hugo claus, anti-bollandist (14)

door johan_velter

hugo-claus_goede-geschiedenissen_thierry-renard_wenceslas

Wenceslas, prinsje van het noeste Bohemen
en Xystus, papabile van zijn twaalfde jaar,
studeerden beiden kerkelijk recht.

Het sneeuwde die zomer, de zomer
van hun executie.
Hun grafzerk is gratis te bezoeken
op het kerkhof Praetextatus
(ja, vertaal maar: vóór de tekst)
op de Via Appia
(de weg van de gemotoriseerde hoeren).

Het sneeuwde die zomer
en de vlokken werden lotjes
van de lotto. Zo dwarrelt ons geluk.
Wenceslas en Xystus.
Beiden rot van  talent,
beiden aan de overkant die niemand kent.

Met dit gedicht, het 22ste uit de reeks Goede geschiedenissen, of een A.B.C. van kinderheiligen, staat Hugo Claus midden het katholicisme: adel, pausen, rechtspraak, studiën, executie, verering, geloof, Latijn, hoeren, loterij, hiernamaals. De prent van Thierry Renard toont ons twee vrolijke jongens op een slee. De een heeft zijn muts de lucht ingestoken, de ander is een bestuurder. Er zijn vlekken wit getekend, ook de sneeuw op de vloer is bijgetekend en daartussen zijn gecijferde bollen te zien. Eerder het lottospel dan de lotto van de loterij. Er is sprake van een contranatuurfenomeen – sneeuw in de zomer. Er is sprake van een kerkhof dat te bezoeken is en er is vooral de weemoed van de laatste strofe. Ons lot dwarrelt in de koude wind. Wat heeft dit leven voor zin als er een overkant is ‘die niemand kent’. Dit is een echo van het gedicht ‘Halloween I’ uit de bundel Alibi (1985): ‘Stil als de dood van een dode die niemand kent / is het overal buiten je kamer / waar je danst in je eentje als tevoren.’

Hugo Claus spreekt over het ‘kerkhof Praetextatus’, het gaat hier over de catacomben van Praetextatus die inderdaad aan de Via Appia te Rome te vinden zijn. Claus geeft ons gratis de vertaling van het Latijnse woord, hij doet dit nogal schamper, alsof hij wil zeggen, nee, je hoeft geen woordenboek te nemen, vertaal maar zoals het je goed lijkt en dan is prae, gelijk aan pre-, dus voor- en textatus is natuurlijk tekst, daarvoor moet je geen Latijn gestudeerd hebben. En dan komt er iets diepzinnigs tevoorschijn: iets van voor de schriftcultuur. Praetextatus betekent natuurlijk iets anders. A. Geerebaert geeft ons in zijn Beknopt Latijns-Nederlands woordenboek (Dessain, 1949)  ‘de toga met purperen zoom dragend’. De pseudo-vertaling van Claus staat tussen haakjes, dan lijkt ‘de weg van de gemotoriseerde hoeren’ ook een pseudo-opmerking. Of moeten we hoeren overdrachtelijk begrijpen? Volgens Tom Holland (Rubicon), vonden de ‘goedkope hoertjes’ hier hun werkplaats – maar dat is nog geen verklaring voor ‘gemotoriseerd’.

Paul Claes voegt toe: ‘Die zomerse sneeuwval in Rome doet mij denken aan het sneeuwwonder dat de oorsprong werd van Santa Maria Maggiore (herbouwd door paus Sixtus III).
Vanwege het verbod op bordelen wemelen alle uitvalswegen in Italië (dus ook de Via Appia) van hoeren, die daar met Vespa’s en andere motoren worden afgezet en door gemotoriseerde klanten worden bezocht.’

Is er ook voor dit gedicht een ‘historische’ bron? Bij Attwater lezen we: ‘Wenceslas, prince, B[orn] in Bohemia’. Hij wordt gedood door zijn broer Boleslav. Attwater geeft Claus dus de mogelijkheid om, zoals de collage van Renard suggereert, een broederpaar te beschrijven: strekking ‘vreugd’ in de jeugd, lood in de dood’. Voor Xystus moeten we in Attwater kijken bij Sixtus. ‘Sixtus the Second, pope and martyr. D[ied] in Rome.’ Het ‘papabile’ dus. ‘He was seized while addressing the faithful in the cemetery of Praetextatus on the Appian Way: […].’ Twaalf jaar wordt niet vermeld maar binnen het gedicht is dit noodzakelijk bij het ‘prinsje’.

Dit gedicht wordt gekenmerkt door mededogen, ja zelfs voor de katholieke gezagsdragers. Er is een (onderdrukte) kwaadheid over de kortheid van het bestaan, de wisselvalligheid van het leven.

