hubert lucot, i.m.

door johan_velter

hubert-lucot_le-graphe

Heel die Dirk De Wachter-industrie is toch je reinste katholieke zwendel!

Een ideologie, zogezegd, van het falen, het mogen falen dat echter omgekeerd wordt naar een moeten falen. De mislukking wordt niet als een mislukking aanvaard maar als een stap naar een grotere realisatie, naar meer succes. Het is slechts een tussenstadium, een nuttigheidselement. Het mislukken moet grandioos zijn én moet in de etalage gezet worden. De bedoeling is om sterker te worden, waardoor men nog meer carrière kan maken (en dus nog meer mensen en waarden kan vertrappelen), om nog meer ambitie te kunnen realiseren: want als iets mislukt is, maakt dat je sterker en dan is de overwinning of het slagen nog veel succesvoller. Het is die persoon niet zomaar gegeven, nee ze heeft er voor geknokt, ze heeft het beste uit zichzelf gehaald. Zie, hoe sterk ze is – en dan wordt dat falen ontmaskerd. Het falen is een verkapte werkethiek – en elke arbeidsideologie is reactionair.

Die hele Dirk de Wachter-ideologie wordt door managementgoeroes als een moordwapen gebruikt: de manager mag, nee moet falen, het moet niet ideaal zijn, we leven in deze wereld hé. Alles wordt haar en hem vergeven. Maar niet en nooit de werkvloer: die moet kritiekloos gehoorzamen – en als de werkvloer faalt door de schuld van het management dan is het de werkvloer die schuld heeft en dat falen wordt nooit gekeerd naar een succes. We leven in een leugen.

Die ideologie van Dirk De Wachter c.s. (want in elk land is er wel een Dirk De Wachter of een Pascale Naessens aan het werk) heeft ook een individueel vernietigende werking. Men gebruikt dit om te mogen falen, om het falen als een zijnstoestand te hanteren (al naargelang de situatie) en om daardoor niet te moeten streven naar het hogere of het betere. Deze ideologie is ook daarom reactionair en katholiek: het bevestigt de mens in zijn laagste toestand, in zijn ‘zonde’.

Het etaleren van eigen falen (mama die haar kinderen niet graag moet zien) is een larmoyante, miserabilistische zelf-expositie van verdoken successtreven, radeloos egoïsme en mateloze ambitie: ‘zie mij, ondanks het leed dat anderen mij aangedaan hebben, ben ik sterk én mezelf, ben ik geslaagd en zie ik mezelf als een triomfator.’ Nog erger is het als ‘maatschappelijk geslaagden’ over hun mislukkingen komen klagen opdat de ander dan hun maatschappelijk succes, hun geld, hun machtsstreven niet als simpele compensatie zouden zien, als geldingsdrang en als domheid maar als ‘ook een mens’-zijn. Geloof ze niet: het zijn wolven. Men doet alsof de eigen mislukking, het eigen falen een uitzondering is. Zie hoe exceptioneel ik ben, zelfs in het falen ben ik geslaagder dan de gewone mens.

Op 18 januari 2017 is de schrijver Hubert Lucot overleden. Hij is 81 jaar geworden. Hij behoort tot die typische Europese literatuurrichting waar het schrijven zelf centraal staat. Niet het boek is het belangrijke wel het schrijven, het leven van een schrijver. Niet het resultaat telt zozeer maar wel het leven dat een culturele waarde draagt en vertegenwoordigt. Hij behoorde daarmee tot de nog steeds bestaande Europese avant-gardebeweging waar het teken een belang heeft – en deze richting toont aan hoe dood en doods de Angelsaksische romanvorm is. Het schrijven is een voortdurend proces dat niet noodzakelijk tot een product moet leiden – men begrijpt hoe tegengesteld deze cultuurhouding is aan de huidige entertainmentpolitiek die men cultuurpolitiek noemt. Verwanten van hem zijn Paul Valéry, Francis Ponge, Ludwig Hohl. In de Nederlandse literatuur stond Daniël Robberechts dicht bij hem, helaas heeft deze laatste zich veel te veel met zichzelf beziggehouden en heeft hij daardoor deze denkhouding gediscrediteerd.

Centraal in het oeuvre van Lucot staat le graphe, wat voor hem een netwerk was. De lineariteit van de klassieke kunst wordt doorbroken, de lezer mag zijn oog laten dwalen over tekstlijnen, cirkels, verwijzingen, schrappingen. De lezer maakt een nieuw werk op basis van wat de schrijver hem aangeleverd heeft. Dit lijkt vrijblijvend te zijn, maar is het niet. Het schrijven is een ernstige daad – ook dat tegengesteld aan de huidige cultuurpolitiek waar ernst een vloek geworden is.

