hugo claus, anti-bollandist (5)

door johan_velter

hugo-claus_goede-geschiedenissen_dorothea-van-male

Het vijfde gedicht is een levensbeschrijving van Dorothea – natuurlijk moeten we denken aan Dorothea van Male en haar Schola Nostra (1971). Nog in 2000 uitte Claus tegenover mij zijn verontwaardiging dat niemand dit boek had opgemerkt, dat het doodgezwegen was – en zoals we weten is dit zijn ‘Nabokov’, zijn Pale fire.

Kom, laten we Claus zijn plezier vergallen. Op pagina 12 van het ongekende meesterwerk zegt Dorothea tegen Hugo Claus (het gaat nog om de inleiding): ‘Ik heb geen vrienden,’ zei (citeerde) Dorothea van Male, ‘alleen minnaars.’ In het Bartolomeus-gedicht van Goede geschiedenissen, of een A.B.C. van de Kinderheiligen lezen we ‘en dat hij geen vrienden had, alleen minnaars’. Wat een spiegeleffect, alweer. Dorothea van Male is een gefingeerd personage dat door Claus als een echte persoon wordt voorgesteld, hij citeert haar en Claus voegt toe dat haar woorden een citaat zijn en jaren later (1999) haalt Claus die woorden in een andere context in zijn oeuvre binnen en plakt die op een personage dat geen uitstaans heeft met het eerdere. (De uitspraak komt van Oscar Wilde die tegen Pierre Louÿs zei (en gretig door Jean Cocteau, de onderschatte) werd overgenomen: ‘I have no friends, I have only lovers.’. Andere bronnen vermelden andere omstandigheden en de woorden in een andere versie.)

Ach, lieve lezeres, laat me nog wat blijven bij deze Dorothea, nu de dood ons op de hielen zit, hebben we alle tijd – de dood bevrijdt de tijd en ook jullie, Stasi-lezers, die onder elk woord een ander woord vermoeden, die elke zin averechts moeten lezen om uw puntjes te halen, die elke keer weer een schrik van het hart opdoen want weer hebben ze het niet begrepen, kunnen beter deze woorden lezen dan mensen te achtervolgen (het verhaal schrijven: de meeloper, de overdrager) en over te brieven – als een schoothondje aan het baasje en met het staartje te kwispelen – wat een vrije geest te zeggen heeft en kijk, daar staan ze al aan de poorten van de hemel bij Sint-Petrus en ze staan te wijzen naar die ene daar en Sint-Peter roept Lucifer en schopt ze van voor de hemelpoort naar de hel, in de diepste ring, daar kunnen ze met elkaar meelopen en elkaar overdragen. Sint-Pieter zal zich drie maal moeten wassen, al te vuil is het contact met dat soort.

Heel deze mystificatie over en met Dorothea van Male heeft heel wat te maken met de kinderheiligen. Er is dezelfde katholieke sfeer, er zijn de persiflages, de verdekkingen, de verwijzingen naar andere literatuur en personages. Het zou onderzocht kunnen worden in hoeverre Claus zich voor Dorothea van Male heeft laten leiden door het oeuvre van Christine D’haen, Berenice is niet de enige concrete verwijzing, er is vooral de algemene levenssfeer van meisjes onder elkaar, het zoeken naar een seksualiteit, een hang naar het perverse en het pronken met niet-verwerkte kennis. Men spreekt van Claus als de veelvormige maar er is meer eenheid dan men vermoedt. Georges Wildemeersch (Hugo Claus: de jonge jaren, 2015) heeft een psychologische eenheid willen vastleggen (de wraak), er is ook een zeer sterke eenheid in het bronnenmateriaal, in de verwerking ervan en in de vreugde. Als men Dorothea van Male vergelijkt met de Goede geschiedenissen dan proeft men een verschil in sfeer: er is het spottende van Dorothea, de kinderheiligen herbergen meer vreugde en er is daar ook milde ironie, plezier in het verbeelden maar – het is hetzelfde werk.

