hugo claus, anti-bollandist (10)

door johan_velter

hugo-claus_goede-geschiedenissen_nilus

Het veertiende gedicht uit Goede geschiedenissen, of een A.B.C. van kinderheiligen zou je eerder verwachten als een gedicht in een reeks beroepen, de reeks gedichten bijvoorbeeld die Claus bundelde onder de titel Ambachten (1994, eerste publicatie in Gedichten 1948-1993): klusjesman, verzekeringsagent, radiospeakerin, kapelaan, loodgieter, belastingontduiker-president, … Misschien is ook dit gedicht een ‘restgedicht’ geweest.

Hier laat Claus zijn spreekwoordelijke vriendelijkheid en afstandelijkheid varen en men leest zijn verontwaardiging, zijn woede over de smeerlappen. Zie Claus, hij van wie in de kranten geschreven stond dat hij naar France vluchtte om de belastingen te ontduiken. Zie Claus, de zoon van een inciviek die nu veroordeelt wie zijn patriotieke plichten ontloopt.

Nilus was van lage adel,
een jonker met twaalf vingers.
Of was dit ook een fabel?
Op elk van zijn twaalf zegelringen
stond een kuiken met een bril.

Briljant was Nilus vooral
in het belastingen ontduiken.
Voor elke bankier in het nauw
vond hij een regeling.

Toen kreeg Nilus een dikke nek,
een buik van louter spek
alsook een levensgroot
paars oedeem waarin hij is gestikt.
Terecht.

Het laatste woord, ‘terecht’, is terecht. En toont dat Claus wél uit het goede hout gesneden was. De twaalf vingers, zou dit verband houden met de twaalfvingerige darm (we kunnen hier toch moeilijk de twaalf als het getal van de perfectie zien)? Dan wordt deze jonker een mestfiguur. Claus speelt het hier fysiek, iets wat in deze tijd verloren gegaan is. Het schelden gebeurde altijd in een seksuele, lichamelijke sfeer, nu durft men dit niet meer, nu is het lichaam taboe en wordt alles met discriminatie verbonden. Ten onrechte. Het uiterlijke lichaam mag niet meer beschreven worden, niet meer ingezet worden in de strijd tussen bokken en schapen (ach Adèle, ons zo te verlaten…). Of zijn de twaalf vingers synoniem voor de onhandigheid? Of eerder voor de handigheid: het stelen. De ‘lage adel’ is door het woord laag moreel beladen: laaghartig, laag-bij-de-grond.

In de Toohcsmi-versie is de derde strofe ietwat anders (Nilus is ten onrechte niet onderstreept): ‘Toen kreeg Nilus een dikke nek / een buik van louter spek / en een levensgroot Pruisisch / blauw oedeem waarin hij is gestikt. / Terecht.’ (Deze versie, de betere versie.)

Nilus is, getuige strofe 2, niet alleen een belastingontduiker, hij staat sjoemelende bankiers ook bij, hij is dan ofwel een politicus ofwel een superbankier. In de eerste strofe kan het ‘kuiken met bril’ gelezen worden als een uilskuiken, maal twaalf. De toevoeging ‘of was dit ook een fabel?’ is van toepassing op alle gedichten – spelend met feit en verzinsel.

Claus kan zich voor deze Nilus geïnspireerd hebben op Nilus van Rossano. Bij Attwater lezen we: ‘He was a Calabrian Greek, and as a young man worked in the taxes department of his native town, living with a young woman who was probably not his wife.’ Vandaar een jonker, hoe kaler jonker, hoe pronker. Wat een heilige is, wordt bij Claus een bandiet.

