een cartesiaanse steen

door johan_velter

pierre-boulez

Ernst-strengheid-precisie-structuur-gedachte.

Het is zelden dat musicologische werken aangenaam om lezen zijn, zeldzamer dat ze ook begrijpelijk geschreven zijn voor een amateur als ik. Emanuel Overbeeke is met zijn boek Een meester zonder hamer : Pierre Boulez 1925-2016 een uitzondering. De titel verwijst naar de dichtbundel Le marteau sans maître van René Char (dat onlangs nogal ongelukkig door Anno Lampe vertaald werd als De onbeheerde hamer (IJzer, 2106 [=2016]). De meester, Pierre Boulez, gebruikte echter wel degelijk een hamer om het nieuwe mogelijk te maken, om het oude te verdelgen. Hij was niet te beroerd om zijn intelligentie op een juiste manier te gebruiken. Dit boek is een inleiding op het werk van Boulez, toont de mens, de dirigent, de componist, de schrijver, de organisator.

De index achteraan het boek is niet zeer accuraat, geloof niet altijd de paginanummers. Diderot is niet te vinden op p. 126 maar op p. 127. Ligeti is op p. 125 in de tekst te vinden maar volgens de index moet dat in noot 2 zijn. De rest zoekt u zelf maar uit, in de 21ste eeuw is alles beter georganiseerd en geautomatiseerd.

Opvallend is dat René Descartes volgens de index in dit boek niet vernoemd wordt – dit is onjuist, op p. 58 staat over de muziek van andere Franse componisten als Dutilleux, Messiaen, Jolivet, Roussel en Poulenc dat dit ‘een mélange van Descartes en haute couture’ is. Helaas heeft de auteur nagelaten hier een bron te vermelden. Pierre Boulez en René Descartes hebben natuurlijk veel meer gemeen dan wat in deze publicatie (nl. niets) vermeld wordt – tenzij de auteur met het Franse classicisme ook het cartesianisme bedoelde of met de ‘Gallische helderheid’ (p. 79) het rationalisme van Descartes aanduidde. Of: hoe een filosoof aanwezig is zonder vernoemd te worden.

Op Klara liep onlangs op zondagavond een reeks ‘Vlaamse reuzen’, over de zogenaamde pioniers van de oude muziek. Dat Vlaamse reuzen konijnen zijn die te zwaar en te lomp zijn om vrij te kunnen rondlopen, is een associatie die blijkbaar niet gemaakt werd. Dat deze verdediging van de oude muziek het musicologische denken heeft teruggeworpen naar een premodernisme, werd op geen enkel moment vermeld. Dat die oude muziekpraktijk eigenlijk hetzelfde is als wat gebeurd is met de Vlaamse primitieven in de schilderkunst, is een gedachte die nooit heeft kunnen geboren worden. Dat die oude muziekstijl een pseudostijl is, heeft ook Adorno aangetoond en in dit boek lezen we er hier ook weer een bevestiging van. Muziek is levende muziek (de tijd is het wezenlijke element van muziek) en wordt altijd in het nu uitgevoerd en beluisterd. Gelukkig hij die muziek kan lezen.

In zijn activiteit als dirigent heeft Pierre Boulez steeds weer pogingen ondernomen om muziek van die impressionistische en romantische vuiligheid van gemakkelijk sentiment te ontdoen waardoor ook werk als van Debussy plots weer helder, duidelijk en correct kon worden. De maniertjes om de muziek te laten trillen, de langdradige verwijlklanken, het koket opspringen van het ritme: weg met de rommel. Zijn mislukkingen zijn z’n grootste triomf: hij heeft het Ircam in Paris geleid (president Pompidou is een van de grote onderschatte figuren in het na-oorlogse Europa) maar het resultaat van al dat ‘onderzoek’ heeft niet geleid tot een doorbraak van de nieuwe muziek. Alles hangt af van persoonlijkheden, niet van techniek.

Boulez als Diogenes die Alexander vraagt uit zijn licht te stappen: ‘Als Boulez hoort dat de president [= Georges Pompidou] aan de lijn is, reageert hij met ‘Ik heb het druk, laat hem maar terugbellen’, wat de president doet.’ (p. 43)

De verwantschap met Picasso: ‘All these years, I’ve been trying to convince people that music is not there to please them; it’s there to disturb them.’ (p. 50)

De zekerheid van Boulez die steeds terugkeert: ‘(Boulez’ muziek is nooit onzeker of richtingloos)’ (p. 61-62).
De meester die beheerst: ‘zodat hij haar [seriële techniek] vervolgens optimaal naar zijn hand kan zetten.’ (p. 65)

De muziek als kracht, principe: ‘Zijn muziek is in principe die van een tovenaar die zijn luisteraars bij voorkeur in de greep houdt van zijn magische klanken en hoopt dat de luisteraar na afloop een ander mens is geworden.’ (p. 67)

De zekerheid, eigenlijk niet de zoektocht: ‘[…] Boulez [staat in de traditie] van het modernisme, waarin de zoektocht op hoog niveau naar nieuwe vormen zonder een referentie aan bestaande modellen belangrijker is dan de expressie van bekende ideeën en emoties.’ (p. 73)

De belangrijkste hedendaagse componist die het hedendaagse veroordeelt en dit laatste zo ontmaskert als opgelegde smeerlapperij: ‘Kunst is voor hem evenzeer het resultaat van denken als van verbeelden. ‘Doordachte kunst’ zonder voldoende verbeeldingskracht is hem evenzeer een gruwel als kunst die zijns inziens te zeer drijft op improvisatie en toeval. […] een toondichter moet eerst zijn vak volledig beheersen voordat hij het zo persoonlijk mogelijk kan hanteren.’ (p. 120)

Karakter want ‘beleefdheid betekent niet per definitie meer begrip en tolerantie.’ (p. 127)

Het boek van Overbeeke maakt niet duidelijk wat het filosofisch standpunt van Pierre Boulez is, en dat is misschien wel het grootste gebrek van dit werk. Zo schrijft hij op p. 132: ‘Boulez verwerpt nog steeds resoluut overgeleverde modellen en stelt daar de deductie tegenover: exploitatie van het basismateriaal.’ Wat toch eerder op inductie lijkt, niet het denken vanuit het systeem maar vanuit de atomen.

‘Het concert is geen divertissement […].’ (p. 189)

‘[…] de echt interessante componisten intrigeren door hun persoonlijkheid en hun fundamentele overdenking van compositorische vragen […].’ (p. 205)

‘Hij wilde geen schip zijn op een rivier, maar een rotsblok dat de loop van een rivier verlegt. Dat hem dat is gelukt, is eveneens duidelijk.’ (p. 233)

‘In 2006 verklaart hij in een interview: ‘Ik verkeer het liefst in het gezelschap van anarchisten.’ (p. 236)

Advertenties