hugo claus, anti-bollandist (11)

door johan_velter

Quadratus, Quardanus, Quarta, Quartus, Queenburga, Quere, Quieta, Quinidus, Quinquianus, Quintianus, Quintilianus, Quintinus en dit tot Quodvultdeus : allemaal heiligen waarvan de naam met een Q begint die we van blz. 741 tot 745 in het boek De heiligen van Stijn van der Linden (Contact, 1999) vinden. Toch schrijft Hugo Claus in het  16de gedicht van zijn Goede geschiedenissen, of Een A.B.C. van kinderheiligen (1999) dat de Q ontbreekt:

De Q ontbreekt in dit alfabet.
Daarom staat hierbij het portret
van wie nooit heeft geleefd.
maar wel op een winteravond verscheen
in een Weens salon
aan twee meisjes en een jongen.

Zij werden een afwezigheid gewaar,
een mogelijkheid, een heiligheid.

Staande hebben zij gewacht tot aan de dageraad.
Als voor een boete.
Zij hebben twee stoelen aangeschoven
voor de onbestaande en zijn bruid;
maar wat overbleef was hooguit
een geur van fruit en van voeten.

hugo-claus_goede-geschiedenissen_q

Op de prent van Thierry Renard (heb ik eigenlijk al benadrukt hoe spiritueel, verfijnd, eigenzinnig en intelligent zijn prenten zijn?) zien we twee meisjes en een jongen. Renard heeft twee stijlstoelen op de foto aangebracht, er is een leegte. Misschien suggereerde hij een vader en een moeder, dan wordt het algauw larmoyant. Maar Claus gaat niet op die weg, al te evident. Het is duidelijk dat er nauwelijks nog van een heilige, laat staan een kinderheilige sprake is: in regel 8, even, ‘heiligheid’, rijmend op mogelijkheid maar eigenlijk niet noodzakelijk voor het gedicht. De kinderen staan er natuurlijk onnozel op, fotografie is dan ook geen kunst: het stelen van de ziel een misdaad, een spiritistische bezigheid. Er is nog een ‘heilige’ verwijzing: in regel 12 kunnen we de bruid begrijpen als een non die met de onzichtbare, de god dus, gehuwd is. De god, en zo ook zijn zoon, is onzichtbaar. ‘Fruit en voeten’ lijkt een verwijzing te zijn, maar ja. Er is natuurlijk ook godsdienstkritiek aanwezig. Als het spiritisme bijgeloof is, dan dat santenkraam toch ook. Katholieken mogen niet in geesten geloven, maar het katholicisme bestaat louter uit geesten – er is ook concurrentie-angst: de geesten, zowel de goede als de kwade, zijn krachtig en soms helpen relikwieën niet afdoende.

Het ‘Weens salon’ doet denken aan Freud en zijn toverdozen, de tijd ook van geesten die konden opgeroepen worden, van dansende tafels, bibberende glazen. Ja, dat kan. Onderaan de collage van Renard staat: ‘Julius Gertinger – K.K. Hof Fotograf – Wien Margarethenstrasse N° 28. Zo, Wenen is verklaard en de K.K. doet ons denken aan Robert Musil.

Maar die Q, die volgens Claus ontbreekt en die hij toch op een spirituele manier binnensmokkelt en dus niet ontbreekt (spelend met de hagiografie: wat is waar, wat verzonnen, wat overgeschreven?), wat is daarvan aan? In The Penguin Dictionary of Saints van Donald Attwater gaat het op blz. 285 over van Pulcheri naar Radegund. De Q ontbreekt.

hugo-claus_goede-geschiedenissen_donald-attwater

Beweer ik dat Hugo Claus Attwater gebruikt heeft? Niet bewerend, wel suggererend. Er zijn veel gelijkenissen, er zijn duidelijke vindplaatsen aan te wijzen, de kinderheiligen die Claus beschrijft en de ‘werkelijke’ heiligen hebben nogal wat overeenkomsten. Andere encyclopedieën geven niet dezelfde informatie of geven niet die ‘feiten’ weer. Gier spreekt echter een niet-deskundige. Claus is niet de man om de desbetreffende en noodzakelijke Acta te doorploegen. Hij is de man van het ‘raken’, niet van het slaafs overnemen, of het loutere verzinnen. Maar Claus gebruikt voor zijn werk ook zelden 1 bron, hij combineert verschillende modellen om zo zich niet gebonden te hoeven voelen. Hij schuift in elkaar, dingen overlappen elkaar en verbergen zichzelf.

Neem bijvoorbeeld Omtrent Deedee (1963). N.a.v. Dees De Bruyne en Jan Emiel Daele heb ik hier al het een en ander daarover geschreven. Het belang van dit boek mag niet onderschat worden: Claus heeft duidelijk een poging ondernomen om een schuld te bedelven en hij heeft die naar de priester doorgeschoven. Dat hij van deze ‘episode’ nog een toneelstuk en een film gemaakt heeft, duidt op de kernfunctie van dit werk: het niet afgehandeld geraken. Weverbergh heeft dit werk geanalyseerd, Claus heeft dit gezegend en Boon heeft beaamd – kan er dan nog iets toegevoegd worden?

Wel, op de eerste pagina wordt Natalie geïntroduceerd. Ze loopt de trap op en ze draait zich om en richt zich naar beneden. Claus: ‘[…]; zij houdt zich aandachtig aan de leuning vast, buigt voorover. Haar borst ligt over het hout als een bebloemd kussen voor iedereen – ook voor Deedee – te bewonderen, als iets dat niet van de vrouw, niet van de mens is; zij blaast, schraapt haar keel en roept: ‘Oho!’.’ (‘My Ohio.’)

