boeken van lucebert

door johan_velter

graf lucebert_foto j r maas

Dat het onderzoek naar een bibliotheek vruchten kan afwerpen, werd aangetoond met het boek De lezende Lucebert : bibliotheek van een dichter (Vantilt, 2009). Een inventaris werd opgemaakt, artikelen werden geschreven, een werk- en denkdomein blootgelegd. Boeken kunnen verdwijnen, boeken kunnen van elders gekomen zijn, boeken kunnen ongelezen in de kast staan, alle mogelijke opwerpingen zijn mogelijk, maar ook irrelevant: elk zegt iets, elk bezit een verleden of een mogelijkheid.

Omgekeerd kunnen we ook te werk gaan. Met bovenstaand boek werd een cd-rom bijgeleverd waardoor je gemakkelijk namen, titels kunt zoeken. Van Hugo Claus bezat Lucebert vooral gedichten, zijn vertalingen van Alechinsky, Büchner, vooral het vroege werk. Maar iets onnozels als Mijn honderd gedichten bezat hij in 2 edities, van 1986 en 1987. Men kan moeilijk denken dat Lucebert dit bijhield voor een variantenstudie, dit lijkt meer op een vorm van slordigheid, nonchalance, onachtzaamheid, onverschilligheid. Lucebert bezat van Claus geen aan hem opgedragen werken (Het jaar van de kreeft is gesigneerd maar dat kwam omdat De Bezige Bij vergeten was de auteursnaam te drukken, er is ook een tentoonstellingscatalogus, maar die gesigneerde exemplaren waren handelsexemplaren). Het verdriet van België bezat Lucebert slechts in de derde druk.

Van Pontormo bezat hij een Nederlandstalige tentoonstellingscatalogus, niet het studieuze werk. Van Christopher Logue, twee bundels, het indrukwekkende War music en True stories. Van en over Pablo Picasso bezat hij meerdere boeken, maar disparaat en in ‘rare’ uitvoeringen, de gedichten van Picasso in het Duits; een boek van de Engelse Ronald Penrose eveneens in het Duits en van de Franse Hélène Parmelin een boek in het Spaans. Het dagboek van Samuel Pepys in het Duits. Slechts 4 boeken van Pierre Alechinsky, even veel van Karel Appel en ‘merkwaardig’ diens Reflex-facsimile uit 1979 van De ronde kant van de aarde. Dit is de bibliotheek van een ‘amateur’, iemand die hapsnap boeken bij elkaar gehaald/gekregen heeft: van Christine D’haen alleen Een brokaten brief uit 1992, een nieuwjaarsattentie van de uitgever.

We zoeken op het verboden woord ‘gent’, dan krijgen we nog eigenaardiger zaken te zien. Van de zwarte Vlaams-nationalist Jan D’Haese Powezie : gazet van Jan D’Haese, een uitgave in eigen beheer. D’Haese was o.a. journalist voor ’t Pallieterke, was allergisch voor het moderne, zowel in beeld als in woord. Claus was zijn zwart beest, hij liet niet af. In Vinkem-Beauvoorde heeft hij jarenlang tentoonstellingen gemaakt over de schone Vlaamse kunstenaars. Gemaakt is misschien veel gezegd, hij hing schilderijen op. Een slecht dichter, sentimenteel, arrogant, hovaardig nietswaardig.

Van Jos Murez had Lucebert twee dichtbundels. Antidotum uit 1970, een eigen uitgave en Diafragma uit 1956, uitgegeven door ‘Het antenneke’, in feite ook een eigen uitgave. In beide boeken schreef Murez een opdracht, op de cd-rom is slechts die voor Diafragma opgenomen: ‘Voor Lucebert, keizer der experimenten, uit waardering 9/9/70’, het kwijl is nog tastbaar. ‘Het antenneke’ was een Gents jongerentijdschrift dat tussen 1954 en 1959 verscheen. Het was braaf, het wilde meer, het kon niet meer. Een typisch tijdschrift dat vergiftigd geweest is door Richard Minne, of misschien beter door “’t Fonteintje”, huiselijke poëzie, de monkellach, het al oud zijn nog vooraleer men geleefd heeft. De ironie als uiting van arrogante machteloosheid. Jos Murez (1927-1996) was een leven lang journalist bij de socialistische krant Vooruit tot hij door de concurrerende logebroeders, o.l.v. Paul Goossens, werd buitengejaagd. Hij heeft daarover een bitter-humoristische roman geschreven. Er is nog niet veel veranderd.

Nemen we van Jos Murez het gedicht ‘Astrolabium’ uit de gelijknamige bundel (eigen beheer, 1972).

Ik lig te luisteren naar elk geluid
waarin het ademen der poriën
hijgt in huid en huig;
haal woorden
zonder stemstoot uit mijn keel
als blinde vinken voor de aanslag
van het duizendste verloren lied
dat op de kerfstok van het spel
met gloeidraad wordt gemerkt.

De dans der labialen en dentalen
is een vlucht gedweeë vogelen
zuidwaarts zonder moeite
naar het verwaaide nest.

Ik schrijf weer tekenen aan de wand
brand zonnewijzers op de muren van de tijd.
In de nevelen der melkwegen
kapteer ik het geruis der sterren.

Een poging modern te zijn door moderne beelden te gebruiken, opzichtige stijlmiddelen maar de problematiek van het gedicht is oud, ik-gericht, de stem van de tijd nooit gehoord.

Ook Paul Snoek heeft een bundel naar Lucebert gestuurd, het in Gent uitgegeven Tussen vel en vlees uit 1956, eerder hebben we al geschreven hoe Snoek zijn p.r. verzorgde, hier hebben we een ander exemplaar.

Het vreemde is dat Lucebert de twee bundels van Jos Murez in zijn bibliotheek bewaarde, dit waren gedichten waarmee hij niets kon doen – en van een onbekende, verre, geen al te goede dichter een compliment krijgen, is toch ook geen eer. Vreemd is ook dat Murez zijn bundel aan Lucebert opstuurde (maar wat toch een aanduiding is voor diens statuur): zelfs een Murez moest toch beseffen dat zijn wereld en die van Lucebert aan elkaar tegengesteld waren. We hadden kunnen begrijpen als hij zijn bundel aan Claus had opgestuurd (en misschien heeft hij dat wel gedaan), maar Lucebert? Wat kon hij daarbij winnen? En waarom stuurt Murez hem in 1970 een bundel op (of gaf hij die?), een bundel die in 1956 uitgegeven was?

Dat Lucebert de bundel van Jan D’Haese bijhield, is al even onbegrijpelijk – wat had hij te maken met dat oude nazisme? Van Paul Snoek bezat hij 6 bundels. In 1956 heeft Lucebert prenten getekend voor de bundel aardrijkskunde – daardoor en door het aantal, lijkt hij dicht bij Snoek gestaan te hebben – of Snoek bij de visser.

beeld: het graf van Lucebert in Bergen, foto J.R. Maas

Advertisements