hugo claus, anti-bollandist (8)

door johan_velter

O, kleine Isidoor,
door een godin onthoofd.

Hij was van zichzelf
de metafoor.

Toen hij zong in het koor
riep de bijziende Kapelmeester:
‘Door, heb jij een bord voor je kop?’
Het zweet van de schaamte
liep langs de kaken van zijn gat.

Hij wou aan het leven verzaken
maar niet voor om het even wat.
Gehalveerd bleef hij overeind,
onverveerd.

Gedicht 8 over de kinderheilige Hyacint herinnerde misschien aan Boudewijn de Groot’s ‘Hoe sterk is de eenzame fietser’, het daaropvolgende gedicht over Isidoor nog iets meer. De tekst ‘Jimmy’ is van Ruud Engelander en iedereen kent de verzen ‘Als-ie maar geen voetballer wordt… / Maar liever dat nog / dan het bord voor zijn kop / van de zakenman, / want daar wordt hij alleen maar slechter van.’ – en dit in een tijd waar de zakenman model staat en de wereld dus echt naar de vaantjes is. Ook dit gedicht, misschien klein van bereik, niet gewelddadig in woorden, behoort tot het grote repertoire van Hugo Claus. Wreed geluk staat op een hoger niveau dan zijn meer gekende De Oostakkerse gedichten – ook omdat er meer vrijheid is, vrij van land en volk, vrij van gedachten en moraal, licht van adem en inspiratie.

We spreken hier van heiligen, we zitten dus in het katholicisme. Maar de kleine Isidoor is door een godin onthoofd en dan zitten we in het paganisme, de klassieke godenwereld – en daarmee staat Claus in de grote Westerse traditie waar de grootste momenten de mythologische wereld van christendom en Klassieke Oudheid probleemloos naast elkaar toonden, waar de christelijke god en heiligen toegevoegd werden aan die van de natuurgodsdienst, de mythen, de chaos verbeeldend die zo in de menselijke geest een ordening werd.

‘Hij was van zichzelf / de metafoor’. Een metafoor staat voor iets anders, het meisje is als een jongen, het meisje is een jongen (roos, engel, duivel). Hier keert het beeld naar het ding (de persoon) terug: als de onthoofde Isidoor een metafoor zou zijn, dan is Isidoor (of de onthoofde) weer zichzelf: wat is het ware ik? Onthoofd staat hij toch voor een mens. Nu is het tijd voor het plaatje. Thierry Renard, en Claus volgt hem bijna letterlijk, heeft het hoofd van het kind achter een stuk hout verborgen: het kind heeft letterlijk een bord voor zijn kop.

hugo-claus_goede-geschiedenissen_isidoor

Op de foto staat het kind op een stoel, een paard staat op de tafel – Renard wilde tonen hoe men vroeger kinderen als kleine volwassenen zag – deze bedoeling heeft Claus aan de kant geschoven en een eigen interpretatie neergeschreven. Maar we zien dat Claus wel het hoofdelement gebruikt heeft, maar andere heeft laten vallen. Er is een bron van inspiratie en daarna stroomt de beek in een eigen bedding.

Isidoor kan ‘geschenk van Isis’ betekenen, we zijn dan al voorbij de Klassieke in de Egyptische tijd beland. Isis was de vruchtbaarheidsgodin. Haar hoofd werd door Horus afgehakt maar Thoth verving het door dat van een koe – mag ik er aan herinneren dat de koe hier en daar in het oeuvre van Claus optreedt. Meest gedenkwaardig zijn de slotzinnen van Omtrent Deedee (1963): ‘Hoe kan dat nu?’ kermt zij. ‘Hoe?’ – ‘Dikke koe,’ zegt hij en zij vlucht. Hoe, koe, het rijmt, denkt zij terwijl zij naar de keuken rent en naar de tuin en naar de grot.’ De grot waar Maria moet zijn, de vervangster van de oude godin(nen). Wanneer Claus spreekt van een onthoofding door een godin, hebben we weer met een verschuiving te maken. Wat de godin is overkomen, overkomt de kinderheilige.

