consulent-handlanger

door johan_velter

zwart-rood_26

Men publiceert mandaten, men maakt wedden bekend. De democratie is gered, hun systeem blijft behouden. Peter Sloterdijk publiceerde dit weekend in NZZ een essay dat dieper graaft dan wat we in de binnenlandse parochiekranten mogen lezen: hij legt ‘het systeem’ bloot, hij toont aan hoe de macht zichzelf verdikt om de macht te behouden, hoe het netwerk de antidemocratie vormgeeft en ondersteunt. Ik vat voor u samen, gefundeerd door de ervaringen uit een ver verleden uit een ver land. In de krant lees ik dat Paul Krugman in The New York Times geschreven zou hebben: ‘Kwaadaardigheid wordt afgezwakt door incompetentie.’ Weer is Krugman fout: kwaadaardigheid en incompetentie leiden tot terreur – en staan dus lijnrecht tegenover de democratie en het denken, de civilisatie.

Het essay van Sloterdijk behandelt het fenomeen van de ‘consulent’, natuurlijk de ‘consultant’, maar er zijn nog synoniemen: de deskundige, de expert, de kabinetschef, de administrateur-generaal, de trainer, de coach, de specialist. Sloterdijk gaat terug naar de 15de eeuw, naar het begin van de Nieuwe Tijd. Hij schrijft, nieuw, een geschiedenis van de neosofistiek. Het humanisme heeft drie nieuwe beroepstypen gecreëerd: de filoloog, de kunstenaar en de neosfoist. Het sofisme is een markt waar men ideeën tegen elkaar opbiedt, waar de uitkomst bepaald wordt door de band tussen rede en praktijk – rede is nog niet gelijk aan rationaliteit, in de praktijk was dit overtuigingskracht. Wie een verloren zaak toch tot een overwinning kon leiden, was groot en kon alles verdedigen – vergelijk het met de huidige televisionele strafpleiters. Iedereen weet dat er gemoord is, toch komt men vrij.

De Griekse sofisten werden opgevolgd door de theologen en in de 15de eeuw leek het alsof de filosofie haar plaats in de wereld terugkreeg. Peter Sloterdijk ontkent dit: er ontstond een alliantie tussen de nieuwe filosofen en de theologen.

Iedereen die de publieke ruimte betreedt (handel, sport, …) heeft een ‘raadsman’ nodig: de koning verzamelt een raad rond zich, de sportman heeft een trainer, een handelaar betaalt een ‘advocaat’. Dit wordt als positief gezien: de regeerder die zich laat adviseren door iemand met kennis en ervaring. De stap naar de eigenmacht van de raadgever is niet ver: de regeerder speelt, de adviseur regeert. Sloterdijk schetst de Nieuwe Tijd als een wereld van activisme, waar eenieder als opdracht heeft de aarde te vangen (in de beeldende kunst wordt de aarde, de wereldbol, een symbool van beheersing). Het is een spel, en elk speelt zijn eigen spel. Het is daar dat de » Sekretärsdämmerung « een aanvang neemt: i.t.t. wat gangbaar is, is deze mens geen zelfstandige activist maar een passief onderdeel van het spel: hij doet mee. Uiteraard speelt Peter Sloterdijk hier zijn eigen spel: als sofist schetst hij een eigen historiserende visie: het fenomeen dat vandaag de wereld vernietigt, zoekt hij in het verleden – om te kunnen besluiten: het is altijd zo geweest. Toch is dit niet juist: een fenomeen kan uitgroeien tot iets anders. Zoals ik het ooit over een ver land uit een ver verleden gezegd heb: op het lichaam groeien kankergezwellen maar plots is het lichaam verdwenen en blijven enkel de kankerblazen over. De wereld toen en daar.

Als het prototype van de ‘secretaris’ ziet Sloterdijk Machiavelli, het kon niet missen. Het ambt van secretaris is niet zonder gevaar, zoals men ook weet van kunstenaars als Vergilius en Dante. Het is de raadgever die de brokken moet lijmen maar ook de scherven toegeschoven krijgt. Sloterdijk betrekt de Jezuïetenorde bij zijn argumentatie, om bij Michel de Montaigne te belanden: de essayist die zijn eigen raadgever wilde zijn, de verinnerlijking van de wereldorde – zonder de dimensie van het handelen.

