vulgair determinisme

door johan_velter

In Simon Stevin van E.J. Dijksterhuis (Martinus Nijhoff, 1943) vinden we op pagina 2 in een voetnoot nog een voorbeeld van vulgair determinisme. Dijksterhuis zelf houdt zich op de vlakte, hij vermeldt natuurlijk wel de bijna-zekerheid over de ‘onwettige’ geboorte van de grote wiskundige maar in de noot stelt hij dat dit feit een feit is maar geen oorzaak hoeft te zijn: ‘Er meer uit af te leiden, lijkt niet verantwoord. A. Romein-Verschoor overweegt echter in haar inleiding tot een herdruk van Werk VII, p. 7, de mogelijkheid, dat het feit van Stevins onwettige geboorte een rol zou hebben gespeeld bij zijn streven om in de natuur orde en wetmatigheid te zoeken en ze in de menschelijke verhoudingen  te bevorderen.’ Zo simpel is het denken : de geboorte bepaalt iemands leven.

Een ander voorbeeld van onnozele staatsbetutteling en leugenachtig moralisme is de campagne tegen vrouwengeweld maar het wordt niet zo genoemd. De slogan op de affiche luidt: ‘Het begint met slet en eindigt met een mep’ – een slecht bekkende slogan maar ook inhoudelijk onjuist, een aanval op de kern van een vrije cultuur: er mag gesproken worden en uit het spreken volgt niet noodzakelijkerwijs een daad. Zo sijpelt langzaam de dictatuur in de geesten van de mensen, het vergif van het niet-denken, de pseudoprogressiviteit, de schijnheilige goedheid. Want misschien is het omgekeerd: laat het uitgesproken zijn en misschien is dan de druk van de ketel weggenomen – en wat zegt een mens al niet in zijn onnozelheid?

Ook de afkomst van mensen en daarmee hun latere leven duiden, is populair maar intellectueel onjuist. Het past wel in deze tijden van achterlijke reactie, de salonwoorden zijn identiteit en nationalisme, en daarin past ook de terugkeer van het dialect, leve de eigen stal, om mensen te reduceren tot bloed en bodem. Pseudo-verklaringen. Gemakzuchtige logica. Platdenken. In de catalogus van het Mu.Zee Jules Schmalzigaug, futurist (2016) kunnen we ook dat lezen.

Het ‘Woord vooraf’ van Phillip Van den Bossche eindigt met een dt-fout: ‘[…], maar ook zijn unieke visie op licht, kleur, tonaliteit en luminositeit de plek […] geven die het internationaal en stilaan (eindelijk) ook in België meer dan verdiend.’ (p. 10). We hebben hier al eerder geschreven dat het werk van Schmalzigaug de laatste kwarteeuw helemaal niet uit de belangstelling verdwenen is, dat dit werk bijna constant in musea te zien was en dat er toch steeds ook publicaties verschenen en beschikbaar bleven.

Adriaan Gonnissen schrijft in de catalogus een soortement reisgids en verklaart daarmee het schilderkunstig oeuvre van Jules Schmalzigaug – dat dit nogal onwetenschappelijk en tegen de rede ingaat, moge duidelijk zijn: ‘Hij vestigde zich in zijn lievelingsstad [sic] Venetië, waar de zachte en diffuse lichtschakeringen zijn prisma voedden. […] Het zijn de vibrerende indrukken van de Venetiaanse atmosfeer die hem de dynamiek van het Italiaanse futurisme deden omarmen.’ (p. 13). De onzin wordt des te erger wanneer men verder leest dat Schmalzigaug een toevallige futurist was en daarvan weg evolueerde, zijn futurisme duurde geen twee jaar – toch is, zegt men, Schmalzigaug de enige Belgische futurist. Dat in het boek de naam van de schilder gesplitst wordt als Sch-malzigaug is een flauw futuristisch volgen – wel nee, het is een gebrek aan kennis, zoals ook Chop-in verkeerd gesplits wordt of god ja, enzovoort.

Eigenlijk moet je kunstcatalogi lezen als de wekelijkse architectuurrubrieken in kranten: onzinwoorden. ‘Alhoewel het overal wit is, oogt het toch warm.’ ‘Het zwart is niet duister, maar door de lichtinval komt er licht binnen.’ ‘De vormen zijn modern en ogen toch gezellig.’ ‘Het huis is rond en toch vierkant.’

Ook Fabio Benzi bezondigt zich aan vulgair determinisme met zijn artikel ‘Schmalzigaug, Balla en andere bijzondere futuristische relaties’. ‘Er waren evenwel twee gebeurtenissen tijdens Schmalzigaugs Parijse periode die hem uit zijn traditionalistische verdoving deden ontwaken [sic: eerder schreef Benzi dat hij reeds een ‘pre-avant-gardistische periode’ gekend heeft – o de heerlijkheid van woorden] – in psychologische zin tenminste, want in de praktijk zouden ze pas veel later een vruchtbare weerslag vinden in zijn werk […].’ Een lichtflits, een psychologisch inzicht opgeslagen in de bodem en veel later: een bloem!

Ik weet niet in welke taal Benzi zijn beschouwing geschreven heeft, in de catalogus is een Nederlandse en een Engelse versie opgenomen – beide getuigen van een slecht, onhandig en leeg taalgebruik, een omslachtigheid die de intellectuele onmacht tracht te camoufleren (‘Een adhesie die altijd ruimte laat voor individuele of excentrieke visies, mits die origineel en fantasierijk zijn.’ (p. 200). En dan kom je tot ongewisheden. De Engelse versie: The policy of accurately […] came to an end […]’, de Nederlandse : ‘De tot 1914 angstvallig gemeden trend om nieuwe leden op te nemen en nieuwe zieltjes te winnen in al dan niet jeugdige gelederen […] begon op de […].’ (p. 201). Is een kunstenaar gediend met wandenken? Heeft het wandenken zich in de cultuur genesteld – en waarom dan wel?

Advertenties