‘ja nee’ van tonnus oosterhoff: ja!ja!ja!

door johan_velter

Een nieuwe bundel van Tonnus Oosterhoff: wat een vreugdevolle januaridag in dit barbaarse land. Ja Nee is een typische titel voor deze poëzie. Altijd wat aarzelend, wat dubbend en met de voeten schuivend. Je ziet het bierkaartje in de hand van de dichter tuimelen; het kan zo en het kan zo, het kan op de voorkant, het kan op de achterkant, ja, 4 randen ook, nee, zo kan het niet staan.

De poëzie van Tonnus Oosterhoff is ook die van het menselijk verval: de hersenen die toch niet doen wat ze zouden moeten doen, ondanks al die machinerie; dat lichaam dat zichtbaar in elkaar stuikt en rare vertoningen begint te geven. Er is de blik van de dichter die de wereld vol ongeloof en dus toch ook met een zekere graagte bekijkt, soms wat humoristisch lijkt maar het toch ook niet helemaal is.

Opvallend nu is dat hij de zogenaamde bewegende webgedichten op papier kan doen leven, dat we kunnen zien/ervaren (of is het omdat we weten?) hoe woorden kunnen verschijnen, ontstaan en verdwijnen, het zien en het vermoeden is een ja/nee, zoals de digitale wereld op nullen en enen gebouwd is. Het aarzelen van Tonnus Oosterhoff is bedrieglijk, her is er niet om het niet, het is er om het ja: het bevestigen toch ook van ellende.

Deze poëzie is gedrenkt in het warme bad van de traditie. Het gedicht ‘Mijn grootvader, zijn broers, hun lange levens’ bevat een citaat uit het gedicht ‘Herinnering’ van J.C. Bloem, het ‘Voorbij, o en voorgoed.’ Er is de ‘Kempse kleurenleer’, een verwijzing naar Pierre Kemp.

En de merel, de merel en Wallace Stevens.

Tonnus Oosterhoff heeft eerder al de vogel in zijn poëzie ondergebracht – niet te verwonderen eigenlijk voor een dichter die het dierlijke en het menselijke op een zelfde manier behandelt. Eerst hier en dan ook daar.

In de nieuwe bundel Ja Nee staat het merelgedicht op p. 35 en wij lezen er een verwijzing in naar het Wallace Stevens-gedicht ‘Thirteen ways of looking at a blackbird’. Er is de beweegloosheid van een merel die wacht op soortgenoten, een merel die het eeuwig leven lijkt te hebben en dus veel geduld bezit. Hij wacht op wat komen gaat, op een toekomst, ja, het is eigenlijk een optimistisch gedicht, zeker voor deze dichter. Ik citeer de eerste strofe, let op de kalme, gedragen toon van de dichter, hij beschrijft, er is geen interpretatie (lijkt het, maar dat is natuurlijk niet zo: woorden zijn beladen: eeuwig-wachten-bliksem-zwavel, enzovoort zijn woorden met betekenis, geschiedenis, traditie, slib). ‘Emelten’ in de laatste regel zijn larven van de langpootmug – het doet altijd plezier dat een dichter woorden kent die wij moeten opzoeken:

Een merel met het eeuwig leven wachtte
tussen bliksem en zwavel, in lava en ijs,
op soortgenoten, een vrouwtje voor eigen gebruik,
verliefd zijn, mededingers op schoorstenen (om tegen te spreken),
wormen, emelten voor de jongen.

De tweede regel contrasteert met de eerste waar rust heerst, de tweede regel is de overweldigende natuur, de rest van de strofe is het sociale leven van de merel. De vraag is wat het echte leven is : dat van het wachten of dat van het actieve bewegen? Staat de merel voor het individu of voor de soort: dan is ‘de merel’ het abstracte, bijna platoonse begrip van de merel: alles maakt lawaai, beweegt en sterft af, maar er is de merel die wacht.

De tweede ‘strofe’ bestaat uit 1 regel: ‘Al deze wezens kwamen en gingen.’ Het is slechts het voorbijgaande,  dat sociale leven, dat leven dat door ouders ‘het echte leven’ genoemd wordt. Wacht maar tot het echte leven, is de strijdkreet van de overwonnene.

De derde strofe neemt regel 2 van de eerste strofe terug en beschrijft de wrede, ijzige natuur. De merel, die een lijster geworden is – de merel is een lijsterachtige – denkt er het zijne van. Alles blijft hetzelfde: het klimaat gaat en keert, maar is klimaat en ijstijden komen en gaan. De chimpansees zijn er nog steeds, en de mens ook. De laatste regel verwijst naar (verwijst misschien naar) het 13de gedicht van Wallace Stevens: ‘It was evening all afternoon. / It was snowing / And it was going to snow. / The blackbird sat / In the cedar-limbs.’ In de vertaling van Paul Claes (Druksel, 2012): ‘Het was de hele middag avond. / Het sneeuwde / En het zou nog sneeuwen. / De merel zat / In de cederboom.’ Er is geen rechtstreeks citaat maar de stilte is ook in het gedicht van Oosterhoff aanwezig. Bij Wallace Stevens is er tegenover de wereld (maar de merel is ook in de wereld betrokken) een kalmte, de wereld is er toch vooral één van kunst, poëzie, de ander. Tonnus Oosterhoff trekt deze wereld open naar de natuur, bij hem is ‘de wereld’ niet die van uitsluitend ‘de mensen’ maar alles: het universum. Vanuit dat vogelperspectief ziet hij de wereld, de tijd die 1 geheel is. Wat de mens als grote veranderingen ziet, is vanop afstand een kleine verschuiving die nadien weer in haar oorspronkelijke plooi valt. De Engelstalige vraag is een directe verwijzing naar Richard Dawkins wiens vraag Why are there still chimpanzees een aanleiding is om de evolutietheorie duidelijker te maken dan wat gemeenzaam gemeend wordt. (Alle grote dichters werken met de kennis van hun tijd.) Dawkins legt uit dat de vraag die mensen zich stellen, verkeerd is. Wij stammen niet af van, maar we zijn verwant aan. Er is dus veelvormigheid. De paradox in dit gedicht is dan dat er wel degelijk beweging is (het klimaat, de natuur, de evolutie) maar dat alles toch hetzelfde blijft.

Tonnus Oosterhoff als de hedendaagse Parmenides, zoals zijn broeder Lucebert dat geweest is, maar met een spinozistische rand: binnen de beweging is er een vaste kern. Lees nu:

In hete stormen, stenenregens, vrieskou met sterren
denkt de lijster min of meer terug.
Wat is een klimaat? Een stapel weer?
Why are the chimpanzee still there?
Niets beweegt. Niets verandert.

Advertenties