haal ons uit de hel

door johan_velter

alfred schaffer_postuum

De tweede strofe van het eerste gedicht uit de reeks ‘breyten breytenbach mag de maan zien’, lucebert schrijft:

dit gedicht schaamt zich gedicht te zijn
woede wil andere wapens dan woorden
ja het schaamt zich gedicht te zijn en geen schot
waarmee het – dichter – jouw beul kan vermoorden

Ze verwoordt, buiten het geweld, bijna perfect de houding van de dichter Alfred Schaffer. Er is bij hem een voortdurende twijfel aan de macht van het woord en de poëzie in het algemeen. Wat is de relevantie van het woord als er zo veel geweld, zoveel dood, ellende en angst in de wereld is en heerst? Alfred Schaffer woont en werkt in Zuid-Afrika en telkens weer spreekt hij met ontzag over het geweld dat dagelijks en moordend is. Ontzag? Ja, in de betekenis van iets dat veel groter is dan wijzelf en niet te bevatten is, waar het woord geen wederwoord kan zijn, dat buiten het menselijke lijkt te staan en rationeel noch emotioneel te begrijpen is. En er toch is.

De poëzie van Alfred Schaffer heeft met de meesterlijke bundel Mens dier ding een keer genomen. Al was hij eerder al naar de wereld gekeerd, met die bundel heeft hij een metamorfose ondernomen door dat geweld en dat vreemde niet meer als een object te zien, iets dat buiten hem stond, maar waar hij de woordvoerder van dat geweld geworden is – niet dat hij tot de gewapende strijd oproept, wel dat hij de rol van de dichter heeft omgekeerd en daarmee de traditie van Homeros heeft overgenomen: de poëzie als een verslag van gewelddaden, van helden en daden, er is een orale laag aan het schrijven toegevoegd waardoor de dichter een a-morele houding kan aannemen: niet van oei, dit is niet politiek correct, maar wel ha, dat zullen we wel eens zien, het bewijs dat vrijheid veroverd kan worden. Toch is dit geen heroïsche oorlogspoëzie, maar wel een stem die een verklaring zoekt: hoe ver is het menselijke gewelddadig, wanneer staat het geweld buiten de menselijke samenleving? De dichter neemt de taak op zich te vermommen in een personage en van binnenuit dat geweld zichtbaar te maken.

En dan blijkt dat geweld een ‘normale’ daad te zijn, of nee, wat Alfred Schaffer beschrijft zijn geen daden, feiten, handelingen, gebeurtenissen maar een condition humaine, waar het geweld een even evidente plaats inneemt als ademen. Het is. Daarmee komen we tot een breuk: enerzijds de schuldeloze cultuur van het niet-nadenkende, oorlogszuchtige tegenover de wereld van de cultuur en de intelligentie waar het geweld geen plaats zou mogen hebben. Wat is de natuurtoestand van de mens: dat van het wetteloze, of de evolutie? Is er een teleologie? Wat is de natuurtoestand van de mens? En in hoeverre ontmenselijkt het geweld de mens?

Op de omslag van de bundel Postuum : een lofzang, staat een doodshoofd afgebeeld, het beeld, ‘Weeds II’ (2012), is van Gerhard Marx en gemaakt van plantmateriaal. De vergankelijkheid lijkt een röntgenfoto. Het boek verscheen in de vernieuwde ‘Slibreeks’ en is als boek onleesbaar. De vormgever is Karelien van IJsseldijk. Het ding mist elke verhouding. Het formaat is te klein (10,5 op 15 cm) voor dit dikke papier. De letter is te zwaar voor dat papierformaat. Je kunt het boek niet in de hand houden, het springt, door de harde rug, letterlijk weg. Je moet het kapotscheuren om te kunnen lezen, laat staan dat je aantekeningen zou kunnen maken. Waarom mag een boek niet aangenaam zijn? Sommigen noemen deze uitgave een bibliofiel boek, dit is in alle opzichten en in alle ruime definities onjuist en onmogelijk. Dit is geen boekcultuur, dat de makers van dit zogenaamde boek zich maar tot het drukken van prijskaartjes beperken en een enigszins culturele uitgever zou alle boeken uit omloop moeten nemen – uit eerlijke schaamte tegenover schrijver en lezer. De papieren omslag schuift de hele tijd waardoor het boek uit je handen valt, na drie keer, is het papier niet nauw genoeg meer en schuift het nog meer. Je kunt het boek vastspijkeren maar dan heb je een vastgespijkerd boek – mijn god, is de boekcultuur zo doordrenkt van zelfhaat?

De bundel bestaat uit 39 delen. Sommige gedichten zijn getiteld, andere hebben enkel een asterisk als onderscheid. Een aantal hebben voetnoten, daar staat soms het belangrijkste te lezen. De bundel begint met  ‘et ne nos inducas in tentationem’, het 31ste is ‘sed libera nos a malo’, het zijn woorden uit het ‘Onze Vader’: ‘en leidt ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwaad’. De gelovige vraagt zijn God hem niet in bekoring te leiden, geen verleidingen te presenteren maar hem van dit kwaad te verlossen. God is hier als de duivel die Jezus in de woestijn de wereld van rijkdom, macht, geweld toont en aanbiedt – als Jezus de duivel zou volgen. Deze twee zinnen zijn in de bundel de kernzinnen van het gedicht: er is enerzijds het kwaad, anderzijds is er de verlossing – maar beide begrippen worden van hun eenduidigheid ontdaan en complex gemaakt, ontdaan ook van culturele connotaties.

