dwalen op een griekse weg, zoeken naar lucebert en betekenis (1)

door johan_velter

lucebert_achilleus_1951

Er is relatief veel aandacht voor het werk van Lucebert en toch staat de lezer dikwijls in de kou, weinig geholpen door de specialisten. Enkele gedichten zijn tot onder het bot geanalyseerd, over de meeste andere gedichten (en bundels) is nauwelijks enige duiding te vinden. Ook al kunnen de specialisten heel wat blootleggen, zeker bij Lucebert is er een ‘over’, een ‘te veel’ waardoor het gedicht aan het uitleggerige ontsnapt en een eigen gouden glans behoudt. Soms wordt een lezer door de Lucebertwijze verrast, soms ergert hij zich en ziet hij enkel een herhaling van de woordenboektruc. Toch weet de lezer dat wat Lucebert schrijft poëzie is, het leggen van woorden op de dingen en het niet laten accorderen. Naast de werkelijkheid die we geordend en geanalyseerd hebben, zet de dichter een parallelle wereld van woorden en zinnen op – verhelderend, verduisterend. Het leidt ons naar de vrije adem – zelfs wanneer het onbegrijpelijke heerst.

Één van die minder bekende gedichten is het gedicht ‘de zeer oude zingt:’, echter wel met misschien zijn bekendste regel (en Lucebert heeft het spreken en schrijven van de Nederlandse taal met heel wat ‘spreekwoorden’ verrijkt) ‘alles van waarde is weerloos’. Die regel is uit het gedicht getrokken en heeft de tekst eromheen verdrongen.

Het gedicht dateert uit de periode 1952-1963 en is in de Verzamelde gedichten van 2002 te vinden op p. 442; in die van 1974 op p. 439 en de varianten in het tweede deel op p. 751. Beide versies zijn aan elkaar gelijk, ik heb niet de indruk dat Lucebert na publicatie nog veel aan zijn gedichten werkte: de ziener kijkt over de eeuwen heen, nietwaar. Het gedicht is dus niet opgenomen in een reguliere bundel, en ontbeert daardoor een zekere context – voor zover die bij Lucebert belangrijk is. Maar. Het gedicht verscheen voor de eerste keer in 1954, in het tijdschrift Galerie Zuid (Heerlen), 1ste jaargang, nummer 10 – een tijdschrift dat overigens ontstond door de achterbaksheid van de door het zogenaamde socialisme weer actueel gemaakte Wies Moens die toen bij Boekhandel Winants aldaar ondergedoken zat en alle nieuwe kunstenaars/initiatieven wilde tegenhouden, immers allemaal besmet met het ‘volksvijandige’. Daar werd het gedicht opgenomen met ‘argument ter aanmoediging’. Een tweede keer verscheen het gedicht in Uit de korf : een boekje over Nederlandse schrijvers en Nederlandse boeken, een De Bezige Bij-uitgave van 1955. Daar is de tekst wel enigszins anders, voor het ‘verzameld werk’ is dan toch naar de eerste versie teruggegrepen. Merkwaardig is dat in het DBB-boekje vermeld staat dat dit gedicht ‘uit Alfabel’ komt, waar het echter niet in is opgenomen. Ondanks de latere verschijningsdatum lijkt het er dan toch op dat de DBB-versie een oudere is en dat de versie van Galerie Zuid de officiële en definitieve geworden is.

de zeer oude zingt:

er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings

alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk

als het hart van de tijd
als het hart van de tijd

De varianten situeren zich op regels 6 en 10: ‘en blijft gelijk / en alles gelijk // alles van waarde is weerloos / wordt van aanraakbaarheid rijk // als het hart van de tijd / als het hart van de tijd.’

Lucebert wordt dikwijls als de ziener beschreven, de woordenrijke profeet wiens gedichten vooral op de klank en op de adem drijven, minder op betekenis en als er betekenis is dan duister. Dan begint men weer over de orale traditie van poëzie, het ritme enzovoort. Als er aan betekenisduiding gedaan wordt, dan steeds weer de mystiek, de kabbala. Er is een andere, geen nieuwe, interpretatiemogelijkheid aangeboden door Berend Eijkhout en Rick Honings (Zacht lawijd, jrg. 14, nr. 2, april-mei-juni 2015) waar ze Lucebert lezen aan de hand van … Igor Stravinsky, meer dan verrassend omdat Lucebert de klassieke muziek afwees en dacht dat jazz de muziek van de nieuwe tijd was – hoe zieners dwaas kunnen falen, is hiermee bewezen. De auteurs hadden echter ook binnen de literatuur een verwant kunnen vinden, William Gaddis. Men had ook kunnen verwijzen naar Pablo Picasso, diens ‘rivaliteit’ met de oude meesters is duidelijk een schilderkunstige kwestie: hij werkt een oeuvre uit binnen een kunstvorm. Hij wil niet de betekenis van de ouden bevestigen of ontkennen: het is een artistiek probleem. Een zaak die zichzelf is, die in zich het probleem en de werkwijze bergt.

Beeld: Achilleus, Lucebert, 1951 (Stedelijk Museum Amsterdam)

Advertenties