diderot en het jansenisme

door johan_velter

tulpen_1

Het jansenisme is helemaal geen ‘afwijking’ van, zelfs geen ‘verheviging’ van het katholicisme: het is een rationeel en logisch doordenken van het geloof. De Ieperse bisschop Cornelius Jansen las zijn Augustinus zoals die moet gelezen worden en verkondigde dus dat de mens geen vrije wil had en dat alles afhing van de genade Gods. Of iemand nu goed of slecht doet, God is de baas en hij hoeft zich niet te verantwoorden, zijn wegen zijn duister en vol hindernissen. Goede werken zijn daarom niet afkeurenswaardig, men moet alleen maar beseffen dat dit niet opbrengt en opbrengen is het juist gebruikte werkwoord. Jansen was het beu die katholieken rond zich te zien die goed deden om in de hemel te geraken – dat was vals spelen.

Met Blaise Pascal bereikte het jansenisme een hoogtepunt, nog steeds is het riet een metafoor voor het menselijk bestaan. De stengel kan zich tegen de wind verzetten, het is God die over hem oordeelt. Het jansenisme werd bestreden maar is eigenlijk nooit verslagen geweest omdat het behoort tot het evidente denken.

Men zou dus kunnen veronderstellen dat Denis Diderot enige sympathie voor het jansenisme zou kunnen koesteren: waar bij hem het determinisme filosofisch-materialistisch gefundeerd werd, gebeurde dit in het jansenisme theologisch. In Jacques, le fataliste et son maître, lezen we echter een andere stem. Het zal er wel niet toe bijgedragen hebben dat de broer van Diderot een kwezel was en naar dat jansenisme overhelde. Wie ooit de brieven van Diderot gelezen heeft, herinnert zich vast deze (voor ons) vermakelijke beschrijvingen. Ik citeer weer de Nederlandse vertaling van de ‘Prisma Klassieken’.

Op p. 102 wordt Nicole genoemd, Diderot bedoelt Pierre Nicole. Hij is de schrijver van (o.a.) Logique, l’art de penser (samen met Antoine Arnauld), het jansenisme behoort tot het rationalisme. Ook hij is naar België moeten vluchten. Zoals wel meer, is de passage waarin Nicole vermeld staat een omkering van een omkering en het tuimelen van Diderot toont aan hoe onorthodox hij redeneert.

Jacques wil een toost uitbrengen op de geestelijke raadsman van juffrouw d’Aisnon, de waardin van de herberg waar Jacques en zijn meester verblijven is verontwaardigd:

‘Foei, mijnheer Jacques, een huichelachtig, eerzuchtig, dom, kwaadsprekend en onverdraagzaam persoon ; want zo noemt men toch, meen ik, de mensen die met veel genoegen iedereen zouden willen ombrengen die niet denkt als zij.
Meester: U moet weten, waardin, dat Jacques een soort wijsgeer is en dat hij een grote waardering heeft voor alle stommelingen die zichzelf én de zaak die zij zo slecht bepleiten, onteren. Hij beweert dat zijn kapitein zulke lieden het tegengif noemt voor de Huets, de Nicoles en de Bossuets van deze wereld.’ (p. 102)

Het is de meester die de toost van Jacques wil uitleggen, de meester is daar eigenlijk onbevoegd voor. Hij spreekt van een ‘tegengif’, de Huets, Nicoles en Bossuets zijn dus een gif. Enerzijds heb je de idioten die hun zaak de vernieling in helpen, anderzijds heb je de niet-idioten – die hetzelfde doen? Tegenover de stommiteiten heb je de rationele, logische en systematische denktrant van de theologen.

