hugo claus, anti-bollandist (9)

door johan_velter

(De reeks gedichten Goede geschiedenissen, of een A.B.C. van kinderheiligen is nooit als een reguliere bundel uitgegeven, zoals met Oktober ’43, foto’s van Rik Selleslags, of Made in Belgium, met foto’s van Harry Gruyaert, wel gebeurd is, maar enkel als een bibliofiele bundel. En dus in een beperkte oplage – de gedichten werden en worden gelezen zonder de inspiratie van Thierry Renard en blijven daardoor soms in het ongewisse steken.

De bundels zijn later in ‘verzamelwerk’ opgenomen, zonder prenten of foto’s evenwel. De gedichten krijgen een zelfstandig bestaan en lijken de uitleg van het beeld niet langer nodig te hebben. Toch is dit jammer omdat beeld en woord hier tot een nieuwe betekenis gekomen zijn. Men leest de gedichten van Jan Luyken toch ook met de prenten erbij en doet dit iets af van hun waarde? Moet men de Bach cantates zonder tekst beluisteren?

De gedichten in Made in Belgium zijn korter dan in Goede geschiedenissen, maar zijn ook een al dan niet rechtstreekse beschrijving van wat te zien is. Het lijkt interessant om de relatie tussen beide na te gaan om zo de werkwijze, het denkproces van Hugo Claus te reconstrueren. Het lijkt erop dat Oktober ’43 en Goede geschiedenissen dichter bij elkaar staan, zoals Zwart (bij schilderijen van Pierre Alechinsky en Karel Appel) dichter bij Made in Belgium staat.

In Het reizende detail in de kunst van 1400 tot 1500 (Kunst & Schrijven, 2016) toont Wieteke van Zeil aan hoe op sommige schilderijen uit deze periode de spelende kinderen prefiguraties van de heiligen zijn, ze doet dit door Annemarieke Willemsen, de specialist ter zake, te laten spreken.  Ze bespreken een vleugelaltaar met de Heilige Maagschap en spelende kinderen uit 1516 (Kunstpalast, Düsseldorf)

hugo-claus_goede-geschiedenissen_kunstpalast-dusseldorf

(het volgende gaat over het paneel rechtsonder): ‘Met die familieboodschap krijgt ook het speelgoed een speciale betekenis: elk speeltje verwijst naar het latere attribuut van die apostel. Speelgoed in kunst is dus niet alleen bedoeld om de kijker het kind als kind te laten herkennen, in dit geval toont het vaak ook wélk kind.’ Hugo Claus heeft deze kunsthistorische inzichten niet in zijn gedichten verwerkt, er is connectie met hagiografie maar, zoals we hem kennen, hij is daarmee vrij omgegaan en in sommige gevallen heeft hij alles overboord gezet en zijn eigen weg gegaan – tenzij er een bron gevonden wordt voor deze gedichten – het dossier Goede geschiedenissen bevindt zich in het Letterenhuis. Het Laurens-gedicht is niets van dit alles.

Laurens, zo zeggen de annalen,
was vooral op zondag streng.
Maar men weet uit andere archieven,
ook door de week was hij een kreng
en als geen tweede in de weer
met onkuise prelaten en hun lieven.
En dan des zondags maar vitten!

Hij werd geroosterd aan het spit
op bevel van twee van zijn bijzitten,
op de maat van het geronk en gebonk
van marimba’s.
Zo laag was het Westen in die tijd gezonken.

Piet Gerbrandy gebruikte in De Volkskrant van 9 april 1999, dit gedicht als voorbeeld van ‘idiote details en onuitstaanbare flauwiteiten’. Toch kunnen we ook dit gedicht weer lezen als een echt gedicht – waarom zou een dichter gedichten publiceren ‘vol idiote details en onuitstaanbare flauwiteiten’ – zouden we als lezer niet eens moeite doen om ons te verplaatsen in de dichter zelf?

Claus spreekt van annalen en andere archieven, hij weet hoe heiligenlevens overgeleverd zijn: de schriftelijke bronnen zijn niet noodzakelijk waar, steunen op verzinsels en begoochelingen – en dit zal hij in het dertiende gedicht ook min of meer expliciet zeggen. Heiligen worden wel voorgesteld als goede mensen, maar Claus weet ook dat die heiligen onuitstaanbaar waren: betweters, hypocrieten, geweldenaars, levensverachters. Onduidelijk is wat in verzen 5 en 6 gebeurt: veroordeelde hij die onkuise prelaten of was hij er zelf mee in de weer? Het vervolg toont dat het om het tweede gaat. Claus verhevigt: hij was niet alleen in de weer met onkuise prelaten maar ook nog met hun lieven. Een prelaat is een hoogwaardigheidsbekleder, hij draagt paars en is dus bisschop, aartsbisschop, abt of prior. Niet te verwonderen dat ze lieven hebben. Zijn die lieven mannelijk of vrouwelijk – de distinctie is voor katholieken van groot belang.

