hugo claus, anti-bollandist (13)

door johan_velter

Ultan was een jager.
Dit is tamelijk historisch.

Te paard schoot hij
de ketters aan flarden.

Op een vrijdag reed hij
in het Terkamerenbos, zong een lied

en liet er de teugels los
(want hij was motorisch gestoord).

Zijn paard weigerde. Het steigerde.
‘Wat nu, mij ros?’ kreet Ultan de jager.
‘Het is alsof ik een ezel neuk!’
Dit was het laatste woord
voor zijn schedelbreuk.

De naam Ultan doet ons denken aan donkere bossen, oertijden, ruwe mannen en ruwe zeden, zou je moeten zeggen maar de zeden vandaag ?

We nemen nu eens het boek De heiligen van Stijn van der Linden in handen en zoeken Ultan op: ‘Ultanus van Fosses. […] Zoon van koning Fyltan van Mounster in Ierland en broer van St Foillanus en St Furseus die samen met hen benedictijn en kloosterling was in Burgh Castle (Cnobheresburgh) bij Yarmouth. Stak over naar Frankrijk en werd kloosterkapelaan bij St Gertudis [sic: Gertrudis] van Nijvel. In ca 655 volgde hij Foillanus op als abt van Fosses (nu: Fosses-la-Ville). Na de stichting van de benedictijnenabdij Saint-Pierre boven het graf van Furseus in Péronne volgde hij ook hier Foillanus als abt op.’ Wat een droogzak, hoor ik achter mij verzuchten en moet Claus daar een verhaaltje bij verzinnen?

De goede lezer heeft al kunnen vermoeden dat de collage van Thierry Renard een hobbelpaard zou tonen. De foto is waarschijnlijk wat bijgekleurd maar zeker heeft hij er de familieportretten aan toegevoegd. Hugo Claus gebruikt echter alleen maar het paard.

hugo-claus_goede-geschiedenissen_thierry-renard_ultan

Bij ‘Ultan’ verwijst Attwater ons naar Foillan. Claus had nog kunnen kiezen uit Ubaldo, maar die was niet interessant (‘He was an admirable bishop, noted for his patience and forbearance, […].’, ‘Uganda, martyrs of’, te recent, te zwart en niet op de collages van Thierry Renard te zien – Claus zou heksentoeren hebben moeten uithalen, maar dat is niet onmogelijk ; Ulric of Augsburg’, een ambtenaar; Ursula, al te bekend; en voor Uncumber moest hij bij Wilgefortis kijken en dat is een vrouw. Veel keuze had hij niet bij de U.

We kijken bij Foillan en zoals we al weten van Van der Linden is deze de broer van Ultan. Attwater schrijft echter niet over Ultan maar over Foillan, slechts in de eerste en de laatste regel van het lemma, dat bestaat uit 15 sappige en brede regels, wordt hij opgevoerd: ‘Among the brothers of St Fursey were St Foillan and St Ultan, […]. Ultan succeeded Foillan as abbot of Fosses, and he too was revered there as a saint.’ Als de collagist Renard werkt Claus de dichter: hij zoekt, hij vindt, hij kleeft het een op het ander, hij leent feiten uit het leven van de een en geeft die aan een ander, en wat verdoken zit, werd verborgen.

Donald Attwater vertelt een sappiger verhaal da, Van der Linden, al zijn de feiten dezelfde. Het merkwaardige is hier dat Claus een aantal (kleine) zaken uit het leven van Foillan aan Ultan ‘gegeven’ heeft – over Ultan vertelt Attwater immers nauwelijks iets. Maar omdat het broers zijn, alla, niet getreurd. Claus begint zijn verhaal met ‘Ultan was een jager. / Dit is tamelijk historisch.’ Nee dus. Er is een plaatsaanduiding, Ter Kamerenbos en dit komt overeen met de ‘historische waarheid’ of althans vertelling. De broers zijn immers neergestreken in de abdij van Nijvel, en ze kregen land in Fosses (nu Fosses-la-Vie), provincie Namen. In die tijd strekten de bossen zich veel verder uit dan nu. In de nabijheid van de abdij van Ter Kameren is er overigens een Kindermuseum. Foillan werd in het bos, samen met drie kompanen, door struikrovers gedood. De rest is voor Claus.