Verder in datzelfde gesprek, eigenlijk een apart verhaal, dat van ‘mevrouw de la Pommeraye’, wat zoals veel in de 18de eeuw handelt over gevallen vrouwen en mannen en hoe het de hypocrisie van de wereld aantoont. In dit geval is de motor van het verhaal: de wraak van de bedrogen vrouw. Er wordt een spel opgezet dat ik hier niet zal vertellen omdat mijn tijd te kort is en ik veronderstel dat iedereen het verhaal van De la Pommeraye kent en als dat niet zo is, dan moet men het dringend gaan lezen. Dus: er wordt een maskerade opgesteld en de vrouwen (de wraakengelen van De la Pommeraye) wordt aangeraden zich discreet en godvruchtig voor te doen. Een van hun opgelegde leefregels luidt: ‘Ik vergat u nog te zeggen dat het zeer te pas zou komen, als u zich een mystieke woordenschat eigen zoudt maken en als u vertrouwd zoudt raken met het Oude en het Nieuwe Testament, opdat men u zal beschouwen als godvruchtige vrouwen van kindsbeen af. Maakt uzelf tot aanhangers van de leer van Jansenius of Molina, wat u maar wilt, […].’ (p. 103-104). De vrouwen wordt aangeraden zich godsdienstig te gedragen en navenant te spreken: men moet doen alsof het echt is. De leer van Jansenius werd dus door Diderot aangeprezen als een efficiënt middel tot hypocrisie – wat de jansenisten omgekeerd de katholieken en vooral de jezuïeten verweten. Opvallend is ook dat het jansenisme springlevend is in de achttiende eeuw en dat dit in een kleine gemeenschap als een positieve waarde begrepen werd. Om de zaak nog ietwat pikanter te maken: Luis de Molina was een Spaanse jezuïet, en hij stelde dat er verschillende soorten (of beter: niveaus) van determinisme waren – op die manier kon hij toch de vrije wil vrijwaren. Diderot stelt beide geloofssystemen aan elkaar gelijk, waarmee hij op een ‘subtiele’ manier aanduidt dat de beroemde strijd een belachelijke strijd is.

Dan is er het verhaal van vader Hudson dat u ook kent, ik kan dus volstaan met te citeren. In deze passage wordt over het verval van een kloosterorde gesproken. Vader Hudson is in alles voortreffelijk, voorkomen, karakter, studiezin en intelligentie maar hij is ook een vrouwenzot en een smeerlap, ‘een volmaakt ontwikkeld talent voor kuiperij’. Als hij het beheer van het klooster overnam ‘was het aangetast door een bekrompen jansenisme: er werd slecht gestudeerd, de wereldse zaken waren in wanorde, de godsdienstige plichten in onbruik geraakt, de missen werden zonder eerbied opgedragen, de gastenkamers werden er bezet door liederlijke kostgangers. Vader Hudson bekeerde of verwijderde de jansenisten, […].’ (p. 145-146). Vader Hudson is echter de perfecte katholiek: hij doet alsof, hij gebruikt zijn intelligentie ten kwade – het is dus onduidelijk welk standpunt Diderot zelf inneemt – ‘hij was niet zo onnozel het ijzeren juk dat hij zijn ondergeschikten had opgelegd zelf mee te dragen’ en dus was er onvrede en een heimelijke oorlog aan de gang. De jansenisten worden hier wel bekrompen genoemd, maar zijn ze dat ook in de ogen van Diderot zelf? De intrige wordt verder ontwikkeld: de overste van de orde ‘was jansenist en dientengevolge geneigd tot het nemen van wraak voor het soort vervolging die Hudson tegen de aanhangers van zijn beginselen had ingesteld.’ Hudson was uiteraard een aanhanger van de beruchte pauselijke bul Unigenitus (1713) waarin het jansenisme werd veroordeeld. Volgt daarna een strijd met de bisschop die ‘het jansenisme de grootste aller misdaden’ beschouwde en de onderwerping aan Unigenitus de grootste deugd. Hoe eindigt het verhaal? Hudson, de smeerlap, overleeft intriges en tegenintriges en kent een genoeglijk leven.

Wat hebben goede daden voor zin? Het kwaad overwint. En wat is kwaad als het kwaad het slot is? 

Advertisements