over een man die nee zei (3)

door johan_velter

francois-garde_estienne-de-la-boetie

O, zegt men, de hogere belangen! (‘Follow the money’.) Hoger dan een mens, zijn belangen echter nooit. Een rationele ordening is een democratische omdat de belangen van elkeen afgewogen kunnen worden, omdat de stalpolitiek niet mogelijk is. Volg de machtshonger, volg de stank van de onderdrukking.

Men vraagt me soms (dit is een literaire figuur, men vraagt mij niets), men vraagt me soms wat dat ‘republicanisme’ dan wel betekent. Een simpel voorbeeld is te vinden in de republiek der letteren. In France is het belangrijkste boek van de politieke filosofie, ik spreek natuurlijk niet van Machiavelli, maar wel van de grote Estienne de la Boétie (1530-1563), de humanist, Discours de la servitude volontaire, voor iedereen verkrijgbaar voor 2 euro. Elke leerling kan voor 2 euro weten wat een mens waard is, en wat er ook gebeuren zal: dit boek is voor altijd een waardemeter. Het essay waarin de filosoof, de vriend van Montaigne, uitlegt waarom mensen vrijwillig in slavernij gaan en hoe dat ingaat tegen de menselijke waardigheid, wordt gevolgd door De la liberté des Anciens comparée à celle des Modernes van Benjamin Constant en als toemaat krijgt men ook nog het gedicht Le loup et le chien van Jean de La Fontaine. In een republiek wordt dit soort teksten verspreid onder het volk, de samenleving weet dat een vrije stem noodzakelijk is en dat de repressie antirationeel en dus van rechtste signatuur is.

De dictatuur steunt op het slechtste van de mens, daarom wil een tiran, hoe kort of hoe lang ook, het slechte in de mens bovenhalen. Een dictatuur corrumpeert iedereen en daarom is de staatsordening van het grootste belang: als het establishment corrupt is, kan het nooit een elite zijn.

Als de kop rot is, stinkt de vis.
Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.
Mijn naam is haas, maar de rat is mijn baas.

En ik weet dat de Franse republiek een ambigue zaak is, waar de staat een al te dominerende rol speelt en waar die staat ook immoreel te werk gaat. Vergeet nooit de aanslag op de Rainbow Warrior, het Greenpeace-schip, dat onder de socialistische president Mitterrand werd opgeblazen, op zijn bevel. Maar, zegt men, zijn vrouw Danielle Gouze, dat was een echte socialist. Ja, en die moeder heeft haar zoon tot wapenhandelaar opgevoed, de socialistisch opgevoede zoon leverde wapens aan Afrika. Vergeet ook nooit hoe het Franse establishment zichzelf bevoordeelt en hoe gesloten die samenleving is.

francois-garde_leffroi

In L’effroi beschrijft François Garde deze ambiguïteit op een subtiele manier: hij ontmaskert hoe de macht de opstand misbruikt, zichzelf siert met humanisme (maar dat humanisme wil vernietigen) en hoe de individuele ethiek gecorrumpeerd wordt door het systeem. De macht steelt niet alleen de ideeën maar ook de woorden, wat eens vrijheidswoorden waren, worden onderdrukkingsmechanismen. De macht steelt niet alleen het materiële van het volk, niet alleen de woorden maar ook de moraal, de rationele samenlevingsvormen. Daarom is literatuur onlosmakelijk verbonden met een humane maatschappij. Dat in de     enzovoort – hier moet ik zelfcensuur toepassen. In een passage wordt direct verwezen naar de tweeslachtige houding van de Franse cultuur: het establishment heeft altijd marginale figuren opgenomen en gefêteerd, in die cultuur wordt de nee-stem gecelebreerd, tegelijkertijd verandert er niets aan de machtsconcentratie. Denk aan Serge Gainsbourg, de clown.

