terreur en intimidatie: dombrovski bewijst de triestigheid van de waarheid

door johan_velter

joeri-dombrowski

“Wat hebben Zybin en al die andere arme sloebers gemeen? Ze hebben hun geweten, hun verstand en hun ogen. Ze hebben geen grote zakken, het zijn dus sukkelaars, weg te vegen geboefte. Wat hebben schamele mensen, ja, mensen die geen recht hebben te leven, te denken, te spreken, in deze wereld te doen? Ze moeten verdwijnen, beter is het als ze zichzelf doden, en wat ze in hun portefeuille, de beschuldiging, de namen, verbergen, och, dat gooien we weg, de andere varkens mogen het opvreten. De gedachten zijn vrij, de gedachten zijn niet vrij, wij zijn vrij omdat wij geen gedachten hebben, de gedachten moeten niet door geachten gedacht zijn en wij scheppen er onze trots in niet geacht te zijn. De gedachten, wat een kleinburgerlijk gedoe is het denken! Handelen ! Moorden! Onderdrukken! En bouwen! De toekomst en het verleden! Wij! Dank god dat wij zijn! Wij, de grote mannen, denken, en wat wij denken denken denken! Diogenes, we nemen hem nu ook zijn ton af. Ha, dat hij maar onder zijn gedachten gaat schuilen! En wij denken niet alleen maar ook hebben wij. De waarheid de waarheid, de ware waarheid. Want die komt uit de vuist en in de vuist ligt het geweer. Dat is onze moraal. De moraal van het lood.”

De moraal? Wat zijn boeken toch vervelende dingen. Theodor W. Adorno: ‘Het subjectieve bewustzijn van de mensen is in maatschappelijk opzicht te zeer afgezwakt om de invarianten waarin het zit vastgekerkerd, te kunnen openbreken. In plaats daarvan past het zich aan, terwijl het om de afwezigheid [van het andere] rouwt. ‘ (Negative Dialektik). Adorno sprak over het identiteitsprobleem: de dingen, de woorden, de ideeën en de verhouding daartussen. Als de leugen een bewuste verdraaiing is van de feiten, dan is er geen relatie mogelijk tussen uitspraak X en het feit Xa. De woorden hebben een eigen wereld, de wereld is de wereld. Omdat er geen relatie is, is er ook geen identiteit tussen de taal van een mens en de wereld. Er blijft slechts een ideologische woordenbrij over.
En zo is het boek, De faculteit van de onnodige kennis, van Joeri Dombrovski, net zoals dat van Adorno een ode aan de intelligente fantasie.
En waarom staat, godbetert, op de omslag van de Spaanse vertaling de hond van Goya afgebeeld?

‘Huil daar maar of verhang je, dat beslis je zelf al naar gelang de omstandigheden. Want je leven is niet van jou, maar des keizers, maar je verdriet, dat is alleen van jou en verder van niemand.’

‘Mijn kanariepietje zingt, vernietigt me met haar verachting.’

‘”Ja, helemaal in het begin. Toen in deze lieve instelling nog mensen zaten, en geen dommekrachten met grote vuisten. Tegen het einde zei ik tegen hem : het probleem is, beste die en die, dat onze twist onbeslisbaar is, het is een kwestie zo oud als de wereld: wat is waarheid?” […] “Ook niet bijzonder slim”, zei Zybin, “een spelletje met woorden, trucjes zijn het.”’

‘[…] een treurige ploert die bekendstond om zijn liefde voor Latijnse citaten, zijn lafheid en genadeloosheid.’

‘En het geweten?’ –‘Wat wilt u met het geweten, Georgi Nikolajevitsj?’

‘Rust zacht, kameraad.’

‘Zo schoon als een hemelse engel, een slinkse boosaardige demon.’

‘Hij is zo niet de slimste, dan toch zeker de gemeenste.’

