zeno, baruch en jacques

door johan_velter

Zeno-Neurenberger-Kroniek

In Jacques, le fataliste et son maître van Denis Diderot worden 2 filosofen met naam genoemd. Het zijn Zeno en Spinoza, deze laatste twee maal. De roman wordt soms een voorafspiegeling van de socialistische revoluties genoemd, maar dat is onjuist, of toch: niet zo eenduidig zoals men het graag simpel heeft. Vanuit een later standpunt is dit wel te begrijpen, de verhouding tussen Jacques, die de knecht speelt, en zijn meester, kan geïnterpreteerd worden als de hegeliaanse verhouding slaaf-meester, een tegenstelling en een samenwerking die later door Karl Marx zijn omgekeerd. De meester is niets zonder de ondergeschikte, de knecht. Nu spreekt men van medewerkers, juist om die waarheid te maskeren: het management stelt zich op het niveau van een oude socialist, o wreedheid van de domheid, en doet het omgekeerde

Ik citeer uit de Nederlandse vertaling van J.D. Hubert-Reerink, in 1978 verschenen als tweede deel in de onvolprezen reeks Prisma Klassieken.

Er kan ook een derde filosoof genoemd worden, Aristoteles, maar hij wordt hier ‘slechts’ opgevoerd als de schrijver van een Poetica, hij wordt samen met Horatius, Vida en Le Bossu genoemd (p. 127). Ook Voltaire kunnen we buiten beschouwing laten, hij wordt hier slechts gezien als de schrijver van La pucelle d’Orléans. Over Montaigne kan gediscussieerd worden, hier wordt hij geciteerd als een ‘stijlleermeester’: ‘Lasciva est nobis pagina, vita proba’ (p. 176) – ‘Ons schrijven is loszinnig, ons leven rechtschapen’. O, hoe dichtbij.

Nog worden Plato en Jean-Jacques Rousseau genoemd, maar het zijn ‘valse broeders van de wijnzak’ (p. 178). Zij worden – terecht – niet ernstig genomen en niet als filosoof behandeld.

Een eerste maal (maar de hele roman is spinozistisch en dus lucretiaans geïnspireerd) komt Spinoza ter sprake waar het gaat om de onzinnige scheiding tussen een stoffelijke en geestelijke wereld (bij Diderot: un monde physique – un monde morale: het feit dat Diderot de morele en geestelijke, dus intellectuele, wereld op eenzelfde niveau stelt, zelfs identiek acht: ziedaar de achteruitgang van onze tijd waar de intelligentie juist voor het kwaad gebruikt wordt en zogezegd ontdaan wordt van ‘subjectieve’ kenmerken). Het is de kapitein van Jacques die hem geleerd heeft dat de wereld de wereld is en dat we die moeten aanvaarden zoals die is: het heeft geen zin zich te verzetten: het is ‘daarboven op de rol geschreven’, het moest zo zijn. Jacques is de leerling van zijn kapitein die de levenslessen terdege in de praktijk brengt.

Wat Diderot over Jacques schrijft, is hedendaagser dan wat hedendaagse Vlaamse schrijvers als literatuur laten doorgaan. Wat nu een strijdpunt is, de materialiteit van de hersenen, was voor Diderot de evidentie zelf. En toen al dacht hij consequent door over een materialistische moraal en rechtspraak: ‘Jacques kende deugd noch ondeugd bij naam ; hij beweerde dat een mens gelukkig of ongelukkig wordt geboren. Als hij de woorden beloning of boete hoorde uitspreken, haalde hij de schouders op. Volgens hem was de beloning een aansporing voor de goeden, de boete het afschrikmiddel van de slechten. Hoe kan het anders, zei hij, als er geen vrijheid bestaat en als ons lot hierboven staat geschreven.’ (p. 142-143). Maar dat alles belet niet dat Jacques leeft zoals elkeen: consequent soms, soms inconsequent. Er is geen vrijheid, er is geen vrije wil maar er is uiteraard wel een wil. Door de naam Spinoza in dit betoog te laten vallen, brengt Diderot een hulde maar stelt hij zich ook in de materialistisch-atheïstische richting – Spinoza werd in de 18de eeuw enigszins anders gelezen dan nu: strijdvaardiger, harder en een wapen in de strijd tegen de oude tijd van adel en kerk.

De tweede maal dat Spinoza genoemd wordt, gebeurt dit samen met Zeno en dan zijn we al op de laatste pagina van het boek beland, waar het eind goed, al goed bewaarheid wordt: ‘Enige dagen later kwam die oude huisbewaarder van het kasteel te overlijden ; Jacques krijgt die betrekking en trouwt met Denise, met wie hij zich zet tot het voortbrengen van volgelingetjes van Zeno en Spinoza, geliefd door Desglands, op handen gedragen door zijn meester en aanbeden door zijn vrouw ; want zo en niet anders stond het hierboven geschreven.’ (p. 227)

Zeno was de stichter van het stoïcisme (3de eeuw voor Christus) dat in een eerste fase materialistisch was (later werden platonische elementen toegevoegd en verloor de filosofie aan kracht). Seneca was een ‘leerling’, toch ook zelf een filosoof. Bij Zeno, de oorspronkelijke Stoa, stond de ethiek centraal (net zoals dat ook bij Diderot het geval was): goed leven is het goede leven, anders gezegd: een deugdzaam leven is een genotvol leven – de deugd is wel de sokkel, niet het genot. Zeno had een deterministische opvatting: toeval bestaat niet: al wat gebeurt heeft een oorzaak en elke oorzaak heeft een gevolg. Het zijn de natuurwetten die ons leven bepalen (daarom is de natuur nog niet ‘goed’). In de achttiende eeuw was de filosofie van  Zeno een verademing – net zoals ze dat vandaag ook zou kunnen zijn.

Diogenes Laërtius vertelt in zijn Leven en leer van beroemde filosofen een anekdote (Ambo, 1989, vertaald door Rein Ferwerda en Jan Eykman) die in de keten der gebeurtenissen een oorzaak genoemd kan worden. Koning Antigonus begroet de filosoof en spreekt hem toe: ‘Hoewel ik mezelf in positie en roem uw meerdere acht, geef ik toe dat ik in intelligentie en ontwikkeling uw mindere ben, evenzeer als in het volkomen geluk dat u bereikt hebt. Daarom heb ik besloten u te vragen mij te komen bezoeken, overtuigd als ik ben dat u dit verzoek niet zult weigeren. […]’ Zeno weigert natuurlijk.

Advertenties