven dat door taal gevoed wordt maar verloren gaat. Maar dit is slechts een deel van het gedicht.

Piet Calis schreef over dit gedicht (Maatstaf, jrg. 11) (ook te vinden op DBNL), ik citeer wat hij schreef over de laatste strofen:

‘Veel is veel gaat verloren’: hoe rijk de wereld en de taal ook zijn uitgedost, de woorden [waardoor wij in relatie met de dingen treden] zijn ‘dode takken in de keel’. Het beeld ‘dode takken’ duidt op een winterse situatie, en kan dus met ijs in verband worden gebracht. Maar deze dode takken vormen tegelijkertijd een belemmering voor ons spreken en dus probeert het lichaam zich brandend van het ijs te ontdoen.

De relatie met strofe 1 is onmiskenbaar. Een lichaam dat zich door zijn warmte uit het ijs probeert los te slaan, is gedoemd te zinken. Terwijl het ijs bevestiging betekent, maar ook verstarring, betekent het gesmolten ijs veranderlijkheid, maar ook een zekere dood. De mens gaat aan zijn eigen verlangen ten onder. Wat hij in feite slechts wil is zijn eigen vernietiging, en alleen in deze zin kan de laatste strofe verklaard worden.

Wat men in dit gedicht dus vindt, is een duidelijke romantische mentaliteit, die zich niet alleen door de antithetische woordkeuze kenbaar maakt, maar ook door de ambivalente plastiek en door de niet minder ambivalente verhouding tot de taal, die enerzijds ‘dode takken in de keel’ genoemd wordt, terwijl de dichter zich anderzijds alleen al door het schrijven van zijn gedicht aan dezelfde taal toevertrouwt.’ Tot zover een ander. Die al evenzeer moeite doet om een geheel te zoeken, een consistentie op te leggen, terwijl we van een anti-intellectualistische dichter (toch in zijn eigenbeeld dat hij de wereld opgelegd heeft – maar dat toch ook door zijn fysieke bibliotheek bevestigd wordt: voorbijgaand lezen) dit niet moeten verwachten: daar gaan de beelden en de klanken met de dichter op stap. Toevallige bloei van het dwalen. Maar omdat de taal een verleden taal is, bergt elk woord een betekenis in zich, wordt een gedicht een cultuur.

Beeld: lucebert, Hans Andreus, 1952

Advertenties