diderot, roger lewinter, jacques en het gat van de vrijheid

door johan_velter

denis diderot_fatalisme_roger lewinter

Roger Lewinter mag dan nog het verzameld werk van Denis Diderot in 15 delen samengebracht hebben (Oeuvres complètes, Denis Diderot, Le club Français du livre, 1969-1973) en telkens ook een inleiding bij een afzonderlijk werk geschreven hebben, een dragende stem is hij niet in de Diderot-studiën. Ten onrechte. Zijn nadeel is dat hij een psycho-analytische lezing geeft en dat die niet gesmaakt wordt – en als ík al schrijf dat een psycho-analyticus intelligent is, hoe jammer is het dan niet dat hij zijn intelligentie in dat gedoe gestoken heeft! Voordeel echter is dat hij daardoor getraind is om structuren te zien, waar andere onderzoekers te veel blijven hangen bij een klein inzicht, al dan niet historisch gestaafd, léést hij de werken van Diderot en interpreteert hij ze door op zoek te gaan naar wat ontbreekt – het zwarte beest.

Zijn visie heeft hij in 1976 samengebracht in Diderot, ou les mots de l’absence (Champ Libre). Lewinter is zelf ook een experimenteel schrijver, in de Nouveau Roman-traditie, maar vergis u niet, ook als schrijver staat hij in de marge. Nochtans is hij 1 van de spilfiguren (geweest) in het Franse uitgeverswezen. Zijn literair werk is al even boeiend als zijn Diderotessay. Kern van zijn denken is hoe de vorm de inhoud kan blootleggen. Op die manier heeft hij ook zijn essay over Diderot opgebouwd: de literaire technieken (die voor hem dus meer zijn dan een modieus trucje : literatuur is een manier van denken) worden gebruikt om het oeuvre van een ander te doorvorsen. Lewinter geeft géén psychologische lezing van dit oeuvre, maar vertrekt wel van de persoonlijkheid van de schrijver, door de woorden te structureren in een ruimte waardoor de personages, de gebeurtenissen, de stijl elk een plaats krijgen en zich op een bepaalde manier beginnen te verhouden waardoor de ‘toevalligheid’ van een literaire techniek of een mystificatie betekenis krijgt. Die mystificatie wordt als een steunbeer in dit oeuvre beschouwd – het is toeval maar het is ook geen toeval dat Pablo Picasso juist het verhaal Mystification van Diderot geïllustreerd heeft.

Er is al veel gespeculeerd over de fameuze brieven van Diderot aan Sophie Volland. Lewinter plaatst dit probleem binnen zijn analyse en de conclusie kan dan alleen maar zijn dat die brieven geen werkelijkheid zijn (heel de affaire is voor Diderot een wensdroom geweest) maar een literaire manier was om zijn eigen leven vorm te geven (de brieven zijn werkelijk, de correspondentie niet). De constructie is aldus: Diderot ziet zichzelf als Sokrates, dus is zijn vrouw Antoinette, Sophie Volland is zijn Diotima en Grimm is Alcibiades. Met andere woorden: Diderot heeft van zijn leven een theaterstuk gemaakt, hij heeft zichzelf en de anderen geënsceneerd – zoals iedere intelligente mens doet, authenticiteit is meer iets voor beesten en kroppen sla. Het cliché is nooit veraf, maar in dit geval past de hele constructie in de tijd en in het universum van dat oeuvre.

De mystificatie is een kernelement. In Jacques, le fataliste et son maître wordt de auteur gemystificeerd : de schrijver is ‘slechts’ toeschouwer, en niet de schrijver die de drijver van de gebeurtenissen is : de fictie wordt hier dus als een realiteit gepresenteerd, en de lezer is een medeplichtige van de toeschouwer die eveneens geen boek leest maar in die wereld staat – zoals het hier geschreven staat, zien we de kernproblematiek van het boek verschijnen: het fatalisme. Immers, de schrijver is helemaal niet het object (kaderend binnen het fatalisme) maar wel het subject (kaderend binnen de wilsfilosofie) dat schrijft en bepaalt. Zo doet Diderot zich voor als een passief element maar is hij een actief element – die tweespalt speelt door het hele boek en het is de vorm van het boek (de drie-eenheid, de dialogen, de onvoleindheid) die de diderotiaanse waarheid reveleert. Het spel.

Het spinozisme maakt integraal deel uit van het systeem. De wereld wordt als 1 groot geheel gezien, met ‘ledematen’, onderdelen en functies die aan elkaar hangen en waar elke gebeurtenis een reactie is op een vorige actie en al die bewuste wezens vormen samen de wereld op dat moment. Enigszins gesimplificeerd en al te plastisch voorgesteld. Waar bij Spinoza duidelijkheid en eenduidigheid binnen het systeem een noodzaak zijn, is het antisysteemdenken van Diderot echter enkel gebaat bij onduidelijkheid – zijn toeval is een niet-wetende oorzaak-gevolgredenering. Het rationalisme staat soms dicht bij de mystiek.

« Les mystifications, triomphes de l’artifice sur la nature, se définissent comme des contradictions dont le sens, réponse à une donnée problématique, disparaît comme il la résout : s’annule par accomplissement ; et cette dialectique circonscrit la farce du monde : la danse des fous, grand branle des postures contraintes, où chacun se découvre un maître, lui-même esclave. » (o.c., p. 200).

Hier bevestigt Roger Lewinter nogmaals het spinozisme van Diderot – maar: Spinoza was een metafysische systeemdenker, Dideot een materialistische antisysteemdenker: hoe dit te verzoenen? Wat Diderot heeft overgenomen is niet zozeer het filosofisch kraam, als wel de spinozistische moraal: de wijsheid van  de man die alles gezien en doorgrond heeft en de wereld vanop afstand bekijkt. Maar noch Diderot zelf, noch Jacques doet dit: het spinozisme is voor hen een ideaal – zoals het ook voor Seneca was: zijn filosofie was een lantaarn die hem het licht gaf die hem in het leven ontzegd was.

Het spel dat Diderot met de lezer speelt is: hem de illusie laten dat alles contingent is (zoals elk gesprek van de hak op de tak gaat) maar dat alles toch door de schrijver bepaald is: hij heeft de wereld in handen, hij ontvouwt de rol. De rol is hier betekenisvol: wat nog niet ontrold is, blijft duister, het is pas door het licht (het nu) dat de situatie ge- en verklaard wordt. Alle gebeurtenissen lijken ‘uit de lucht te vallen’, al worden ze in het boek zelf deterministisch verklaard, er is altijd een komisch element aanwezig. De wereld wordt aldus ongeloofwaardig: de feiten zijn geen feiten. En als de feiten er dan toch zijn, dan zijn het de verklaringen die niet deugen.

Het fatalisme van Diderot, van de kapitein, van Jacques is precies het niet-oplossen (le non-lieu) van de problemen. Het fatalisme is waar en juist, het ageren alsof we met een wil begaafd zijn, is evenzeer waar – niet alleen theoretisch maar ook in de feiten. Het grote – en daarmee de mystiek alweer naderend – is precies de problemen te onderkennen en ernstig te nemen, de oplossing open te laten. Het oningevulde, daar schuilt de vrijheid.

Advertenties