zie af

door johan_velter

sfcdt_zie-af

Poesjkin zei, schreef Joeri Dombrowski : ‘Je bent een tsaar – leef alleen.’

Fernando Pessoa dichtte:
‘Hoeveel treurnis en bitterheid verstikken
In verwarring ons benarde leven!
Hoeveel ellendig onheil
Drukt en onderdrukt ons!
Gelukkig is het dier dat, naamloos voor
Zichzelf, graast op de weiden en dat naar
De dood gaat als naar huis;
De wijze ook, verdiept
In kennis, die zijn enge, strenge leven
Heft boven het onze, als rook die armen
Die verwaaien opheft naar
Een niet bestaande hemel.’

Oden, Ricardo Reis, vertaald door August Willemsen

Kant nam in zijn Kritik der reinen Vernunft als motto een citaat van Francis Bacon op uit diens Instauratio magna: ‘de nobis ipsis silemus’ – ‘Over onszelf zwijgen we’.

Seneca laat in Agamemnoon (v. 103-107) het koor de wijsheid vertolken: ‘felix mediae quisquis turbae / sorte quietus / aura stringit litora tuta / timidusque mari credere cumbam / remo terras propiore legit.’ (Piet Schrijvers: ‘Gelukkig de mens / die tevreden is met een bescheiden lot, / bij een veilig briesje de kusten passeert, / en bang om zijn schuitje op zee te wagen / met kortere roeiriem op het land aanhoudt.’)

William Gaddis legt op de tafel van Reverend Gwyon, in The recognitions, boeken van o.a. ‘Denys the Carthusian’, Euripides en een auteursnaamloos boek met de titel De contemptu mundi, waarvan Steven Moore zegt dat het kan gaan over het boek Over de waardeloosheid van de wereld van Denijs of een traktaat van Sint-Bonaventura kan zijn. Maar ook Petrarca en Erasmus schreven een boek met deze titel.

« Mais, comme un homme qui marche seul et dans les ténèbres, je me résolus d’aller si lentement et d’user tant de circonspection en toutes choses, que si je n’avançais que fort peu, je me garderais bien au moins de tomber. »

René Descartes, Discours de la méthode, In : Œuvres et lettres, Bibliothèque de la Pléiade, 1953, p. 136

En in een brief aan Mersenne, verzonden uit Amsterdam van april 1634, waar het gaat over Galilei, herhaalt hij min of meer de woorden van Ovidius die in Tristia schreef: ‘crede mihi, bene qui latuit bene vixit, et intra fortunam debet quisque manere suam.’ (III, 4, v. 25-26) wat door Wiebe Hogendoorn grof vertaald werd als ‘Wie in de luwte leeft, leef goed, wil dat geloven ; / Elk moet content zijn met zijn plaats op aard.’ als Descartes schrijft « […]; et le désir que j’ai de vivre en repos et de continuer la vie que j’ai commencée en prenant pour ma devise : bene vixit, bene qui latuit, […]. » wat een echo is van Epicurus’ ‘λάθε βιώσας’, ‘leef verborgen’ en door Samuel Beckett herhaald werd in een brief van 17 november 1985 aan David Warrolow : ‘I continue to huddle in my corner trying in vain to agree with Descartes that bene qui latuit bene vixit. A bit late in the day.’ Eerder had Erasmus deze woorden als zijn  lijfspreuk gekozen en eeuwen later nam Jacob Burckhardt de levensles over en maakte die dan weer tot de zijne.

Willem Elsschot vermaande zijn zoon Walter in ‘Brief aan mijn zoon’ niet te gaan strijden maar aan de zijkant toe te kijken (niet te juichen maar een gezicht te trekken als ‘wacht maar smeerlappen’) want ‘De wijze gaat liefst onopgemerkt voorbij.’ En kunnen we Spinoza vergeten die in een brief op 30 maart 1673 geschreven aan J. Ludwig Fabritius afziet van een openbaar ambt als ‘professor’ omdat hij beseft hoe zijn woorden verdraaid zullen worden : ‘Dit heb ik nu al ondervonden, terwijl ik een ambteloos en teruggetrokken leven leid, […].’

Hoeveel keer is de moraal van de fabel ‘De krekel’, geschreven door Jean-Pierre Claris de Florian , niet herhaald, steeds gemompeld, en hoeveel keer niet te laat gemompeld: « Pour vivre heureux, vivons caché. » ? Ook het Nederlandse spreekwoord ‘Een vergeten burger, een gerust leven’ doet ons huiveren.

En waarom zou men Thomas a Kempis tegenspreken als hij schrijft ‘in omnibus requiem quaesivi et nusquam inveni nisi in angulo cum libro’, ja waarom als we het zelf steeds maar weer herhalen en gelezen zien bij Umberto Eco in zijn Naschrift bij De naam van de roos en wat door Henny Vlot vertaald werd als ‘In alles heb ik rust gezocht en ik heb die nergens gevonden dan alleen in een hoek met een boek.’

Lucretius volgde zijn leermeester als hij in De rerum natura (V, 1117-1130) schreef ‘quod siquis vera vitam ratione‘ gubernet, / divitiae grandes homini sunt vivere parce  / aequo animo; neque enim est umquam penuria parvi. / at claros homines voluerunt se atque potentes,[…]’, wat door Marguerite Prakke vertaald werd als ‘Maar als men nu volgens de ware leer [d.i. de leer van Epikouros]  zou leven / dan zou een sober en tevreden leven de grootste / rijkdom zijn ; aan weinig zal immers nooit gebrek zijn. / Mensen willen heel graag machtig en beroemd zijn, / […]’. En zijn grote, nu vergeten leerling J.H. Leopold, schreef in de bundel Oostersch, ‘Een druktemaker is, wiens naam bekend is, / een intrigant, wiens leven afgewend is. / Waarlijk, hij ware ’t wijste daaromtrent, / die niemand kent en die van geen gekend is.’ (XXVII).

Eenzelfde sfeer van een teruggetrokken, goed leven, vinden we bij Horatius’ Ode 1.9, door Paul Claes vertaald als ‘Aan de tafelmeester’, een oproep om binnen te blijven en de wereld buiten te laten maar toch het meisje op te zoeken: ‘nunc et latentis proditor intimo / gratus puellae risus ab angelo’ : [op] naar je meisje, dat met lief gelach verraadt / waar ze in een schuilhoekje te wachten staat,’ – ach een meisje, of een boekje. In zijn gedicht ‘Winter’ herinnerde Poot ons aan deze wijsheden: ‘O vrienden, houdt u toch verborgen / Eet vlees, drinkt oude wijn en laat de hemel zorgen.’ En dat enigszins vulgair gebondigd wordt tot ‘oost west, thuis best’.

« Il vaut mieux vivre obscur que régner sur des êtres,
et souffrir seul, pourceaux, qu’être heureux où vous êtes. »

Henry de Montherlant, Chant de Minos, 1949

En wij zouden de wereld willen veranderd zien ?

Advertisements