Het laatste gedicht uit de reeks De wangebeden (1978) van Hugo Claus is ‘Libera nos’ getiteld, de verlossing is voor Claus ‘de vrouw’ maar zij staat, ruimer, voor de aarde, de wereld, het menselijke, het humane. De vrouw is het symbool van het a-metafysische, de dingheid van de wereld. ‘Ik geloof niet meer in zijn schandelijk hout / maar in je heiligbeen van goud.’ Claus keert de waarden om: het hout van het goddelijke is het vergankelijke, het goud van de mens het eeuwige: hij associeert het heilige met het vergaan en de wereld met het oneindige. Het 34ste gedicht van Postuum : een lofzang begint met ‘dat ik klem zit.’ Er is sprake van een opname in een instelling, het laten afspelen van het verleden.

De bundel van Schaffer laat ons verschillende stemmen horen, en toch is er sprake van een ik. De structuur van de reeks is een cirkel: in het begin lezen we dat er iets gebeurd is, op het einde lezen we wat er net voordien gebeurd is – maar ook dit blijft duister. Er is sprake van een intakegesprek, een vorderingsverslag, er zijn weerberichten. Maar steeds speelt op de achtergrond: wat is een mens? En hoe is deze wereld bewoonbaar?

Er is geweld gepleegd op een persoon en die persoon heeft zelf ook een gewelddadig leven geleid. Het gaat niet over schuld en boete, dit is te simpel. Het gaat over een wijze van existeren – algemener gesteld wordt het dan hoeveel geweld draagt bij tot de cultuur en omgekeerd hoeveel geweld kan een cultuur verdragen – het antwoord van deze schrijver is echter zeer eenduidig: slechts in een door en door pacifistische samenleving is het humane bestaan mogelijk. De ontmenselijking gebeurt door het menselijke geweld. Er is wel sprake van schuld, maar niet in een simpel relationeel/causaal verband. Hoeveel schuld draagt de kunst, de schrijver, de maatschappij? Door het geweld ontstaat er een identiteitsverlies, niet alleen op persoonlijk vlak (wie ben ik), maar ook wat de tijd betreft: verleden, heden en toekomst (slechts 3?) lopen door elkaar, lijken op elkaar, de eeuwige terugkeer.

In de voetnoten bij de gedichten horen we de ik-menselijke stem die commentaar geeft op wat gebeurt/gebeurd is. Daar is op verschillende plaatsen sprake van ‘verlossing’: de ideologie, de godsdienst, de wereld, het verleden: telkens weer wordt dit afgewezen. Maar hoe kan er verlossing zijn in een post-humane wereld, waar slechts de macht van de sterkste heerst, waar de beschaving geëindigd is? ‘[…] technisch gesproken / ben ik een mens’ (p. 40).  Schaffer spreekt over een artificiële wereld, een elektrisch schaap, een luipaard van kunststof, de slang die overdrachtelijk begrepen kan worden. En dan vraagt de lezer zich de vernietigende vraag af: is de ik een hond? Spreekt de hond als een buitenaards wezen? Is de mens een luis? Er is veel Beckett in deze bundel, maar waar Samuel Beckett zijn personages in een desolate, maar eigenlijk vredevolle wereld neerzet, is die bij Schaffer vol geweld, vol onbetekenis en fysieke en morele dreiging. Het geweld komt van buitenaf, de stad als oprukkend gevaar. Wachten op verlossing, op het uitbarsten van geweld, het ontploffen van zichzelf. De chaos is bij Schaffer lijfelijk, geen intellectueel spel.

Op de achtergrond heerst onheil, de lezer voelt zich ongemakkelijk. Er is de structuur van de gedichtenreeks, de vele interpretatiemogelijkheden, de gedesoriënteerdheid daardoor, de onmatige radeloosheid over betekenisverlies. Toch is deze bundel niet door en door pessimistisch of een volledige apocalyps. Alfred Schaffer beschrijft hoe de literatuur, in zijn geval het gedicht (net zoals bij Wallace Stevens en J. Slauerhoff), wél een verlossing kan betekenen, wel ons een schuilplaats kan verlenen, voor ons een toevluchtsoord kan zijn en niet louter uit woorden bestaat maar een reëel ding is. Daarvoor moet de ‘schone poëzie’ verdwijnen, de meisjesgevoelens aan de kant geschoven, er moet een nieuwe poëzie komen die de reële problemen benoemt en ons op een levensweg begeleidt.

Naschrift: Alfred Schaffer schreef me op 20 maart 2017: “[…] Ik merk ook dat ik hier ‘zwarter’ ben geworden, me bewuster ben geworden van mijn eigen gemengde achtergrond, en nog wel geïnteresseerd ben in filosofie, maar dan eerder in de werken van Mbembe, Fanon en Gyekye (namen die in veel nagenoeg blanke filosofiekasten in Nederlandse boekhandels nauwelijks te vinden zijn – ja, het laatste werk van Mbembe is gelukkig vertaald). En dat inderdaad het fysieke aspect van geweld, de stank, het geraas, de menselijke natuur kortom, niet meer in te passen is in een denkconstructie.
Misschien niet vreemd dat mijn begin oa bij Claus’ Vijf polaroid opnamen van Jezus Christus’ ligt. […]

Advertenties