De 23ste prent van Thierry Renard geeft duidelijke aanwijzingen: we zien (nog) een meisje, haar pop ligt op de grond, haar toekomstige werktuigen zijn op haar lichaam aangebracht: veroordeeld tot naald en draad. De ogen van de schaar zijn als een bril, die zal ze nodig hebben om de draad door het oog van de naald te steken.

hugo-claus_goede-geschiedenissen_thierry-renard_yves

Toch doet Claus daar niets mee. Hij neemt slechts 1 element over en gaat zijn eigen weg. De prenten zijn dus niet altijd de ‘trigger’. De ene keer overheerst de collage, dan de kerkgeschiedenis, dan de poëzie van Claus zelf. Er is de hele tijd een voortdurende wisseling van inspiratie, zonder dat er een ‘echt systeem’ gevolgd wordt. Het gedicht:

Yves, advocaat, kanunnik en censor,
bijgenoemd De Dolle Schaar,
sprak zijn banvloek uit
over rijmen op papier,
ververijen op linnen,
klonten klei op een voetstuk,
barcarolles en cantates,
over alles wat nooit enig nu
voor het mensdom had opgeleverd.

Zelf vond Yves een zalfje uit
tegen het menselijke verdriet.

In de Toohcsmi-versie, staat ‘advokaat’, zoals overal elders in die uitgave: Claus gebruikte de progressieve spelling, de Hollanders veranderden dit naar de voorkeurspelling. Iedereen die wat Claus gelezen heeft, zal benieuwd zijn of hij ‘kanunnik’ juist geschreven heeft. Niet dus, in de bibliofiele versie staat ‘kannunik’ (Claus en zijn uitgevers!) – ook is dit een aanduiding van hoe we ‘het secretariaat’ van Claus moeten beoordelen, in het bestaan en in de werking. In de reguliere versie, zoals ik hierboven citeer, staat in de tweede regel ‘bijgenoemd’, in de bibliofiele editie staat er nochtans ‘bijgenaamd’, wat juister is. (Claus en zijn uitgevers!). In de laatste regel staat in de Gentse versie ‘het menselijk verdriet’.

De strekking van het gedicht is duidelijk: een iconoclast, een pilaarbijter, een zure geldverdiener, een apotheker (hét scheldwoord bij Ludwig Hohl voor de benepen burgerman, dit is nu al de 5de maal dat ik dit schrijf). Het gedicht kan ook gelezen worden als een kritiek op het na-handelen dat zo typisch geworden is voor onze tijd: men neemt de verkeerde beslissingen, men doet niet wat moet gedaan worden en dan richt men zich op allerlei lapmiddelen om de foute beslissingen te remediëren, terwijl men de initiële onnozelheden moet aanpakken. (Oh, wat weet ik goed waarover ik schrijf!). Had Yves de kunsten niet verboden, dan was er ook geen zalfje nodig. Het nuttigheidsdenken wordt op de korrel genomen.

‘De dolle schaar’ zou een samentrekking kunnen zijn van het café ‘De dolle mol’ in Brussel en de stripwinkel ‘De schaar’ in Gent. De 7de regel verwijst naar de zangkunst, zowel werelds als geestelijk. Een barcarolle is een door Venetiaanse gondeliers gezongen volkslied, beroemd is dat van Offenbach (Belle nuit, ô nuit d’amour / Souris à nos ivresses / Nuit plus douce que le jour / Ô, belle nuit d’amour! / Le temps fuit et sans retour / Emporte nos tendresses / Loin de cet heureux séjour / Le temps fuit sans retour / […]). Cantates, alhoewel niet volledig kerkelijk, worden nu toch vooral geassocieerd met Bach en dus met ‘diep geloof’. In regel 3 veroordeelt de censor de poëzie, in regel 4 de schilderkunst, in regel 5 de beeldhouwkunst. Tenslotte wordt alles wat geen nut heeft door de dichter tot het rijk van de mensheid gerekend – soms moet men omgekeerd lezen, zeker verstaan.

Bij Attwater lezen we dat Yves een priester en een advocaat was. Dat het lemma Yves is opgenomen, is niet evident, men spreekt ‘bij ons’ immers meer van Ivo, zoals ook deze Yves: Ivo Hélory van Kermartin (zie Stijn van der Linden’s, De heiligen). Attwater vermeldt echter niet dat Yves een kanunnik geweest zou zijn, wel was hij een tijd een ‘diocesan judge’ en later een ‘ordained priest’. Maar de kanunnik kan ook begrepen worden in de betekenis van een zelfvoldaan persoon en heeft een klank-functie: 4 maal een k-klank in de eerste regel. Als rechter was hij ‘distinguished for his equity, incorruptibility, and concern for the interests of the poor and ignorant.’ Er is een mogelijke verwijzing naar zijn wereldse afkeer in ‘he gave an example of frugal and unassuming living’, een sober, schraal leven gebaseerd op wettische kennis. Maar dit is waarschijnlijk te vergezocht, te eng interpreterend (Attwater schrijft dit als een positief kenmerk, wat het ook wel was in een Kerk van pronkzucht en hovaardij, nu zijn de kwalijke kenmerken in de politiek te vinden). Claus lijkt hier een eigen weg te gaan, waar enkel de schaar van de prent hem inspireerde tot een anti-vernietigend gedicht. En lees dit gedicht met in het achterhoofd het ‘alles van waarde is weerloos’ van Lucebert – en zie dan hoe veel aardser Claus is.

