het haar en de ziel

door johan_velter

margareta-van-eyck_jan-van-eyck-1439

Ah, de Vlaamse ziel, leer me ze kennen. De Vlaamse Primitieven worden niet alleen schilderkunstig geprezen, terecht, volledig terecht, maar ook om het weergeven van een ernstige houding. De geboorte van het humanisme, zoals Todorov beschreven heeft, Tzvetan Todorov, die vandaag op 77-jarige leeftijd overleden is, de man die de vrijheid bezongen heeft, die aandacht had voor het belang van de publieke ruimte. Daar hebben de nationalisten en katholieken van gemaakt: de ingetogen houding tegenover God, de dankbaarheid van de mens tegenover zijn schepper, het schone, Vlaamse land. De tijd van de Vlaamse Primitieven was een wondere periode waar iedereen boeken las, gebeden prevelde, hand in hand door het slijk waadde en urenlang stil kon zijn. Vooral dat laatste is benijdenswaardig.

De superkatholiek is Jan Van Eyck. Het Lam Gods, wat in het buitenland het Gentse altaarstuk genoemd wordt, men zou eens moeten weten!, is daarbij het beste bewijs. Niet alleen is dit een hoogtepunt van het Middeleeuwse schilderen maar ook van het Middeleeuwse geloof: wat een kracht, wat een diep geloof, wat een waardigheid. Deugdzaamheid, in het buitenland noemt men dat Vlaming-zijn.

Één van de mooiste portretten die we van Van Eyck kennen is dat van zijn vrouw Margareta van Eyck, een paneel op eikenhout dat nauwelijks 41 cm hoog en bijna 35 cm breed is. Het schilderij kan in een grote boekentas. Het hangt in Brugge, de gotische stad en is nog steeds gevat in de oorspronkelijke lijst. Driekwartprofiel, de geportretteerde kijkt ons aan, de mond vastberaden, de handen gekruist (de handen zijn echter niet oorspronkelijk). Alle aandacht wordt naar het licht van het gezicht getrokken, de schilder heeft bewust de verhouding tussen hoofd en lichaam gewijzigd: het moest een portret van een ziel zijn. Het werk is 1439 gedateerd, en behoort dus tot de late werken van de schilder. Bij Van Eyck spreekt men dan van de rijpe jaren, oudere mannen hebben dikwijls (hopelijk) de buik vol van de praal en de pronkzucht en keren zich naar het essentiële: een mens-zijn.

Het zou kunnen dat Margareta van Eyck tot de lagere adel behoorde, toch is ze hier afgebeeld als een burgeres. De kledij die ze op het schilderij draagt is rijkelijk, maar rijke burgers kleedden zich rijkelijk. We zien een vrouw, een huisvrouw is te negatief, want de vrouw kan een actieve rol gespeeld hebben in het bedrijf van haar man. Ze is ongetwijfeld ingetogen, maar ze zit in een ruimte geklemd – er is geen zicht op stad of natuur – men zegt dat in haar ogen het atelier te zien is. Het portret is intiem en intimiteit impliceert ‘echtheid’, geen overbodige opsmuk. Till-Holger Borchert (Van Eyck tot Dürer : de Vlaamse Primitieven & Centraal-Europa 1430-1530, Lannoo, 2010) wijst er op dat dit portret geen ‘muze’ toont: ‘Nee, de houding en de kleding van Margareta verraden dat het schilderij vooral haar maatschappelijke status en dus ook die van haar echtgenoot moest onderstrepen.’ – op die manier verliest het schilderij zijn intiem karakter en wordt het een ‘totentrekkerij’. Op een neutrale manier spreekt hij over de haartooi: ‘haar met fraai kant versierde hoornkapsel’ (idem, p. 149).

In Het reizende detail in de kunst van 1400 tot 1500 (Kunst en schrijven, 2016) schrijft Rembrandt Duits over ‘Het raadsel van de puntmuts’. Hij verbaast er zich over dat tot op vandaag een Middeleeuwse jonkvrouw met een puntmuts geassocieerd wordt. Hij beschrijft hoe men tot die ‘hennin’ gekomen is. Op het schilderij van Van Eyck zien we het begin ervan. Vrouwen begonnen tegen het einde van de 14de eeuw het haar onder de sluier in twee strengen te verdelen, op de slapen werden die opgestoken. Sommige vrouwen hadden meer haar dan andere, die gebruikten dan vals haar (haarstukje is iets neutraler). ‘Zo ontstonden de zogenaamde ‘horens’, die in de eerste helft van de vijftiende eeuw het modebeeld in West-Europa zouden bepalen.’ De vrouw van Van Eyck wordt dus afgebeeld als een modieuze vrouw, iemand die de mode volgde. Wij noemen dat een hersenloze lel, maar dat is uiteraard zeer oneerlijk.