Nadat hij de verschillende ‘menstypes’ heeft vastgelegd, gaat Peter Sloterdijk over naar de kern van het secretarisschap: het geheim. Hij neemt de hegeliaanse gedachte over en past die in zijn eigen essay in: de raadgever, de secretaris, de consulent heeft maar bestaansrecht door de ‘raadloosheid’ van de heerser. Als de regeerder zelf op de hoogte van zijn zaken zou zijn, is de consulent overbodig (het is dus zaak voor de consulent zich niet overbodig te maken – en daarvoor heeft hij, net als de regeerder, het nieuwe nodig: het nieuwe is nooit gekend door het voetvolk en de heer, het volk moet geïnstrueerd worden – daarom is het volk altijd te wantrouwen: stel dat het zelf iets nieuws zou uitvinden : dit is wat we nu meemaken: het establishment weet niet wat het overkomt). Een ‘goede’ consultant gaat dus op zoek naar een niet-wetende, lang moet hij niet zoeken. Zelfs als hij niets nieuws te melden heeft, verpakt hij het zodanig dat de onzin als nieuw verschijnt. De metafoor, het verhullend taalgebruik, de newspeak van de manager horen hier thuis: de leugen van de macht om de macht te dienen.

Sloterdijk spreekt van » Bipolarismus «, de consulent is natuurlijk ook niet opgewassen tegen zijn opdracht maar heeft wel een aantal algemene kenmerken. Die worden ingezet voor de opdracht maar er is geen zekerheid dat de oorspronkelijke doeleinden blijven gelden: het zijn de doelstellingen van de secretaris die het belangrijkste worden. Er is een spanning tussen de twee uiteinden: de opdracht en zichzelf. Voor onze tijd geldt dit uiteraard ook: juist omdat aan de managementrollen geen maatschappelijke rol meer toegekend wordt, wordt het maatschappelijke, dus het publieke domein en het algemeen belang, koudweg gedood, t.v.v. de eigen belangen. De interne drijfveren, de mate van hyena-zijn, zijn doorslaggevend voor het vervullen van de rol. De ideale manager, of moet ik schrijven managster?, is het lege vat: er zijn ambities, er is geen inhoud. Toch is men specialist.

Machiavelli en anderen beschreven de vorst/raadgever als een persoon die geen eigenschappen mocht hebben. Dit mensentype (of dit loze type) is nu met het hedendaagse begrip flexibilisering in alle lagen van de maatschappij opgelegd, er is een democratisering van de leegte gaande, zoals in de 20ste eeuw de democratisering van de misdaad begonnen is. En hier komen we tot een conclusie die reeds bestond voor de boekcultuur zelf: het oude humanisme is uitgehold en in de plaats is de kapitalistische productleegte getreden. De marxiaanse warenleer stelde dat het product zelf geen waarde meer heeft, het heeft maar waarde in zoverre het een ruilwaarde bezit, hoeveel geld het kost. Sloterdijk breidt dit inzicht (dat ook al bij Marx aanwezig was: de aliënatietheorie) uit naar de mensen zelf: ook zij zijn inwisselbaar: iedereen is een klant maar iedereen moet ook winkeltje spelen. De winkelbediende is het overal en altijd inzetbare dier: wat het aanprijst of verkoopt is onbelangrijk, als het zich maar toont. De mens is maar aanvaardbaar in zoverre hij geen mens meer is.

‘De’ raadgever is een discutabel begrip. Er is een vermakelijk verhaaltje in Erasmus’ Moriae encomium, sive Stultitiae laus te vinden. De theologische faculteit van de katholieke Leuvense universiteit wilde aan een vroege vorm van klantenbinding doen en deed navraag bij allerlei personen, die goed op de hoogte waren van de komende maatschappelijke ontwikkelingen, wat te doen. Ze werden duur betaald. Er werd met veel tamtam aangekondigd dat elke student en professor een ‘lidkaart’ zou krijgen. Er werden schapen en lammeren geslacht, 20 florijnen per stuk, en elk stukje perkament werd door de scriba, schoonschrijver, gepersonaliseerd. De plaatselijke pictor, cartoonist en familie van de hoofdraadgever, mocht ook een bijdrage leveren. Dat duurde en duurde, de rekeningen liepen op, de pennen gingen stuk, het perkament was nog nat en kleefde aan elkaar. Enfin, het was niet om aan te zien. Het volk morde, de raadgevers kraaiden victorie: ‘Zie die rijen,’ riepen ze uit en ze schudden met hun kont van eigendunk, ‘wat een succes! Wat een goede raadgevers zijn wij toch!’. Ze verhoogden hun rekening. De protestantse universiteit van Wittenberg was soberder, dus ook slimmer. Er werd papier besteld, de plaatselijke drukker kreeg opdracht om voor iedereen een stukje papier te drukken en dat werd verdeeld onder de leden van de universiteit. De protestantse universiteit nam geen raadgevers onder de arm, daar deed men moeite zelf na te denken. Alles gebeurde kalm, ordelijk, efficiënt en intelligent. Ja, soms moet men echt mee zijn met zijn tijd. En ook iets van technologie afweten natuurlijk. En zich niet laten leiden door het geld. En de domheid. Zei de zot.

Advertenties