met suzanne een kloosterlijke omweg – diderot en het jansenisme

door johan_velter

lente

Het jansenisme komt ook in La religieuse van Denis Diderot voor. We weten dat de schrijver deze roman als tegenhanger van zijn Jacques, le fataliste et son maître geschreven heeft. Men gaat er nu vanuit dat beide werken sterk autobiografisch zijn. La religieuse verhaalt een waargebeurde anekdote en er zijn verwijzingen naar de zuster van Diderot, ook naar zijn broer. Jacques is voor een deel het vagebondachtige leven dat Diderot geleid heeft. We weten ondertussen ook dat die jonge jaren van de filosoof, waarover zelfs A.M. Wilson in zijn biografie veel moest gissen, gevuld geweest zijn met een … theologische studie – vandaar dat Diderot zoveel schulden bij zijn vader had, vandaar ook zijn grote kennis van de toenmalige belangrijke theologische kwesties.

In La religieuse wordt Suzanne Simonin tegen haar wil in het klooster gestopt, ze wil er uit breken maar men belet dit, ze verhuist van het ene klooster naar het andere, Diderot zichzelf zo de kans gevend de verschillende aspecten van het religieuze leven te behandelen – een non betekent in het ene klooster geld, in het andere vers vlees. In het tweede klooster echter, dat van Longchamp, behandelt Diderot het geloof. De eerste moeder-overste is la mère de Moni, zij vertegenwoordigt de deugd, de verdienste. De tweede is mère Sainte-Christine, zij is de incarnatie van de regel, de gehoorzaamheid.

En ook hier speelt het jansenisme een rol, met een bijna identieke zin als bij Jacques, in ieder geval, dezelfde oppositie. Suzanne Simonin (in een paar passages heeft Diderot de naam, als een rest van het leven, Angélique, zijn zuster, die op 27-jarige leeftijd in een klooster gestorven is, zot gemaakt door haar medenonnen, ‘vergeten’ te vervangen) vertelt hoe ze door haar moeder-overste gepest wordt, de vierde reden: ‘[…] dat ik geen partij wilde kiezen, ik wilde gewoon allen maar christen zijn en geen jansenist of molenist. […], ik wilde niets horen over het jansenisme of het molinisme, goed noch kwaad.’ (De non, De Arbeiderspers, 1999, vertaald door Mirjam de Veth, p. 42-43). In deze passages pleit Diderot voor een ‘natuurlijke godsdienst’, dit is een godsgeloof en -beleven zonder dwang, zonder instituties, zonder dwaze regels en onnozele ideologie. Een geloof dat de mens niet afvalt, maar door tolerantie en begrip humaniseert. Het verhaal kunnen we terugbrengen tot het conflict tussen de gehoorzaamheid aan de hiërarchische orde en de eigen deugdzaamheid, het Antigone-thema dus – zie George Steiner. Het is duidelijk dat Diderot voor het individu en tegen het systeem kiest, en binnen het ‘burgerlijk’ kader dat hij zelf aan het ontwerpen is, is de deugd een sluitsteen van zijn nieuwe ethica. Ook op andere plaatsen, en zeker in de Encyclopédie komen passages voor waar de praktijken van de jansenisten tot bijgeloof teruggebracht worden. Maar dat betekent niet dat de kern van het jansenisme totaal verkeerd is – dat onder de laag van een atheïstisch Verlichtingsideaal een theologische laag verborgen ligt, dat de Verlichting ‘slechts’ een hertaling is van de existerende godsdienst.

Bij Michel Delon (Diderot cul par-dessus tête, 2003) lezen we hoe Gérard Dunoyer de Gastels een oppervlakkig gezien merkwaardige gang gegaan is, maar filosofisch een logische weg afgelegd heeft: van oratoriaan, naar jansenist, naar rationalist om dicht bij de encyclopédistes te eindigen. Telkens weer staat de verhouding chaos-orde centraal en deze filosofische Werdegang helt naar het ordelijke over. Mijn god, wat een mooie zwarte, atletische merel is hier weer bezig. En het mezenechtpaar bouwt nijverig en met veel commentaareen zacht nest.  Dit kadert in de wording van de moderne maatschappij en haar antropologisch menszelfbeeld: na de wanorde van de Middeleeuwen moest de mens zichzelf bedwingen en in toom houden, moest de wereld geordend worden (de boom van kennis is niet langer een metafoor buiten de mens maar is een ordening door de mens zelf geworden) en daartoe werd de natuur onderzocht naar wetten, regelmatigheden, ordeningen. De hele moderne wetenschapscultuur is nog steeds een ‘wapen’, namelijk een onszelf wijsmaken dat we op zoek moeten gaan naar zekerheid om mens te kunnen zijn. In de visie van Diderot was de burgerlijke samenleving de beste, want voorspelbaar en daarom veilig. We weten nu echter dat die wetmatigheid een opgelegde is, maar we weten niet hoe het anders kan. Hoe kan men nu met reden en recht zeggen dat de menselijke beschaving niet langer geordend moet zijn en dat de struikroverij de normale toestand van de mens is? Deze problematiek kan maar bestaan omdat men nog altijd denkt – zie Rorty – dat de menselijke samenleving en het denken een afspiegeling van de kosmos moeten zijn.

Toch is het materialisme van Diderot, zoals blijkt uit Le rêve de d’Alembert, niet zo eenduidig deterministisch: het toeval is binnen dat determinisme geïncorporeerd. Het toeval heeft echter geen ‘zin’, is onverschillig voor wat gebeurt : uit de kosmos is geen moraal te puren. In die zin is Diderot nog een kind van de Middeleeuwen: de dingen kunnen meerdere betekenissen hebben en de tegenstelling is geen noodzakelijke opheffing. Dat iets zwart én wit kan zijn, is voor de moderne mens een onmogelijkheid geworden – elke vooruitgang is een verarming. Objectiviteit is veruitwendigde subjectiviteit. De moraal staat dicht bij de esthetiek: een geïdealiseerde wereld, behoort niet zozeer tot de natuur (bij Diderot staat de seksualiteit (en het andere lichamelijke) buiten de moraal: het lichamelijke is noodzakelijk en functioneel) maar tot het artistieke, het gemaakte. De moraal is levenswijsheid: de aanvaarding van het zijnde. Het zijnde mag echter niet de misdaad, de corruptie zijn – de deugd is immers de menselijke maat, wat daarvan afwijkt is immoreel. Het spinozisme van Diderot uit zich niet alleen in de materialistische filosofie, ook in zijn moraal is de kern van gelijkmoedighed aanwezig. En dit is Diderot’s zwarte beest: hoe de deugd te verenigen met het spinozistisch determinisme.

In een volgend klooster spreekt de moeder-overste Simone toe: ‘Hoe hebben die schepsels in Longchamp je zo durven mishandelen? Ik heb je moeder-overste gekend, we hebben samen nog op de kloosterschool van Port-Royal gezeten, iedereen daar had een hekel aan haar.’ (o.c., p. 114). De vertaling is hier te zacht gemaakt, in het Frans staat er: « J’ai connu ta supérieure; nous avons été pensionnaires ensemble à Port-Royal, c’était la bête noire des autres. » Port-Royal was het roversnest van de jansenisten.

Advertenties