2 concordanties

door johan_velter

hugo-claus_sfcdt_de-traagheid

Het is pas onlangs dat ik besefte dat de regels ‘zwart in den kouden tijd / staan de torens der droomen’ naar Hölderlin zouden kunnen verwijzen. Het magistrale gedicht Een winter aan zee (1937) van Adriaan Roland Holst is na al die jaren nog even intact en intrigerend gebleven. In het vijfde deel van dit gedicht, 4de gedicht (of moeten we spreken van strofe?): de torens der dromen die vernietigd worden zijn een wraakoefening van de goden op de mensen – dankzij de vooruitgang zijn het nu mensen die andere mensen de geest ontnemen, zie de kleine Erdogans, de Trumps, de plaatselijke potentaten, de Orbans, de cult – nee, ook hier moet ik zelfcensuur toepassen, de laatste stap voor de sprong.

In het daaropvolgende gedicht is sprake van de ‘zij’, de geliefde, een waanbeeld, ook zij verblijft ‘in een toren alleen’. De toren is het beeld van de eenzaamheid, de opgeslotenheid, het leven zonder warmte.

Bij Hölderlin lezen we de slotregels van het gedicht Hälfte des Lebens : » Die Mauern stehn / Sprachlos und kalt, im Winde / Klirren die Fahnen. « Ook hier is er sprake van een ‘toren’, een ‘kamer’ die het personage belet te leven, de wereld te betreden: de muen zijn het beeld van de winter, de eerdere verzen zijn : » Weh mir, wo nehm’ich, wenn / Es Winter ist, die Blumen, und wo / Den Sonnenschein, / Und Schatten der Erde? / Die Mauern stehn […]. « Zonder mensen en hun fantasie, hun denken, is de wereld doods en verdorven.

In het gedicht ‘Gildas’ (Goede geschiedenissen, of een A.B.C. van kinderheiligen) brengt Hugo Claus ‘de voorbeeldige traagheid’ ter sprake. Hij had een gelijkaardig idee al eerder gebruikt. In het vierde gedicht uit de reeks Het Jansenisme (1975) (het spijt mij, maar weer moet ik op de onnozelheid van De Bezige Bij, die we nu noemen De bazelende blaas, wijzen : in de verzamelbundel Gedichten 1948-1993 (1994) wordt deze reeks Het Jansemisme genoemd en dat gebeurde ook weer in Gedichten 1948-2004, deel I, (zie ‘Inhoud’) luiden de laatste regels:

De wijze traagheid van Rome
verdorde de bomen, de dromen.

De traagheid is uiteraard een zonde, er moet niet alleen gewerkt worden, een traag geloof is een zwak geloof. Wij vertalen dit naar een economische doem, cultuurhistorisch moeten we spreken van een antropologische eigenschap, 1 van de elementen die een mens doen leven. In zijn bespreking van de reeks Het Jansenisme, schrijft Dirk De Geest (Spiegel der Letteren, jrg. 26 (1984): ‘De ‘wijze traagheid van Rome’ – mogelijk gaat het hier om een allusie op het bekende anagram Roma, mora – [Rome, uitstel, een verzuchting over het lange twijfelen van de paus over allerlei kwesties, JV] wordt hier als bewuste of onbewuste oorzaak aangewezen voor de geleidelijke aftakeling van ‘de bomen, de dromen’.’ Maar misschien gebruikt Claus die ‘wijze traagheid’ wel ironisch en of die nu wijs en/of traag was, is onbelangrijk: het is Rome, het geloof, dat mensen en natuur doet verdorren.

Dirk De Geest toonde aan dat aan deze reeks gedichten het boek Le Jansénisme van Louis Cognet uit de reeks Que sais-je ten grondslag lag. De reeks van Claus verscheen oorspronkelijk in 1975 bibliofiel, werd in 1978 in de bundel De wangebeden opgenomen, vervolgens in de verzamelbundel Gedichten 1969-1978 (1979) en uiteraard ook in Gedichten 1948-1993 (1994). Maar het is pas vanaf deze laatste bundel dat Hugo Claus als ondertitel ‘(Que sais-je?)’ heeft opgenomen. Is dit een tegemoetkoming aan zijn criticus, een hint dat er toch nog een andere bron speelt?

Advertisements