hugo claus, anti-bollandist (6)

door johan_velter

hugo-claus_goede-geschiedenissen_eustochium

Mogen we in de ondertitel ‘Kinderheiligen’ ook een verwantschap zien met de Kinderszenen van Robert Schumann, dan hebben we nog een connectie met Dorothea van Male, waar de moeder van Dorothea deze muziek steeds weer beluisterde. Deze kleine muziekstukjes zijn frivool van opzet, ontspannen in uitwerking, dromerig van sfeer. Niet ‘het grote’, maar het kleine keukenwerk, voor een kunstenaar misschien het mooiste wat te bereiken is – het grote steunt te veel op een systeem. We weten hoe afkerig Claus daarvan was.

Wat zien we? Een kinderhoofdje, daaronder een doos/tafel, bedekt met een stof en vooraan pontificaal een bloem, wij zouden zeggen dat het een tulp is. Thierry Renard bedoelde misschien dat een kind als een bloem is, dat ze een vrouw zal worden en elke vrouw is toch, uitgenomen de pastoorsmeid en de teven, als een bloem. Maar het ding tussen het meisje en de bloem blijft onduidelijk. Een geschenk? Een goochelaarstafel?

Hugo Claus schreef een gedicht met als heldin Eustochium, wat is dit voor een meisjesnaam, hoe kan zo iemand bestaan hebben?

Eustochium,’ zei haar grootmoeder,
‘als je zo nodig wil
dat je bloem wil bloeien,
dan moet je er tegen spreken!’

‘Uiteraard’, zei Eustochium,
de maagd-martelares van de opium,
‘dat is zonneklaar!’
En zij sprak en de bloem antwoordde
en beet in het meisje heur haar.
Wrede beten! Het kind werd kaal!

Eustochium met je rare naam,
men zegt dat je nooit hebt bestaan,
maar is dat een reden om je te vergeten?

Weer zien we hoe de verbeelding of het schrijven van Hugo Claus in gang gezet werd door de collage van Thierry Renard. Het spreken tegen planten is een tijd populair geweest, praatte Prins Charles niet een tijd tegen zijn planten?, daarvan groeiden planten beter, zei men. Het hoofd van het kind en de bloem staan dicht bij elkaar. Het fluisteren is mogelijk.

De bloem, en misschien vooral de rode kleur, zet Claus op weg om de connectie met opium te maken – en vermits het om heiligen gaat is de connectie met maagd-martelares snel gelegd. Maar dan wordt de plant een vleesetende (haaretende) plant, een plant die de mens aanvalt en kaal maakt. Er is een contradictie tussen het gebruik van opium en het ‘zonneklaar’.

De derde strofe spreekt de heilige rechtstreeks aan: de rare naam, de twijfel over de echtheid en eindigend op een levensles – vervang de naam door kunst en men weet waarover Claus gedicht heeft. In de Toohcsmi-versie uit 1999 begint de laatste regel niet met ‘maar’, buiten de eindpunten komt de bibliofiele versie overeen met de reguliere uitgave.

Callista mag een gefingeerde heilige zijn, Eustochium was dat niet. Ze was een leerlinge van de heilige Hieronymus, de bijbelgeleerde heeft haar brieven geschreven. Ze kende Grieks en Hebreeuws. ‘She was, Jerome says elsewhere, a woman of great spirit in a little body, […].’ (Attwater, 123). Het is dus moeilijk om wat Claus hier beschrijft met de historische figuur Eustochium te verbinden.

Maar zou hij binnen dit werk niet het verschuivingsprocedé gebruikt hebben en de eigenschappen van de ene heilige aan de andere gelinkt hebben? Piet Gerbrandy schreef n.a.v. het verschijnen van de bundel Wreed geluk in De Volkskrant van 9 april 1999: ‘deze reeks lijkt op het eerste gezicht weinig meer te zijn dan een verzameling gefingeerde heiligenlevens vol idiote details en onuitstaanbare flauwiteiten’. Misschien is dit niet waar, alleen al de laatste regel van dit gedicht bewijst het tegendeel. Er is ook de vrijheid die de auteur zichzelf gegeven heeft, een zoektocht naar verwantschap met de beeldende kunstenaar, een waardering voor de inventiviteit en een volwaardig gesprek tussen woord en beeld. (Veronderstel een tegendeel: Claus ziet een tulp dan is het evident om over de tulpengekte te schrijven – Claus denkt aan opium, dan is het evident om aan een mystica te denken – ik bedoel maar: Claus kiest niet altijd de evidente weg. Het wegbijten van het haar is natuurlijk ook een levensles: vertrouw de ander niet en/of spreek niet tegen planten – bewaar uw haar.)

hugo-claus_goede-geschiedenissen_felix

De zesde collage die Thierry Renard maakte toont een kind (waarschijnlijk een meisje als het inderdaad een oorbel draagt), de rechterhand houdt de rugleuning van een kinderwagentje vast. Daarbovenop is een prent van een kous met jarretels en -gordel aangebracht: het kind is gevangen in de moederelegance. Als men het Clausgedicht zonder de prent leest, een typisch Clausgedicht, zou men zeggen. Al is het kind waarschijnlijk een meisje, Claus noemt hem Felix, de gelukkige. Er zijn zat heilige Felix’en. Er zijn zat heiligen die in de moederkerk gevangen zaten. Er zijn zat mensen die in de rokken van moeders verwikkeld zaten. Wat Claus in dit gedicht verhaalt is toch een typisch Clausverhaal, maar op een luchtige toon verteld, afstandelijk, licht-ironisch, geamuseerd, een spel van woorden (blind van liefde) en betekenissen (geur van bloed).

Felix was loslippig.
Zo vertelde hij op school
wat zijn moeder hem had verteld
over het geweld van de liefde en hoe je door liefde
ziek en zot werd, zeker weten!

Felix was ook kippig
en raakte vaak op den dool
en vond zijn weg alleen op de tast
en op de geur van bloed.

Het kippige van Felix is natuurlijk het gevolg van de vrouwelijkheid en de liefde. De laatste strofe is ingekort. De reguliere editie van 1999 geeft:

Als geen ander bleef hij
gevangen
in zijn moeders ondergoed.

In de Toohcsmi-versie zit een verrassing:

Als geen ander bleef hij
verrast en gevangen
in zijn moeders ondergoed.

‘Verrast’ is on-clausiaans, het gevangen-zijn is een geslotenheid, het verraste een openheid, een ontvangen – tegenover het afweren. De bibliofiele editie is dus meerduidiger en eigenlijk ook gepaster omdat het zo verwijst naar het mysterium tremendum et fascinans.

Ook dit gedicht heeft dus de collage van Thierry Renard als motor. Het loslippige van de eerste strofe is zichtbaar in nog een ander beeld: de losse lippen van de bretellen die we op prent 7 van de heilige Gildas zullen zien. Claus, de puzzelaar.

Advertenties