De derde strofe heeft nauwelijks nog iets te maken met de collage. Er is uiteraard de letterlijke ‘vertaling’ van het ‘bord voor je kop’ maar de setting is particulier: Isidoor is een koorzanger, er is een kapelmeester en er is zweet en kont – het heilige en het aardse ontmoeten elkaar. Maar waarom kent Isidoor schaamte en waarom dat overmatige zweten? Waarom is de kapelmeester bijziend? Zingen, zien, kop en eigenlijk ook gat staan voor het verdwenen hoofd. Er is met de hagiografie geen connectie te vinden. De beroemdste Isidoor is die van Sevilla en die was een geleerde die veel geschreven heeft (en die Dante in de hemel heeft kunnen aanschouwen (Paradiso, X, 130). Er is geen connectie met zingen of schaamte – zelfs niet met de onthoofding als martelaar – terwijl er tonnen heiligen onthoofd werden. Er is wél een heilige Isidoor die de patroonheilige van de boeren is, tiens, ‘de landman’ werd bij Gildas vernoemd. Hij werd door zijn god voorgetrokken: als hij bad, leidden engelen de ossen waardoor zijn land toch geploegd werd. Engelen zijn soms katholieke kabouters.

De laatste strofe is ook weer raadselachtig. Ja en nee: aan het leven verzaken maar niet om niet. Hij bleef overeind, ook zonder hoofd, een cefalofoor – en dit is dan weer het ware katholicisme: heiligen die met het hoofd onder de arm kunnen verder stappen en denken – de onthoofde kippen achterna. ‘Onverveerd’ is een woord uit de arme geschiedenis van het Vlaams-nationalisme, een Kerelwoord.

Kan de J iets anders zijn dan een J? Natuurlijk niet en Claus kiest voor Joannicius, een niet-gebruikelijke naamvorm. Wij lezen de eerste verzen en denken aan Filip De Pillecyn, de collaborateur, de fascist die enkele jaren geleden nog in de bibliotheek van Sint-Niklaas gefêteerd werd, en zijn De soldaat Johan maar Hugo Claus heeft zich voor dit vers wel degelijk geïnspireerd op Joannicius (754-846), de monnik, die eerst soldaat was in het Byzantijnse leger. Donald Attwater schrijft: ‘Repenting of his disorderly ways, he left the service at forty and became a monk and then a hermit on the Bithynian Olympus.’

Joannicius was eerst soldaat,
toen bedelmonnik, toen eremiet.
Hij wisselde vaak van opinie,
maar wie niet?

Hij twijfelde tussen denken en voelen,
tussen het hoe en het wat.
Hij predikte matiging
maar begaf en verging
toen hij vijf pond paddestoelen at.

O aarzeling, mijn liefde.
O liefde, mijn vernietiging.

Claus begint het gedicht met een biografische schets: de uiterlijke omstandigheden. In regels 3-4 voegt hij een opinie toe – de heilige is ook maar een mens (al toont Thierry Renard kinderen, Claus beschrijft volwassenen en beschouwt hun leven nadat het beëindigd is: hij ziet als het ware in zijn glazen bol wat het kind worden zal en daarmee de stelling van Renard verdiepend: niet alleen wat en hoe de volwassenen de kinderen zien maar wat van die kinderen worden zal – een perspectiefwijziging). Het van opinie wijzigen is een typisch Vlaams gebruik, het opportunisme verheven tot moraal.

