diderot, d’alembert en jansenius

door johan_velter

Annie Becq geeft een sneer naar Roger Lewinter als ze schrijft dat Jacques, le fataliste et son maître van Denis Diderot wel een aantrekkingskracht had op de adepten van de Nouveau Roman maar dat die dat toch verkeerd zagen: « le problème est moins celui de la déconstruction que celui de la possibilité d’un récit ‘réaliste’ avant la lettre. » Dan toch, avant la lettre. Verder schrijft ze in het lemma over Jacques in Dictionnaire de Diderot (red. Roland Mortier et Raymond Trousson, Honoré Champion, 1999) dat overigens geen lemma over het jansenisme bevat, noch over het determinisme, noch over het fatalisme, noch over de causaliteit, daarmee illustrerend hoe de Diderot-studiën met dit onderwerp worstelen, vooral over de literaire techniek en het realisme van de roman waardoor ze het nauwelijks over de inhoud en zeker niet over ‘het fatalisme’ moet hebben daarmee haar eigen stelling ondermijnend dat vorm en inhoud elkaar wel degelijk volgen. Het fatalisme, dat ze hier verengt tot determinisme, is voor haar enkel een « enchevêtrement de relations » die tot een keten moet leiden en zo de zin van de wereld zou moeten verklaren. Bij veel Diderot-kenners wordt het hoofdthema van Diderot, zijn materialisme en het daarmee samenhangend cluster van ideeën, gereduceerd tot een maniertje om verhaaltjes te vertellen. Het is ook wel een nadeel een nationale held en een schoolauteur te zijn. Bij Voltaire is het gemakkelijker, die is eenduidiger en schurkte met zijn opvattingen meer aan bij de macht.

De broer van Diderot, die zoals elke broer, de slechte broer is, was een benepen, kortzichtige, bekrompen religieus, hij tendeerde naar het jansenisme. Diderot studeerde theologie, ook daar kwam hij in aanraking met het jansenisme. En Jean Le Rond D’Alembert, de kompaan van Diderot die de vlucht nam toen de Encyclopédie iets te veel tegenwind kreeg, heeft een jansenistische opleiding gekregen. Daarover berichtte Catherine Maure in haar artikel « Les querelles jansénistes de la décennie 1730-1740 » (Recherches sur Diderot et sur l’Encyclopédie, n° 38, avril 2005).

Enerzijds waren er de jezuïeten voor wie de wil essentieel was, een mens kan zich naar de hemel, op eigen krachten, begeven. Anderzijds het jansenisme, dat uit zeer heterogene elementen en stromingen bestond, dat de nadruk op de goddelijke gratie legde. Het was een reactie op het humanisme waar het individu centraal stond, zowel in het denken, als in de kunst. Het jansenisme was, bezien vanuit een hoger plan, reactionair, het greep terug naar een collectivisme, de waarde van het individu werd verminderd. Maar de tegenstelling binnen het jansenisme was al te zichtbaar en onmogelijk, een tegenstelling die voor elke godsdienstige geldt die in de wereld wil stappen: hoe te overleven in een buitenwereld met een binnenwereld die daar diametraal tegenover staat. De port-royalisten prevelden bij het opstaan « Faites-moi la grâce, ô mon Dieu, d’être du petit nombre de vos élus !» – geen grotere hovaardigheid dan dit egoïstisch buigen. De jansenisten waren ook geen protestanten, voor hen bleef de werking van de sacramenten essentieel. Precies daarin lag misschien de aantrekkelijkheid: een vat vol tegenstellingen met toch een duidelijke richtlijn: het ascetische leven.

In Réfutation d’Helvétius haalt Denis Diderot nogmaals het koppel Molina-Jansenius aan. Deze passage is interessant omdat hij hier een kern van zijn politieke en filosofische opvattingen blootlegt (Chapitre 22, waar hij p. 192 van L’homme van Helvétius bespreekt). Beide filosofen behoren tot de Verlichting maar we zien hoe die stroming helemaal geen ‘unitaire’ stroming was, zoals rechts ons nu wil opleggen, maar heterogeen en uitwaaierend was. Diderot bespreekt de tendensen in de maatschappij en hoe mensen al naargelang hun karakter, gezindheden of relaties tot het ene of het andere kamp gaan behoren waarmee het kwaad zich in de wereld nestelt: het systeemdenken is een fout denken, men wil een hogere waarheid installeren maar die blijkt een al even dwaze zotternij te zijn als de situatie die men wil verbeteren en het spel zit op de wagen: de dwaasheid  van de leugen heeft zich in de wereld genesteld en het kwaad kan zich verspreiden. Ik citeer nu Diderot, u mag dit, net zoals het vorige, gerust overslaan, maar de zin die na dit citaat komt, niet: « C’est qu’avides d’illustration, si dans le cours de nos premières années, la société se trouve divisée en deux factions, l’on se jette dans l’une ou dans l’autre selon son goût, son tour d’esprit, son caractère et ses liaisons. Le mélancolique se fait disciple de Jansénius, le voluptueux s’enrôle sous Molina. La dispute dure, on se persécute, on s’extermine pour des sottises. Le dégoût et la lassitude surviennent. » (Œuvres complètes, T. XI, Le club Français du livre, 1971, p. 541). De passage gaat verder, Diderot neemt Augustinus en de genadeleer als voorbeeld : als hij de 12 boeken over Augustinus had geschreven, dan zou hij het geluk van de wereld daarvan laten afhangen ; als hij elke nacht zou zingen, zou hij denken dat hij daarmee het kwaad uit de wereld zou helpen : het enige wat men doet, is de verveling verdrijven. Diderot is een anti-systeemdenker en daarmee een geestesgenoot van Max Stirner.

D’Alembert heeft zich in zijn Histoire de la destruction des Jésuites over de jansenistische sekten vrolijk gemaakt, komediespelers. Aan het Collège Mazarin werd hij door jansenisten opgeleid maar hij verfoeide hun opvattingen: ze gaven geen bewijzen maar konden slechts cirkelredeneringen opzetten. Catherine Maire spreekt in haar artikel echter ook over ‘verlichte jansenisten’, les anti-figuristes, die een rationele lezing van de Schrift voorstonden, de allegorische afwezen: het is de rede die een oordeel moet vellen. En daarom werden ze ook dikwijls aan de kant van de protestanten geplaatst. Al die ‘bezetenen’ in de bijbel en de katholieke geschiedenis, moeten volgens hen op een rationele manier beoordeeld worden, de goddelijke of duivelse inspiratie werd afgewezen, het gaat om zieken.

Advertenties