diderot en het frivole fatum

door johan_velter

diderot_fatalisme_2

Georges May (Yale University) beschouwde het fatalisme van Jacques, le fataliste et son maître van Denis Diderot, eerder als een gimmick, niet als een filosofisch thema waarover nagedacht kon en moest worden. Eerst en vooral situeert hij de roman in de jaren 1760-1770, toen is Diderot beginnen  te schrijven en dus, veronderstelt May, heeft hij de toenmalige problematiek overgenomen, beter toch ‘de woorden’. Zijn stelling is dat het woord fatalisme slechts een toegeving is aan de mode van de tijd en geen werkelijke inhoud bezit (dat hij daarmee voorbij gaat aan Zeno, Spinoza en de roman zelf, quoi, wat is het probleem?).

May geeft een aantal voorbeelden. In 1755 : Du hazard sous l’empire de la Providence : pour servir de préservatif [sic] contre la doctrine du fatalisme moderne. De auteur, André Pierre Le Guay, dit de Prémontval, en Diderot hebben elkaar gekend. Dit verweerschrift is verschenen na diens Pensées sur la liberté, waardoor hij van fatalisme ‘beschuldigd’ werd. Via Leibniz wil Prémontval zich verdedigen tegen het ‘moderne fatalisme’ door het toeval een centrale rol toe te kennen. May stelt dat het fatalisme tot determinisme terug te brengen, verkeerd is omdat dat woord slechts in 1793 door Immanuel Kant gemerkt is.

Een ander voorbeeld is Le fatalisme, ou collection d’anecdotes, pour prouver l’influence du sort sur l’histoire van Jacques Rochette. De titel doet iets anders vermoeden, maar het gaat hier om 2 kleine romans, weliswaar filosofische. In het voorwoord schrijft de auteur dat het woord fatalisme geen groot systeem vooronderstelt, « mais comme une indication simple & précise du principe dont j’ai été pénétré sans cesse, qu’il est ici-bas un enchaînement de causes secretes, qui ne nous laisse que l’exécution machinale de ce dont nous paraissons les principaux agens ; […] », wat voor de een een weg is naar de glorie, is voor de ander de neergang. Dat verleidt Georges May om te bepleiten dat het woord fatalisme slechts een modieuze term was en dat meer dan 1 auteur die term in zijn titel opnam om ‘met zijn tijd mee te zijn’ – eenzelfde thema is te vinden bij De Sade: de lotgevallen van de deugd en ook Mandeville heeft dit tot een thema uitgewerkt: volgens het geloof moet het goede tot het betere leiden; in werkelijkheid is het omgekeerd.

May ziet in het boek van Diderot geen bewijs voor het fatalisme en besluit dan ook dat het woord le fataliste « apposé au nom de Jacques comme une sorte d’épithète homérique parodique » is. De herhaling van het woord doet de auteur herinneren aan Bergson’s definitie van het komische « du mécanique plaqué sur du vivant », Diderot doet ons telkens weer lachen (schrijft de auteur) als hij schrijft dat het hierboven geschreven staat. En dus is de roman van Diderot een parodie op het fatalisme als heersende stroming van de tijd waarin het boek geschreven is.

Maar er is ook het overstijgen van het probleem: Diderot vindt dat de controverse op een verkeerde manier gevoerd wordt, wat we gesteund vinden in zijn « ni Jansénius, ni Molina », zonder dat er afbreuk gedaan moet worden aan de ernst van het vraagstuk. De vrijheid en het determinisme zijn niet in filosofische woorden te vatten. « Si donc Diderot choisit le mode frivole et moqueur pour en parler, on peut penser que c’est parce qu’il juge qu’elle se prête mal à la discussion et peut-être même à l’expression verbale, même si elle est indispensable à l’art de vivre. »

Het leven zorgt soms ook voor een onverwachte, geen toevallige, toevallige vondst. Weer moest ik over de middag de hel ontvluchten, het hoofd vol van kwaadheden, de ogen van het vuil gesloten, en belandde in de Oxfam bookshop in Gent, naam die ik op straffe van      niet meer mag neerschrijven maar ik kan toch moeilijk over Palermo schrijven, en vond daar het boek Thèmes et figures du siècle des Lumières : mélanges offerts à Roland Mortier, éd. Par Raymond Trousson, een Droz-uitgave uit 1980 waar mijn oog viel op het artikel « Le fatalisme et Jacques le fataliste » van Georges May, op het moment dat ik aan het schrijven was over het fatalisme van Jacques, ik leek plots wel een Roger Lewinter te zijn. Het merkwaardige, en tegelijkertijd bevestigende van mijn stemming en bovendien de hoofdproblematiek van het boek, dat ik met zoveel plezier telkens weer lees en herlees, beamend, is dat

Advertenties