Dit is (Dit kan zijn) een verwijzing naar Ulysses van James Joyce: ‘Halted, he peered down the dark winding stairs […].’ De borsten van Natalie zijn oorspronkelijk bij Joyce de kom met zeepschuim, het heilig hart van Jezus Christus verbeeldend. Het bebloemde kussen een echo naar Leopold Bloom. Joyce beschrijft een ‘wandeling’, Claus een introspectie. Bij Joyce is de wereld oorverdovend, bij Claus gebeurt alles binnenshuis. En als we het Ulysses-spoor vasthouden, dan is de kelderscène nog gemakkelijk te duiden ook. Claus en Joyce hebben de misviering als structuur gebruikt. In de film en de theaterversie heeft Hugo Claus deze beginscène niet overgenomen.

Of Hugo Claus Attwater al dan niet gebruikt heeft, is minder belangrijk dan het procedé: hij heeft een naslagwerk bij zich genomen en de collages met ‘echte’ geschiedenis gecombineerd.

Het zeventiende gedicht (doordat Claus in gedicht 15 2 heiligen vermeldde, kon 16 inderdaad ontbreken) beschrijft Romanus:

Romanus. Dichter in de Zesde Eeuw.
Van de duizend hymnen die hij schreef
zijn er twaalf overgebleven
waarvan acht onleesbaar.
Verwoede tennisser. Hoor het getok, getik,
getoek van de ballen
als de jamben van Gorter.

Romanus was een getapte, getikte vent.
Wat er aan hem schortte?
Misschien was hij iets te transcendent.
Tijdens zijn leven al noemde men hem in naslagwerken:
de meester van de vernielde bloemperken.

Wat is dit nu weer, een dichter, de zesde eeuw, hymnen, tennis en Gorter. Wat een warboel. Er is ook het geliefde woord transcendent (het eerste gedicht in de bundel Wreed geluk, de reeks ‘Een aap in Efese’: ‘Wijsgeren in hun wijsgerig hemd / met hun immanent en hun transcendent / wil ik in brand steken.’). We zouden Claus kunnen noemen ‘de meester der kinderheiligen’. Claus zelf ironiseert daarmee de kunsthistorische praktijk van een voor hen noodzakelijke naamgeving (weer zet hij een stap achteruit en verwijst daarmee naar gedicht 16).

hugo-claus_goede-geschiedenissen_romanus

De prent van Thierry Renard geeft ons een aanduiding. We zien een kind in een kleed op een stoel. Hij heeft een emmer in de hand (door Renard toegevoegd of bewerkt: na veel moeite en mijn ogen dwingend iets te zien, ontwaar ik een Mickey Mouse), op zijn kleed is een Oosterse/exotische figuur aangebracht – Claus doet daar schijnbaar niets mee. Als een aureool heeft Renard 5 ballen rond het hoofd van het kind gedrapeerd, het zijn geen tennisballen, het zijn ballen. Wat doen ballen? Die komen in bloemperken terecht en vernietigen de bloemen. De kinderheilige is inderdaad een meester.

En wat lezen we bij Attwater? ‘Romanus the Melodist, hymn-writer. Sixth century […] Romanus was the greatest and most original of the Byzantine hymn-writers. […] No more is known of his life, and of the thousand hymns with which he is credited only about eighty have survived. They are vivid and dramatic, and great liturgical poetry, […]. Romanus gave its classical form to type of hymn called a kontakion, […].’ We hebben hier dus bijna alle elementen samen, zelfs de constaterende stijl: de naam, een dichter, de zesde eeuw, duizend hymnen, 80 is weliswaar niet gelijk aan 8 maar blijft in de buurt. De cadans van Herman Gorter kan gestimuleerd zijn door het kontakion, een poëtische vorm waarbij muziek en woord samengaan. Maar de associatie met Gorter kan ook gebeurd zijn door de ballen die Thierry Renard heeft aangebracht. De gorteriaanse jamben zijn  alom bekend: ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’ – een ritme dat door Claus bewust doorbroken wordt, o.a. door zijn lange versregels, zoals hier regel 11. Claus heeft een treffend beeld getroffen dat verdergezet wordt met het ‘een getapte, getikte vent’.

Paul Claes schreef me: ‘Die tennissende Gorter kan zinspelen op het gedicht ‘Gorter aan zee’ van Faverey. Gorter was een verwoed tennisser. Dat kunnen Faverey en Claus geweten hebben.’. Het gedicht verscheen eerst in De Gids 152 (mei, 1989) en daarna in de bundel Het ontbrokene (1990): ‘[…] Telkens / gooit hij een bal in de lucht en slaat / hem uit alle macht terug naar zee. / Sommige ballen halen het nog net / en vallen ook echt in zee; andere / redden het niet, komen terecht // op het strand; […].’.

Beide gedichten hebben een iets andere versie in de Toohcsmi-versie. De laatste regels van het Q-gedicht: ‘Wat zich openbaarde was hooguit / een geur van fruit en voeten.’ (bruid, hooguit, fruit). Het 17de gedicht : regel 10 is anders geformuleerd en regel 11 bevat een drukfout : ‘Hij was te transcendent / Tijdens zijn leven noemde hem in naslagwerken: / de meester van de vernielde bloemperken.’ (Claus en zijn uitgevers!)

Advertenties