Sébastien Armant is altviolist. In de Opéra Garnier komt de welbekende dirigent Louis Craon op. In die naam horen we Kreon weerklinken, de tiran die Antigone veroordeelde: zij liet de menselijke wetten primeren op die van de staat. De dirigent begroet het publiek en het orkest met gestrekte arm, het teken van de nazi’s (de roman speelt zich wel degelijk in deze tijd af – dit is het ‘ongeloofwaardige begin’ – zie eerder). Niemand reageert, maar Armant is ontzet. Er is een gewetensconflict gaande en dan staat hij, als enige op, hij draait zich om en wil weggaan maar omdat iedereen in de orkestbak op elkaar gepakt zit, kan hij niet zomaar de andere orkestleden passeren. En dus is het beeld van de rug van de muzikant het pakkende beeld dat gefilmd wordt, dat later een foto zal worden. Toevallig heeft de fotograaf een sublieme invalshoek gehad: het gebaar van de dirigent krijgt een parallel in de neergelaten strijkstok van Sébastien Armant: enerzijds de agressie, anderzijds de cultuur die nee zegt.

Door de daad van de enkeling ontstaat rumoer, het publiek applaudisseert,  het orkest roert zich dan ook. Dan begint de miserie voor onze held Sébastien Armant.

Hij wordt bij de baas geroepen, uiteraard een politieke benoeming, een culturele onbenul die alles zal veranderen en nog nooit met een muzikant gesproken heeft. Hij wil het publiek verruimen en is daarvoor in de banlieue naar mensen gaan zoeken. Ah, de publieksverruiming om niet te moeten denken en handelen, om de cultuur zelf niet te moeten verdedigen. Een van die projecten was die avond begonnen: de opera werd rechtstreeks door de televisie uitgezonden en door de strubbelingen heeft men een vervangprogramma moeten inlassen. De directeur is woedend op die smeerlap die het hoofd niet gebogen heeft: zijn uitzending is in duigen gevallen en weet hij dan niet welke hypotheek hij gelegd heeft op de samenwerking met derden, hoe die nu in de toekomst onmogelijk zal zijn.  En hoe durft hij, zo’n muzikant, zo’n onbenul, een cultuurling, zelfs niet de eerste viool, zo maar ongehoorzaam te zijn aan de wetten van de dirigent? Weet hij dan niet hoe al die mensen, die een ticket gekocht hebben, zich nu bekocht zullen voelen. Zijn naam! Zijn naam! Besmet!

Maar de kranten berichten positief over die held uit de orkestbak, toch geen operaheld. Er komt een telefoon van de minister die voelt hoe de wind keert, enfin Armant wordt door zijn eigen baas gedesavoueerd (want hij is bang voor de honden die boven hem staan) maar als de bovenhonden keren, keert ook de onderhond en de baas haalt de eer naar zichzelf.

En dan komt de grootste uitvinding van deze tijd in werking. De communicatie-afdeling! De nieuwe Beëlzebubs komen huppelend het podium op. Armant wordt geschoren, krijgt een nieuw hemd, wordt begeleid door een persoonlijke assistente, wordt in allerlei nieuwsprogramma’s opgevoerd, daarna in alle onnozele programma’s waar hij een onderdeel van het entertainment wordt. Wanneer de aandacht van de media begint te wankelen, wordt het vuurtje verder opgestookt door de propaganda-afdeling zodat Armant nog meer in de media moet verschijnen. Enzovoort. François Garde beschrijft een hellegang, de communicatiespecialisten zijn  geen communicanten maar de duivels, steeds verder moet hij afdalen in hun hel. De anderen (politici, mediafiguren) gebruiken valse retoriek, hanteren de hoge woorden. Armant tracht steeds bij de grond te blijven: beschrijft zijn daad zonder pathetiek, zelfs met humor!, verwoordt zijn twijfels. We zien het conflict tussen de ideologie van de leugen en de waarheid van de aarde. De leugen die altijd en overal dezelfde gedaante aanneemt, de waarheid die steeds verschillend is. Niet de opera, niet de muziek, niet de waarden die de muziek wil doorgeven zijn nog belangrijk, maar wel de etalage. Het winkeltje-spelen. De commercie. De propaganda.