In dat artikel wordt verwezen naar het schilderij ‘De heilige Eligius’ van Petrus Christus, dat toch gewoon Sint-Elooi is,

petrus-christus_sint-elooi-1449

omdat het haar van de vrouw nogal erg opgestoken is en men ziet dan ook het artificiële ervan. De haardracht is bijzaak geworden, de horens behoren tot de versiering. Het schilderij toont een ingetogen tafereel, vol van symboliek: Elooi zal aan een vinger van de uitgestoken hand een waardevolle ring schuiven, trouw is de boodschap. Elooi is hier niet alleen een edelsmid maar ook een zielenweger: de materiële rijkdom staat tegenover de innerlijke. Het is onduidelijk welk standpunt de schilder inneemt. Hij veroordeelt niet de rijkdom, maar zo katholiek is hij nu ook weer niet dat hij de wereld afwijst. Er lijkt een gulden middenweg gevonden te zijn. We zien dus de innerlijke beleving van de godsdienst, het standpunt van Erasmus.

In een Lannoopublicatie van het Groeningemuseum (2011) schrijft Katharina Van Cauteren, dichteres in de school van Huts, ook een Vlaamse primitief: ‘Het rode gewaad van zware, lakense stof, afgebiesd met bont, en de sierlijke hoofdbedekking zijn erg modieus – en allesbehalve goedkoop. Bovendien is haar voorhoofd volgens de eigentijdse smaakopvattingen geëpileerd, zodat de haarlijn pas hoog op het hoofd begint.’ Het is onduidelijk, schrijft ze, wat de status van het portret is. Een intiem portret door het karakter en het onderwerp, maar een representatieve functie door de Latijnse inscriptie op de lijst die ze niet vermeldt of vertaalt. De vertaling is dus: ‘Mijn echtgenoot Johannes voltooide mij op 17 juni 1439 / 33 jaar oud. Alc ixc xan.’ De laatste woorden zijn de lijfspreuk van Van Eyck: ‘als ik kan’, zoals ik het doe.

Modieus, zeer modieus, smaakopvattingen, rijke, dure stoffen. En toch kunnen we er niet onderuit: dit portret is intiem, ingetogen, er is godsvrucht voor de katholieken, maar we kunnen er ook een afstandelijk humanisme in zien, een niet-sentimenteel leven. De problematiek is dat we dit niet meer kunnen begrijpen.

De ‘horens’, het opgestoken haar, moet toch verwijzen naar de duivel – hoe kan dit in die tijd zo sociaal aanvaard zijn? Wij zien dat modieuze niet meer, en denken dat het nu eenmaal tot de geplogenheden van die tijd behoorde. Wij laten ons leiden door de blik, het gezicht, de mens en laten het materiële vallen. Kan u zich voorstellen dat men binnen 5 eeuwen een portret van een oude vrouw met een ring in haar neus devoot en ingetogen zal noemen?

Als Van Eyck zo’n katholiek was, en zo op de hoogte van de theologische fijnslijperij, heeft hij dan nooit gedacht aan de woorden van Jan van Ruusbroec (1293-1381 – zet deze data af tegen wat hierboven geciteerd is) uit diens Vanden gheesteliken tabernakel? ‘Si maken ane hare hoefde bulte van hare, dat sijn des duvels neste daer si in sculen. Maer dunct hen dat si edel sijn van gheboerte (hoe smakelijk dit dunct hen !), so moetense hebben ane hare anschine cromme hoerne alse gheiten, daer si den duvel mede gheliken.’ Ik citeer uit Ruusbroec, de wonderbare (Davidsfonds, 1932) en pater Van Mierlo voegt aan bovenstaande passage toe: ‘Men ziet het: onze mysticus windt er geen doekjes om, ’t mag gezegd.’ (p. 89). Wie is devoot? Wat zien we?

En hoe hedendaags de haarmode van toen is. Het mannelijk gemeen scheert het haar weg en behoudt enkel een tapijt op de bovenste zijde van de schedel (zie de iets gesofisticeerdere kanselier Rolin). De vrouwen maken zich bulten.

haartooi_foto-mike-blake_-janelle-monae

3

Advertisements