intimidatie en terreur: een boek uit de 20ste eeuw als spiegel van de 21ste eeuw

door johan_velter

zwart-rood_27

Vandaag heb ik de heilige grond betreden van wat zij noemen een ‘landmark’. Ik werd niet met gouden regen besprenkeld en wat ik zag tartte alle kritiek, elk cynisme en elk betoog over duurzaamheid, ernst, kunst, cultuur, kennis en intellect. Een gebouw betreden dat geen enkele intelligentie bevat, geen sprankel creativiteit, geen lichtheid, geen luchtigheid, geen verrassend  detail, waar je zelfs als leek de verloren kansen ziet liggen. Vandaag? Hedendaags? De toekomst? Je wordt uitgelachen. Dat een gebouw een idee moet tonen, een concept moet materialiseren, daar heeft men nog nooit van gehoord. En de functie? Een hangar. Een parking. De leegte. Ja, zo wordt veel begrijpelijk. 

Italo Calvino schreef in 1988 Zes memo’s voor het volgende millennium. En hij somde de kwaliteiten op: lichtheid, snelheid, exactheid, zichtbaarheid en veelvoudigheid. Hij stierf te vroeg om de zesde te beschrijven: consistentie. De memo’s waren bedoeld om de literatuur een ideaal te geven maar omdat kunst de basis vormt, ook de voorwaarde, voor een geciviliseerd bestaan, zijn ze ook algemener van toepassing.

Niets van dit alles, geen greintje intelligentie, geen korrel fantasie. Alles grauwheid, laagheid, valse donkerte, pretentieuze bombast. Het ene vloekt met het andere en alles vloekt tegen het menselijke.

Als incompetentie met kwaadaardigheid samengaat, krijg je terreur en zijn het enkel de structuren en de mate van beschaving die dit in toom kunnen houden. Zet de binnenlandse kleine potentaten in een systeem waar geen grenzen zijn en ze passen geweld toe, ze worden gelegitimeerde moordenaars. De basis waarop men steunt, is telkens weer het verraad (aan de mens, zowel in zichzelf als in de ander), er zijn infiltranten met hun leugens, roddel en achterklap – die hun eigen onbekwaamheid moeten maskeren. Er is de angst van de leider die geen voet aan de grond heeft. Zijn domheid heerst, hij is pretentieus en jaloers. Beloof de dommerik enige macht en hij oefent die met veel enthousiasme uit. Hij zal zelfs verder gaan dan hij moet gaan: de kettinghond bijt door om zijn baas te tonen hoeveel kettinghond hij is. Elke sprankel intelligentie, creativiteit en inspiratie roept agressie op. De leider oefent terreur uit omdat hij niet verdragen kan dat een ander niet de hond is die hijzelf is. Omdat hijzelf een meeloper is, komt hij in het nauw wanneer hij geconfronteerd wordt met het inzicht. Wees maar zeker dat geen rat er tegenop kan.

Joeri Dombrowski schreef zijn boek, De faculteit van de onnodige kennis (Meulenhoff, 2002, vertaald door Aai Prins en Gerard Rasch) in de 20ste eeuw, zijn leven werd door het stalinisme kapot gemaakt. En o, bedenk, dat dit alles in een heel ver verleden, in een heel ver land gebeurd is. Zonder te overdrijven zie je dezelfde mechanismen aan het werk: wanneer een maatschappij de waarheid heeft losgelaten, komen de demonen vrij. Er wordt een schijnwereld gecreëerd, men roept oh lala en vindt zichzelf fantastisch en de wereld zelf wordt vernietigd – maar de schreeuw kan nooit de schamelheid van het bedrog bedekken.

Dombrowski schreef een ‘monsterboek’, een boek dat tintelt van leven en intelligentie, van durf en opstand. Het boek kan gelezen worden als een handboek tégen de inquisiteurs, ook omdat hij op een intelligentie manier de inquisitie beschrijft. Er is herkenbaarheid, al is het onmogelijk, zegt men, het stalinisme van toen te vergelijken. Het leven van een ander is altijd dat van een ander. De onvoldragen macht is altijd dezelfde onvoldragen macht.

‘Dat is onbelangrijk. Dat is volstrekt onbelangrijk,’ kapte de directeur hem op autoritaire toon af en hij schoof met een handgebaar de tegenwerpingen van de professor terzijde. ‘Wat belangrijk is, is dat hij “nee” zei! Hij zei “nee”, terwijl onze leider “ja” heeft gezegd.’

‘Je moet namelijk dit begrijpen,’ vervolgde Zybin. ‘Het gaat in de eerste plaats hierom: wat gebeurt er met een idee als het gerealiseerd wordt? Dan gebeuren er heel veel onverwachte en verkeerde dingen mee. Het manifesteert zich in een volstrekt onherkenbare vorm. Soms komen er in plaats van engelen zulke monsters uit kruipen dat je zin krijgt het bijltje erbij neer te gooien en iedereen de moord te laten steken : het is niets geweest, we hebben gewoon onzin gekletst, tijd om op te houden. Die gedachte komt ook wel eens bij de sterksten en trouwsten op. Zij zijn immers ook mensen, Dasja, dat is hun ongeluk! Bovendien heeft een idee in de realiteit niet één of twee gezichten, maar zeker tien. Alleen vertonen ze zich niet meteen. Eerst is er een prachtig gezichtje, maar daarna worden het smoelen, smoelen en nog eens smoelen, en als je die ziet, wil je soms niet meer leven. En wie niet wil leven, kan het allemaal geen barst schelen, die is tot alles in staat. Een contract waarin de dood als voorwaarde is opgenomen – sterf maar geef je niet over – is voor niemand te verteren. Iedereen zal je zeker laten barsten: én zich overgeven, én je ook nog eens verraden.’

Advertenties