hugo claus, anti-bollandist (12)

door johan_velter

S.
De godgeleerden twisten nog steeds
over wie hij was, de godvruchtige S,
genaamd Secundulus, Saturninus
of Saturus
in de tijd van het edict van Septimus Severus.
Plots is het gebeurd met de genaamde S.
In drie dagen tijd verschrompelde hij
in zijn kleren,
zijn kopje werd zo broos, zo nutteloos.
Hij ademde met schier een vijfde van zijn longen.

Hij bekende dat de duivel hem
in de gedaante van een zieke stier
had besprongen.

Hadden we al twee koeien in deze reeks, nu een stier – en die herinnert ons aan misschien wel het allerbeste verhaal van Hugo Claus, ‘I don’t care’ uit  De mensen hiernaast (1985). Er is een band met de prent van Thierry Renard, nl. het tweede deel van de eerste strofe, maar delen 1 en 3 lijken op zichzelf te staan. En Attwater helpt ons deze keer niet verder: geen Secundulus, geen Saturninus en geen Saturus te vinden. Ook geen S.

hugo-claus_goede-geschiedenissen_thierry-renard_s

Bij Renard zien we een jongenshoofd dat in een hemd met das verzonken lijkt, ja, geschrompeld is tot wat hij worden zal: een volwassene. Het kind ziet er inderdaad niet gezond uit, ziekelijk en angstig.

Het laatste lemma van de alfabetische lijst in Attwater van de heiligennamen beginnend met S, is Symphorosa en nu denken wij allen aan de heerlijke uren die voorbij zijn. Er is een verwijzing opgenomen naar Felicity. Bij Felicity lezen we ‘martyr. Date unknown.’ Enzovoort. Daar ben ik niets mee. Bij een tweede Felicity word ik verwezen naar ‘Perpetua and Felicity’. Dat zijn er twee, die hadden we al bij gedicht 15 (Olympas en Pelafia), bovendien zijn dit 2 vrouwen. En gedicht 19 gaat weer over 2 ‘kinderheiligen’, Tweelingen. Maar goed, we zijn leergierig en zoeken ‘Perpetua and Felicity’ op. Weer van hetzelfde natuurlijk: martelaars, gestorven in Carthago 203. Dat jaartal moeten we onthouden, we lezen verder en trekken onze ogen open: ‘Vibia Perpetua was a young married woman of good family (a widow?) with a baby in arms ; Felicity was a slave-girl, far advanced in pregnancy, and Revocatus also was a slave; the other three men were Secundulus, Saturninus, and Saturus. At the time of their arrest at Carthage under an edict of Septimus Severus all of them except Saturus were still catechumens; they were baptized while under ‘house-arrest’, and soon after were shut up in the common jail.’

Dus zo zit dat? We hebben drie namen die met een S. beginnen, we hebben een edict en ook nog Septimus Severus. Donald Attwater heeft een encyclopedie geschreven en dus is zijn stijl droog, objectief. Opvallend is dat hij in dit lemma bewogen is (‘perhaps the most moving and impressive of authentic narrative of early martyrs’) en een bijna tastbare sympathie laat blijken. Zou het derde deel van Claus’ gedicht ook een historische grond hebben? We lezen even verder bij Attwater dat allen veroordeeld werden en verscheurd waren ‘by wild beasts’. Over Perpetua: ‘[…] later she had a very remarkable vision of herself overthrowing Satan, in the guise of an ‘evil-looking Egyptian’, in a physical fight. […] A detailed account is given of how she and Felicity helped one another when they were attacked by a savage cow, […].’ Koe of stier, beide grazen in een weide, Satan, de duivel en ziek: alle elementen zijn aanwezig en Claus heeft een eigen soep bereid.

Met het negentiende gedicht verwijdert Hugo Claus zich van de katholieke heiligen, ook al blijft hij in die sfeer, waardoor hij het geloof in het een of het ander gelijkstelt: het zijn verzinsels. Bovendien houdt hij ervan om zijn eigen systeem overhoop te halen.

Tweelingen.
Men noemde hen de Verboden Tweeling
of de Dubbeleitjes.
De ene was een reus, de andere een dwerg.

Onderhevig aan tropische kuren
wilden deze Dioscuren fijntjes
het licht van de beschaving laten schijnen
in de duistere heidense streken.
Maar zij hebben zich verslapen.
Sindsdien zoeken zij in Overijse, Oudekost,
Poperinge, Merelbeke
naar een redelijke uitweg die hen verlost
uit hun betrekkelijke aardrijkskunde.

We nemen de prent van Thierry Renard erbij.

hugo-claus_goede-geschiedenissen_thierry-renard_tweelingen

We zien twee gelijkaardige jongens, hetzelfde ronde gezicht, hetzelfde kostuum. De een is groter dan de ander. Renard heeft de een een meetlat gegeven, de ander een stuk wereldkaart (geen bol), waarschijnlijk had de jongen een hoepel in de hand. Vooraan 3 kleine uitsnedes van een kaart – daarmee heeft Claus niets gedaan. Een tweeling kan dit niet zijn. Claus begint dus met een onmogelijk iets en hij zoekt zichzelf een uitweg: een reus en een dwerg: het is de natuur die hen een poets gebakken heeft. De ‘Dubbeleitjes’ kunnen we begrijpen als een dizygote tweeling, elk gegroeid uit een andere ei- en zaadcel. Maar vanwaar komt de ‘verboden tweeling’?

In de tweede strofe introduceert Claus de Dioscuren maar over hen gaat het niet, hij spreekt over ‘deze Dioscuren’, maar er is toch wel enige gelijkenis met Castor en Pollux. Ze zijn de zonen van Zeus en Leda, geboren uit een ‘onwettige’ relatie, dus illegaal, dus verboden. Het verschil als reus en dwerg kan begrepen worden als de ongelijke relatie tussen de twee mythologische broers: de een was sterfelijk, de ander onsterfelijk. Toch lijkt het er meer op dat Claus zich dichterlijke vrijheden veroorloofd heeft en dat de historische bron(nen) verlaten is.

Wat betekenen de ‘tropische kuren’? Dat zal ongetwijfeld geïnspireerd zijn door de wereldkaarten die Renard gebruikt heeft. Dan lezen we iets over de missioneringstochten, het licht brengen naar de heidenen – een Afrikaanse connotatie. Het wordt slapstick: ze hebben zich verslapen, het is hen niet gelukt. We lezen een verwijzing naar Hermes, de god van de slaap, maar dat leidt alleen maar af. Het wordt helemaal slapstick als de provinciestadjes genoemd worden. Ze zijn verdwaald in dit heidense, onwetende, barbaarse land: het is hen een doolhof geworden. Ze zitten klem. Bestaat Oudekost als gemeente? Of moeten we dit begrijpen als slappe prietpraat?

Beide gedichten zijn iets anders in de Toohcsmi-versie. Gedicht 18, regel 7 is in de reguliere versie: ‘Plots is het gebeurd met de genaamde S.’ In de bibliofiele versie werd er een vraag gesteld: ‘Wat is er gebeurd met de genaamde S?’ (Ook hier: de S is ten onrechte niet onderstreept.) Het gedicht is als een blok gezet, niet onderverdeeld in twee delen zoals de De Bezige Bij-uitgave. En dat geldt ook voor gedicht 19, waar er geen witruimte is tussen regel 4 en 5. In de voorlaatste regel staat ‘maar een redelijke uitweg […]’ : maar of naar? Naar zal juist zijn. (Claus en zijn uitgevers!)

Advertenties