De tweede strofe (in de Toohcsmi-versie staat dit gedicht in 1 blok en is er geen sprake van twee bijzitten maar gebeurde het ‘op bevel van zijn bijzitten’ – de twee toevoegen is een typische manier om het geheel levendiger te maken en om de indruk van waarachtigheid te geven) toont aan dat het om mannen gaat – vrouwen kunnen niet beslissen over de dood van een heilige. Typisch voor Claus is het toevoegen van marimba’s – toch is ook dit een Thierry Renard-gegeven.

hugo-claus_goede-geschiedenissen_laurens

Claus heeft de homoseksuele sfeer van de collage overgenomen: het kind heeft een kleed aan (maar vroeger, gedenk ook Sartre, moesten jongens langer dan nu een kleed dragen, de tijden zijn omgekeerd), op zijn kleed heeft Renard een sierlijke, kitscherige letter L gekleefd (Claus hoefde enkel nog de bal in te koppen) en vooraan marimba’s toegevoegd. Met de cijferblokken heeft Claus niets gedaan. Toch is er ook nog enige historische grond.

Er zijn meerdere heiligen die Laurentius, Lawrence, Laurens, … heetten. In Attwater staat ‘Lawrence, martyr, D. at Rome’ als eerste van een kleine reeks en we lezen ‘Thereupon he was put to death by being roasted on a grid.’ Attwater voegt toe dat een onthoofding eigenlijk geloofwaardiger is.

Het is evident dat een homoseksueel geen heilige kan geweest zijn – althans niet officieel, iedereen weet wel beter. Claus speelt hier met die typische katholiek-Vlaamse hypocrisie: op zondag streng (dus devoot), door de week een kleine smeerlap. De eerste strofe kent een cirkelbeweging: van zondag tot zondag en in het midden het hypocriete gedrag. De tweede strofe is nog iets ambivalenter: is hij verraden door zijn eigen liefjes of spelen die bijzitten dan de superkatholiek? Of heeft Laurens de homoseksuelen vervolgd op zondag, terwijl hij zelf door de week zijn handen vol had en namen zijn lieven daarom wraak? Marimbamuziek is nichtenmuziek – ja zo diep is het Westen heden ten dage gezonken. Maar wat is de oorzaak? Het mannenspel? De vervolging? De muziek? Het spit? De verzuchting is een typisch moraliserende toevoeging: laat het nooit meer gebeuren en/of zo afschuwelijk was het vroeger maar nu! Een gedicht als dit kan enkel door een katholiek geschreven zijn.

hugo-claus_goede-geschiedenissen_marcella

Marcella was zonder zonde
maar zij had het warm water
niet uitgevonden.

Toen Alarik met zijn Gothen
Rome verwoestte
werd Marcella door geen heiden verkracht,
maar hoestte zeven dagen lang,
als een verkouden koe.
Een dieet van louter tomaten
mocht niet baten.
Vraag nooit waar, waarom of hoe.

Bij Thierrry Renard zien we een broer en een zus (er zijn legio broer- en zusheiligen geweest, Claus heeft dit hem dierbare thema dat Renard hem aanreikt, niet gebruikt), enfin we veronderstellen broer en zus, die naast een tafel waarop 2 boeken liggen, staan. Het meisje kijkt nu ook niet zo onnozel zoals Claus suggereert. De tomaten worden vermeld in de tweede strofe en lijken niet erg historisch correct te zijn. Is het te ver doorgedreven om een band tussen de tomaten en de eerste strofe te veronderstellen? Om tomaten gemakkelijk te pellen, gebruiken luie, onhandige keukenprinsessen warm water waarin de tomaten voorzichtig gelegd worden. Na even gewacht te hebben, barst het vel en na wat afkoelen kunnen de tomaten gepeld worden (maar is het vlees onherroepelijk beschadigd). Vandaar het warm water dat Marcella niet uitgevonden heeft, bij Claus. Bij Renard betekent het eerder: ‘Ach meisje, geboren om later tomatensoep te moeten maken.’

De tweede strofe is een historische excursie. Claus vertelt alsof het allemaal waar is. De historische heilige Marcella werd weduwe, stichtte een nonnenklooster en Alarik I is inderdaad Rome binnengevallen. Attwater schrijft: ‘When Alaric the Goth sacked Rome she was subjected to personal violence to extort the whereabouts of her wealth, and she died from the effects of this ordeal.’

De geschiedenis vermeldt niet of ze al dan niet verkracht werd, of dat ze het aan haar longen had en zie de koe verschijnt ook hier. De combinatie met ‘baten’ doet natuurlijk denken aan Marcella Baete, een Gentse schrijfster. Op haar website lezen we: ‘Heel mijn leven – nu nog – is een échte roman.’

De laatste regel, dat het derde deel van het gedicht is, is een halve toespeling op Aristoteles: Claus lijkt ons te vermanen: vraag niet zoveel, lees, vier de verbeelding. Schep vreugde. Het is een vermaan te leven lezen, niet steeds te zoeken naar, ja, naar wat? Vreugde? Laat fabels fabels zijn.

Advertisements