We zien hoe de hedendaagse media de medeplichtigen van de macht geworden zijn. Hoe ze de moraal als aas gebruiken om hun leegte te vullen en wanneer de sensatie verdwenen is, geen aandacht hebben voor wat werkelijk gebeurt. Dat er bovendien geen lessen getrokken worden uit het aanklagen van de corruptie – corruptie is in de eerste plaats normvervanging, het geld is daarbij onbelangrijk. Wie van ons heeft ooit gehoord dat een politicus zei: ‘ik zou willen dat de mensen beter worden, dat ze zelf geciviliseerd worden en beter omgaan met anderen; ik zou willen dat ze slimmer worden, dat ze op een bedachtzame manier de publieke ruimte betreden. Ik zou willen dat men een humaan ascetisme leeft.’? Wat Dante beschreef: zij die het authentieke besmeuren en tot drek maken. Het authentieke wordt door de communicatiefascisten geëxploiteerd als het authentieke – luister naar Klara, hoe alles verwordt tot superlatief en daardoor leeggezogen wordt. De honger van het Beest.

L’ivresse du pouvoir, l’ivresse de l’image.

François Garde is echter, ik heb al gezegd dat hij een ambtenaar is en dus weet hoe de mechanismen werken, nog subtieler. Het oorspronkelijke ‘nee’ van de hoofdfiguur, wordt immers plots een ‘ja’: hij zegt ja tegen de communicatiefascisten, ja tegen de presentatrices, ja tegen de sterren van de leegte, ja tegen de commercialisering van de ethiek, ja tegen zijn tijd. En zie, plots staat de hele meute aan zijn kant en voor de aandachtige lezer wordt dit wel heel subtiel gespeeld. Waar Armant eerst de enkeling tegen de massa was (de zwijgende meerderheid), is hij een pion van die massa geworden en … het is Craon die plots meer sympathie krijgt: hij is de man die alleen stond en staat, hij is de man die nee zegt, nee tegen het systeem, nee tegen de zelfbeschuldiging, nee tegen die wereld die elk idee tot een product maakt en elke mens vernedert tot de beperkheid van een klant. Maar versta dit goed, François Garde is geen Robert Brasillach, hij verdedigt geen dictatuur of onderdrukking, hij schuilt ook niet onder de vlag van het rood of het groen of het alternatief: hij spreekt over een mens die fatsoenlijk wil leven en daarom zijn levensomgeving niet gecorrumpeerd wil zien. François Garde beschrijft hier wat met Charlie Hebdo gebeurd is: plots bleek deze redactie tot het establishment te behoren, plots waren dit de vrijheidsstrijders en de verdedigers van het gezond verstand. Ze werden onschadelijk gemaakt – maar zie, hoe zij (zij wel) dat geweigerd hebben. Humor is onlosmakelijk met intelligentie verbonden – daarom vindt het dictatorvarken dat er met hem gelachen wordt: hij heeft geen intelligentie. De roman van Garde is daarmee niet alleen een roman maar ook een handleiding om niet in de valstrikken van het kwaad verzeild te raken.

francois-garde_leffroi-2

Het boekbandje van de uitgever zegt ons dat dit het verhaal is van ‘un héros d’aujourd’hui’, wat uiteraard een cynische verwijzing is naar Lermontov’s Een held van onze tijd (1840). Wat beiden verenigt is dat ze slachtoffer van hun tijd zijn, de een in zijn onverschilligheid, de ander in zijn betrokkenheid. En in de roman wordt Sébastien Armant met Craon verbonden in een ingewikkelde relatie, natuurlijk blijft Armant de nazigroet veroordelen, ook het rechtse ideeëngoed maar er is een verstrengeling van individu tot individu. Net zoals Craon zoekt ook Armant de eenzaamheid van de natuur op, vindt hij in het stilzwijgen een refuge, en beiden veroordelen deze tijd van smeerlapperij en de trawanten die deze corruptie in stand houden. Er is niet noodzakelijk een dictator om een dictatuur te hebben, maar het systeem steunt wel op die beklagenswaardige figuurtjes die als een schoothond keffen. Om Karl Marx te parafraseren: vrees de zweep die van zichzelf denkt een genie te zijn. De beide figuren behoren tot les justes omdat beiden zich een ideale maatschappij gevormd hebben, omdat beiden de commercialisering en de teleurgang van de cultuur ter harte genomen hebben. Er is geen zuiverheid, het azuur is een leugen. In welke tijd leven we dat men denkt om de mens te redden zijn toevlucht te moeten zoeken bij de mensverachters?

De laatste woorden die Cathy Berberian zingt in het stuk dat Lucio Berio voor haar geschreven heeft, zijn ‘Libera nos’. Dood, kom ons halen. Dood, heb mededogen.

Advertenties