De tweede strofe is een samenvatting van de Westerse filosofie: de ratio tegenover de gevoelens. de existentie tegenover de essentie. De wereld afzweren of het zwelgen in die wereld. De band met de collage is te vinden in regel 9 (‘paddestoelen’ is een verouderde schrijfwijze – met zulke onnozelheid moet ik mijn dag beginnen) en doet denken aan de zogenaamde overmatigheid van een Julien de La Mettrie, de goddelijke straf. Er is ook een suggestie van hypocrisie: zelf matiging prediken en zelf vreten tot men barst – het lijkt wel de beschrijving van een socialistische partij (niet van België natuurlijk, maar van een ver, ver, ver land) te zijn.

hugo-claus_goede-geschiedenissen_joannicius

Het gedicht eindigt met een grandioos chiasme, er is een kettingreactie: het aarzelen die de heilige (de schrijver) zo dierbaar is en het aarzelen dat hem vernietigen zal. (Met enige twijfel kan ‘de aarzeling’ hier gelijkgesteld met ‘de matiging’ die Joannicius tegenover de iconoclasten wilde betuigen – iets wat altijd zuur eindigt.)

Het wordt tijd voor een vrouw, het glazen plafond moet namelijk doorbroken worden (dat waarop Gwendolyn Rutten, Dominique Leroy, Sophie Dutordoir, Laurette Onkelincx, Meryame Kitir, Chantal Pattyn, Marianne Thyssen, Françoise Chombar, Meyrem Almaci, Michèle Sioen, Isabel Albers, e.a. gestuit zijn – en dit heeft niets te maken met de onbeschoftheid van de lompe Donald Trump, wel toont het hoe de fabels al snel achterhaald zijn, maar als cliché (een niet-correcte beschrijving) nog jaren blijven bestaan en aldus slechts ideologische elementen zijn) en het is Kümmernis die de eer redt.

Kümmernis
(alias Liberata, Livrade, Wilgefortis)
was om haar godsvrucht vermaard,
rijp voor het klooster en het versterven.

Toen de Koning van Sicilië
om haar hand kwam werven
kreeg zij prompt een snor en een baard.
De Koning vertrok in tranen.
Van toen af aan liet Kümmernis
zich scheren door de nonnen.
Elke nacht droomde zij van de Heiland
en diens ballen kleurig als lampionnen.

Eindelijk, eindelijk, verzuchten wij, een godslasterlijk beeld in de laatste zin. In de Toohcsmi-versie staat Livrada en niet Livrade. Hugo Claus voegt in de tweede regel, als een goede meester, enkele synoniemen toe. Attwater  verwijst van Kümmernis naar Wilgefortis. We kijken in onze Attwater bij Wilgefortis en typen dit over, we lijken wel een Belgische journalist te zijn. ‘The legend of the fictitious person is that her father, the king of Portugal, wanted her to marry the king of Sicily; but she had made a vow of virginity, and her prayers for help in her predicament were answered when a beard grew upon her face. The king of Sicily withdrew his suit, and her indignant father had her crucified. She was accordingly represented as a bearded woman hanging on a cross. This preposterous tale has nothing to do with the hermaphroditic cults of antiquity in Cyprus and elsewhere; it started from a misunderstanding of one of those crucifixes showing Christ wearing a long tunic (the Volto Santo at Lucca is a well-known example). Wilgefortis was known by a variety of names, Liberata, Livrade, Kümmernis, and others.’ Er wordt uitdrukkelijk toegevoegd dat in Portugal deze heilige nog steeds op 20 juli gevierd wordt maar dat Wilgefortis nooit bestaan heeft, een fabeldier is. De baard is niet zo eigenaardig als het lijkt, in München wordt een behaarde Maria Magdalena bewaard, evenwel zonder baard, de vrouw die ook als de verleidelijkheid wordt voorgesteld. ‘Feministen’ die Christus of God als een bebaarde vrouw voorstellen hebben de mosterd bij Abraham gehaald.

Bijna alle elementen zijn in het lemma en in het gedicht aanwezig. Buiten die ballen natuurlijk, die hebben we te danken aan Thierry Renard (de snor ook overigens).

hugo-claus_goede-geschiedenissen_kummernis

Advertisements