Het laatste gedicht van de reeks zindert van lichaamsvreugde, is een lofrede op de lichamelijke liefde, de enige liefde. Toch geeft de collage van Thierry Renard daar niet direct een aanleiding toe.

hugo-claus_goede-geschiedenissen_thierry-renard_zita

We zien een triestig kijkend kind, naast haar staat een ander kind, nog net zichtbaar aan de schouder en de schoenen. Rond haar is een krant gedrapeerd, het is nu alsof ze door een raam kijkt (of in de visie van Renard: ze zal voorpaginanieuws worden, ongetwijfeld vermoord). Zoals wel meer van die burgerlijke foto’s is alles doods, oud en versleten, een voorbode van bordkartonnen levens.

Zita van de boerenbuiten. Zita zo jong,
Zita van de keuken.

De bisschop overlaadde je met aflaten.
Hij leerde je veel
maar onderhevig aan zijn koude
kon je niets onthouden.
Je richtte de vakbond op
van zwanger personeel.

Zita, mijn kattenvacht, mijn sterrenwacht,
mijn overmacht,
mijn ziel brandt als een krant.

Zita! De naam alleen al is een kreet van levenslust. Het bergt in zich vita, het leven. Het is kort en krachtig, het begint met de laatste letter van het alfabet en eindigt met de eerste. Alpha en omega. De ‘ta’ roept op, jubelt naar de hemel: tata! tata!

Opvallend is dat Claus haar aanspreekt, zoals gelovigen de heiligen aanbidden en benoemen. Het gedicht steunt op een tegenstelling: het nederige keukenwerk tegenover de bisschop, de warmte van de keuken en de koude van de macht. Het vakbondswerk is heiligenwerk. Het is een noodzaak: de vrouwen die zwanger gemaakt worden door hun Heeren, worden aan hun lot overgelaten. De eerste verzen zijn een biografische keukenroman (de zwangerschap ook): het natuurkind dat in de stad, in de keuken opgesloten wordt. Slechts kilheid ervaart. De laatste verzen zinderen dan weer van de menselijke warmte. Claus gebruikt daarvoor een dierenmetafoor, een natuurbeeld, een onmacht en een ziel die brandt (de ziel staat voor het lichaam, het beste van de mens). Zita doet natuurlijk ook denken aan Mira van de Waterhoek. De foto die bij Yves gebruikt werd, is gesigneerd … Richard Brands.

De Toohcsmi-versie geeft een iets andere eerste strofe, de reguliere versie is hier beter, de bibliofiele duidelijker maar toch nog schoon: ‘Zita van het hooi’:

Zita van het boerenerf, Zita van de keuken
Zita van het hooi

En wat lezen we bij Attwater? ‘Zita, domestic servant. […] At the age of twelve [zie bij Xystus …] Zita entered domestic service in the household of a well-off weaver in Lucca, […].’ Er is geen sprake van een bisschop, wel was ze zeer devoot en deed ze flink haar werk, wat haar niet sympathiek maakte bij de andere meiden. Er is dus een kern die door Hugo Claus gebruikt wordt, die hem lanceert en waarmee hij dan verder aan de slag gegaan is. Zowel de collage als Attwater worden gecombineerd maar allebei slechts gedeeltelijk gevolgd.

Rest me dan nog om iets over het colofon van de Toohcsmi-uitgave te zeggen. Dit boek bestaat uit twee losse delen en eigenaardig genoeg moesten beide schriften ook apart gesigneerd worden. We hebben al gewezen op de niet erg doordachte keuze om te drukken op een gelijnd blad. In het colofon wordt dit nogmaals duidelijk gemaakt : men had immers ook op de lijnen zelf kunnen drukken. De colofonbladen bevatten drie handschriften en o gruwel ook is dit gebeurd op drie verschillende manieren. De uitgever nummerde met potlood, Thierry Renard signeerde met blauwe inkt en Claus met een zwarte fijne stift. Uitgever en Renard schrijven netjes op het lijntje (10 op 10 voor schoonschrift). Hugo Claus zet zijn naam zwierig door de lijnen.

Advertenties