Lucot heeft verschillende boekjes over Bram van Velde geschreven, boekjes die nu niet meer te vinden zijn. In 1994 heeft Maeght een aantal daarvan verzameld in het boek Bram, ou Seule la peinture.

hubert-lucot_bram-van-velde

Dat Dirk De Wachter het oeuvre van Samuel Beckett misbruikt voor zijn eigen doeleinden is niet zijn goed recht en is intellectueel onjuist – het behoort tot de geplogenheden van de consumptiemaatschappij om alles en iedereen in dienst te stellen van de eigen kortzichtige doeleinden, men kan het natuurlijk ook een alternatieve literatuurgeschiedenis noemen, zoals Trump en zijn kornuiten alternatieve feiten in het leven kunnen roepen. Beckett was geen meester in het falen: het falen was voor hem het leven op aarde zelf. Ook de maatschappelijk geslaagde was een mislukkeling, net zoals iedereen. Bij Beckett moest er niet gefaald worden om te slagen – de Nobelprijs was voor hem een contradictie: hoe kan zo’n oeuvre met ‘succes’ bekroond worden? – de doelstelling zelf werd niet als een mogelijkheid gezien. Het was in dat niet-slagen dat geleefd moest worden. Het werk van Beckett was anti-kapitalistisch, niet in de politieke zin, wel naar de fundamenten waarop deze maatschappij gebouwd is en fundamenten die door Dirk De Wachter herbevestigd worden.

Ook het werk van Bram van Velde werd verkeerd geïnterpreteerd als een falen. Maar de schilder wilde niet falen: elk werk moest een meesterwerk zijn, moest voltooid worden. Bram van Velde schilderde graag, zoals hij ook graag leefde, wel schilderde hij misschien minder dan anderen, maar dat deed er niet toe. Het niet-schilderen was ook niet een niet-kunnen schilderen. Het was een wachten, een niet-handelen, een zijnsleven.

Hubert Lucot heeft het oeuvre van Bram van Velde op een lucide en originele manier benaderd. Ook bij hem zag hij het belang van het teken: de X, de v’s, de Y, het oog, de torso. Het vloeiende tegenover de lijn. Hij plaatst, o verrassing, Van Velde binnen l’art fantastique.  Dirk De Wachter spreekt over individuele ‘patiënten’, of in zijn leefwereld over ‘klanten’. Mensen als Beckett, Bram van Velde en Lucot spraken over ‘de mens’, niet als een abstract begrip maar concreet – echter zonder anekdotiek of sentiment. Hubert Lucot opent zijn boek over Bram van Velde met een gedicht, de eerste regels: « L’homme serait nu. / Une vie de paria. ».

Waar Dirk De Wachter en consoorten over pseudo-individuen spreken (slechts een ik in de eigen gedachte, het zijn consumenten – ook van zichzelf), zijn Bram van Velde en Samuel Beckett individuen. Lucot over BvV: « Sa peinture n’est pas celle d’un perdant misérable. Elle est orgueilleuse victoire sur le blocage, triomphe des gestes et des couleurs frôlant toujours l’échec […], elle est réalisation homogène et sans failles, mais un arrière-monde demeure en elle sous la forme de lacunes : blancs allongés, blancs ronds (l’œil ?) où le pinceau ne passa pas. » Dit is de aanvaarding van het falen in zichzelf, zonder externe doeleinden. Zonder arbeidsideologie, zonder de intentie meer geld te willen verdienen.

Lucot benadrukt verschillende malen de schildertechniek van BvV en vooral het middel. Hij is de meester van de gouache, en die is de nederige broer van de olieverf. De gouache is een kwetsbare drager en de verf is zelf ook nederig en niet opdringerig. Het is de schildertechniek van hem die een stap achteruitzet.

In het beschrijven van de werkwijze van Van velde, lezen we ook het oeuvre van Hubert Lucot zelf (elk woord is een spiegelwoord): « Les signifiants ont leur importance – les mots ont leur importance –, mais l’artiste travaille essentiellement leurs combinaisons – syntaxe –  , le renversement de ces combinaisons – syntaxe à nouveau –  , sans donner la priorité à tel ou tel signifiant, et le regardeur a ‘le droit’ d’entrer dans ce système sans début et sans fin – seule est finale la globalité – par le ‘bout’ qui se présente à lui en premier. » De kunstenaar overstijgt het falen, het mislukken, het slagen, het succes maar « la perfection non prouvable (par les mots) de ces phénomènes naturels, de ces réalités mentales. », dit is zijn œuvre. Het leidt niet naar succes, naar gebruik. De kunst, de cultuur, de civilisatie staan op zichzelf.

Advertisements