De prent van Thierry Renard is zeer mooi en het gedicht van Claus is een perfecte toevoeging (illustratie is te weinig zeggend). Renard heeft op de foto een al te groot patserskostuum getekend, dit ingekleurd, een typische rode das bijgekleurd. Het is onduidelijk of ook de hoed is toegevoegd maar dat heeft hier eigenlijk geen belang. De prent is duidelijk, ook het gedicht is dat. Mag ik er nog aan herinneren dat de (terechte) bankiershaat Hugo Claus verbond met Ezra Pound?

hugo-claus_goede-geschiedenissen_olympas-pelafia

Ook de 15de prent en gedicht zijn verrassend in elkaars nabijheid, maar ook aantonend hoe inventief en vrij Claus met de gegeven materie om gaat. We zouden dit een Delphine Lecompte-gedicht kunnen noemen (vooral het slot). Thierry Renard heeft met deze foto’s nauwelijks iets gedaan. De grote foto toont ons twee zussen, bijna een kopie van elkaar, ware daar niet het hoofd verschil. Zelfde kleed, zelfde haardracht, zelfde strikken. Daar op heeft de kunstenaar een kleine foto gekleefd. We zien twee oudere vrouwen, blond. Beiden hebben een geblokt kleed aan, ze lijken het goed met elkaar te vinden, vreugde alom, er zal wel jazzmuziek geklonken hebben. Hier toont Renard een tegengesteld beeld: normaal toont hij in de kinderen wat de kinderen zullen worden en dat is nogal afschuwelijk. Hier toont hij een fysiek koppel en alhoewel het niet zo afschuwelijk lijkt, mijn god, wie wil zulke tantes hebben?

Olympas was vredig van aard,
Pelafia daarentegen wreed.
Zij schreven elkaar in versvorm
over wat de een of de andere deed.
Zij wilden beiden weduwe worden
zo snel als het kon.
Jaren verliepen als sneeuw voor de zon
en wat werd hun deel?

Olympas werd een kroostrijke mevrouw,
Pelafia een tandeloze zoetekauw.
Beiden nog behoorlijk mooi
maar beiden ten prooi
aan streptokokken. Zij zongen samen
psalmen in het origineel
in veel te korte rokken.

De laatste strofe is in de Toohcsmi-versie anders: ‘Beiden ten prooi / aan streptokokken. Zij zongen samen / psalmen in het origineel / in veel te korte rokken.’

Claus speelt met tegengestelden. De ene is vredig, de andere wreed (de klankassociatie brengt hen samen). Ze schreven elkaar in versvorm, ah dichteressen, Claus suggereert dat het geen zussen maar lesbiennes zijn. Natuurlijk wilden ze weduwe worden. Pelafia verloor haar tanden, als Claus een zoetekauw. De ander kreeg kinderen. Allebei streptokokken, die kunnen goedaardig maar ook wreedaardig zijn. Claus springt van het ene op het andere, daarbij een oorzakelijkheid suggererend. Alhoewel hij dat ook elders toepaste, is dit voor heiligenlevens zeer toepasselijk.

Bij Attwater zoeken we het Olympias-lemma op: ‘OLYMPIAS, widow and deaconess. […] At the age of eighteen she married the prefect of the city, Nebridius (on which occasion St Gregory of Nazianzus wrote her a letter of advice in verse), but less than two years later she was a widow.’ In deze beschrijving hebben we twee elementen: weduwe en verzen. Claus verzint natuurlijk ook zelf wel eens iets. Bij Pelagia lezen we een wonderlijke historie en van alle heiligen is zij misschien wel de vrolijkste (toch voor een tijd) geweest, de frivole sfeer van het Clausgedicht kan hier een oorsprong gevonden hebben: ‘The story told about this Pelagia, nicknamed Margarito because of the fineness of her pearls, is that she was a notoriously licentious dancing-girl at Antioch who caught the attention of Bishop Nonnus of Edessa: ‘This girl,’ he said, ‘is a lesson to us bishops. She takes more trouble over her beauty and her dancing than we do about our souls and our flocks.’ Daarna werd Pelagia christen. En die streptokokken? Bij beide heiligen wordt gesproken over Chrysosthomos – de klankassociatie is snel gelegd.

Bij Pelagia van Tarsus verwijst Attwater ons naar Marina (Pelagia en Marina zijn in Grieks en Latijn dezelfde naam) maar Attwater waarschuwt: de band met Aphrodite of Venus is vals. Toch kijken we bij Marina, tiens, haar naamdag is 12 februari.

Advertenties