Een paard berijden is een seksuele techniek. Die ezel is er niet alleen voor het rijm (neuk/breuk) maar is misschien ook wel een verwijzing naar Gerard Reve en het ezelsproces. ‘En God Zelf zou bij mij langs komen in de gedaante van een éénjarige, muisgrijze Ezel en voor de deur staan en aanbellen en zeggen: ‘Gerard, dat boek van je – weet je dat Ik bij sommige stukken gehuild heb?’ […] zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten, […].’ (Nader tot U, Van Oorschot, 1969, p. 112-113). Een ezel neuken gaan, is natuurlijk een scheldwoord: men kan beter iets anders doen, want dit is al te ezelachtig. De ezel maakt bokkensprongen en daardoor verliest Ultan zijn cadans – met fatale gevolgen.

Het lied dat Ultan zingt, doet denken aan ridderverhalen. Heiligen jagen uiteraard op ketters en het motorisch gestoord zijn is een hedendaagse toevoeging, kan niet uit oude tijden stammen. De kreet is weinig verheffend – de heilige denkt op dat moment niet aan zijn Heer. Het brouwsel van Claus bevat historische elementen, de som der delen is echter vreugde. (In de Toohcsmi-versie ontbeert de vierde regel het beginnend lidwoord.)

Het 21ste gedicht gaat over een dienstweigeraar die gestraft wordt, eindelijk lezen we de folterpraktijken zoals we die geleerd zijn, maar later ontmaskerd wordt als een hypocriet. Hij is een echte West-Vlaming. Geld is beter dan patriottisme – waar is de heiligheid gebleven?

Vitricius wou niet in dienst.
Dat was strijdig, zei hij, met het Nieuwste testament.
Waarop hij werd aangehouden, afgeranseld,
uitgerekt op het rad, met pek begoten,
gevierendeeld.
Zijn fragmenten bleven weigerachtig.
Men verbande hem naar een stadje
vol slaapwandelaars.
Hij ontwikkelde er vrij efficiënte
contactuele vaardigheden met zijn evennaaste.

Maar ongemerkt, in een trillige donkerte,
telde hij elke avond zijn centen. En zong hij
de lof van de vrekkigheid
boven die van de vaderlandsliefde.

In de Toohcsmi-versie luidt de zesde regel: ‘Zijn fragmenten bleven weigerachtig leven’. In beide versies zou de tweede regel tussen aanhalingstekens moeten staan, tenminste als we de conventies van de andere gedichten volgen. (Claus en zijn uitgevers!)

Claus spreekt van het ‘Nieuwste Testament’, Vitricius moet dus als een ketter gezien worden. Vitricius is niet opgenomen bij Attwater, maar wel is er Victricius en daar lezen we dat deze heilige eerst Romeins soldaat was maar christen werd en ‘refused further military service as incompatible with the gospel; for this he was flogged and nearly lost his life.’ Attwater spreekt enkel van geseling (Claus: ‘afgeranseld’), regel 6 is zo verstaanbaar gemaakt: de fragmenten zijn de lichaamsdelen die toch bleven functioneren. (Herinner u de flarden van het vorige gedicht.)

Het ‘stadje vol slaapwandelaars’ lijkt een verwijzing te zijn. Vitricius is bisschop van Rouen geworden. Is Rouen gekenmerkt door zijn slaapwandelaars? Of heeft dit iets met Gustave Flaubert te maken? Of horen we een associatie te maken met Hermann Broch en zijn trilogie Die Schlafwandler ? Ook die ‘contactuele vaardigheden’ lijken een ironische vermaning te zijn. Maar naar wie of wat? Tenzij Claus dit als brug gebruikt heeft naar de collage van Renard: geld verdienen is mensen bedriegen.

De laatste 4 regels zijn duidelijk door de collage van Thierry Renard geïnspireerd: er zijn munten afgebeeld, er is een stuk papiergeld zichtbaar. Het jongetje heeft een open blik, daar kun je mee klappen.

hugo-claus_goede-geschiedenissen_thierry-renard_vitricius

Advertisements