‘Hij wist waar de misdaad schuilt. In de hersenen! De gedachte is crimineel. Dat wist hij! De gedachte zelf. Dat zijn ze na hem compleet vergeten. Daar begint het allemaal mee – smoor de gedachte in de kiem, en er is geen misdaad meer.’

‘[…] bij dit soort zaken, in zo’n kamer, onder zulke onderzoekers, heerste een sfeer van uitgelaten, ploertige brutaliteit en onbeschoftheid. Maar een gewettigde onbeschoftheid, […].’

‘Glashelder hoorde hij dat plechtige, vloeibare koper dat majestueus over steden en dorpen zweefde, zijn stugge contouren die deden denken aan de snit van een militair uniform. Kortom, hij hield van die verheven staatstaal … Een taal waarin je niet sprak, maar relaties aanging.’

‘De waarheid?’ Eindelijk knapte er iets in haar. Het was echter geen boosheid op hem, maar een diep soort minachting voor zichzelf, voor de rol die men haar dwong te spelen.’

‘Jullie werken voor je eigen gewin en je eigen werkvoorziening. En hoe meer jullie doen, hoe meer er ongedaan blijft.’

‘God bestaat toch, schoften, God bestaat.’

‘Dat is het echte drama. Jullie beschermen het vaderland? Schei toch uit! Julie kweken Kaïns! Dat is wat jullie doen!’

‘Nee, nee, ik bedoel: ze hebben natuurlijk wel een geweten, maar geen menselijk – zou het soms een wolvengeweten zijn?’

‘Opeens werd duidelijk dat met de nieuwe volkscommissaris een hele zwerm hoeri’s het Grote Huis was binnengefladderd: persoonlijke secretaresses (ze werden secretuees genoemd en waren meer gevreesd dan brand), geheime typistes, buffetjuffrouwen, serveersters met kapjes op en witte vleugeltjes op hun rug. Kortom, er was een slag walkuren en bergmaagden over alle zeven verdiepingen uitgezwermd […].’

‘Ze liep naar de spiegel, keek naar zichzelf en was, terwijl ze wegliep, haar gezicht meteen vergeten.’

‘En onze wijze Leider heeft het allemaal zo slim en subtiel gespeeld dat niemand van dat rapalje ook maar een kik heeft gegeven! Ze zaten met z’n allen als haasjes te wachten. Dat is nog eens werken onder één vereende leiding!’

‘Ach vrienden, de dood heeft tegenwoordig toch geen zeis?! De dood heeft een Underwood en een map ‘ter ondertekening’, maar jullie knutselen iets middeleeuws voor me in elkaar: een zeis, een skelet!’

‘Weent om mij, broeders en vrienden, familie en bekenden: gisteren nog spraken wij met elkaar en plotsklaps bezocht mij het angstwekkende doodsuur. Nadert allen die van mij houden en geeft mij een laatste kus.’

‘Alles is menselijke ijdelheid wat niet blijft bestaan na de dood,’ onderbrak Jasja hem streng en hij legde uit: ‘Rijkdom blijft niet, roem bestaat niet. Alles is stof, as, schaduw.’

‘Door al die vergaderingen was hij zo glad als een aal geworden.’

‘Maar dat hij een lapzwans is, is zeker, een lapzwans!’

‘[…] en hij realiseerde zich toen ineens hoe dodelijk moe hij was, misschien wel voor de rest van zijn leven.’

‘Ach, mijn lieverds, ach, mijn verwanten. Waarom huilen jullie nou zo om mij, waarom al die tranen? Ik heb het nu goed, ik heb van niemand iets nodig. Al het aardse – de dood, vleselijke liefde, verdriet, ontberingen – is nu allemaal voor jullie. Maar ik ben licht, wit, helemaal doorschijnend. Al het aardse heb ik als een vod afgeworpen en ik heb me in het eeuwige gehuld. Tot in de eeuwen der eeuwen, en geen macht kan het me afnemen.’

Advertisements