In Schola nostra komen heiligen voor: bijvoorbeeld de heilige Eustachius, de heilige Dymphna, Sint-Anselmus. Het aantal exemplaren van Goede geschiedenissen zou (zie eerder) bepaald zijn door de optelsom van verschillende leeftijden van  o.a. auteur en kunstenaar. Dit spel van cijfergeleerdheid en pseudowiskunde komt ook in Schola nostra voor. Claus legt het getekende omslag voor (nog een gelijkenis: het manuscript van Dorothea van Male is in een gelijkaardig schoolschrift geschreven): ‘In de rechterbovenhoek, in een soort wolk staat 23 maal het cijfer 23 waarmee een voor mij ontroerende en naïeve manier de versmelting van de twee geliefden wordt aangegeven, nl. de twee cijfers Dorothea 14 en Angèle 9 worden samengeteld.’ (p. 64) en op p. 116: ‘Als je de letters van het A.B.C. cijfers geeft van 1 tot 26, de letters van de naam vervangt door de corresponderende cijfers en die optelt, krijg je voor DOROTHEA: 86. Dit samengeteld is: 8+6=14. Maar ook VAN MALE geeft 14 (nl. 6+8). De voornaam levert het ware cijfer dat correspondeert met de diepste kenmerken van het wezen.’ Enzovoort, wij heten niet Jean Weisgerber.

Er is ook een kennelijke bron voor de gedichten van  Dorothea van Male: Les panégyriques des Saints van [Esprit] Fléchier (p. 62), lofredevoeringen, maar al bestaat dit boek, ook dit is een mystificatie. Er is de champagne, die we ook in het gedicht 4 van de Goede geschiedenissen over Dorothea lezen en die Dorothea van Male op latere leeftijd graag dronk. Er is de tijd : ‘De Verklikker is natuurlijk Oom Richter als God. Een God die de tijd beheerst (de uurwerken rond de schedel), […].’ (p. 71). Natuurlijk is er een gedicht dat ‘Hagiografie’ heet en wat Claus met zijn kinderheiligen omgekeerd doet. Er is de theologische grond van Claus. Dorothea van Male schreef over de ‘4 vereiste wonderen’ om heilig te kunnen worden. Claus corrigeert: ‘Niet helemaal correct natuurlijk. Voor een zaligverklaring volstaat het dat het object twéé wonderen op zijn naam heeft, daarna hoeft men slechts twee of vier wonder-tekenen voor te leggen om heilig verklaard te worden.’ (p. 93). Toch blijft Claus bescheiden, en zo is hij ook onze leermeester: ‘Katenen. (Lat. Catena) Aaneenschakeling van verklaringen van bijbelteksten inz. uit de kerkvaders. Als eerste exegeet van Schola Nostra zijn mijn katenen helaas eveneens onvoldoende.’  (p. 95). De verwijzing naar de vlinders van Nabokov op p. 107 toont de superieure humor van Claus aan. ‘Want het is een feit dat wanorde de conditie is van de vruchtbaarheid van de geest.’

En daarmee is het genoeg geweest voor vandaag, dacht ik. Maar ik heb nog niets gezegd over het Dorothea-gedicht. Kom hier, snel:

hugo-claus_goede-geschiedenissen_dorothea

Dorothea
Meisje met veel praatjes.
Speelde dagenlang met haar hoepel.

Verslaafd aan schuimwijn
(die noemde haar vader: champoepel)

die kietelde haar gaatjes
vooral tijdens de getijden.

Haar vader zei dat de tijd
iets voor schoothonden was.

Dorothea beaamde,
rozerood opgewonden.

De voortgang van het gedicht wordt door de beelden en de klanken gedreven: schuimwijn > kietelen > urineren > water > getijden > tijd > honden > opgewonden. Het gedicht begint met een beschrijving van de collage van Thierry Renard. ‘Champoepel’ is de Château migraine-kant van Claus.We zien een meisje, rond haar duiven – Claus heeft die niet in het gedicht opgenomen. In haar rechterhand heeft ze een stok, in de achtergrond een klein muurtje, het is het platteland maar het is onduidelijk wat ze doet. Heeft ze inderdaad een hoepel in de hand, dan is de stok met het speeltuig te verbinden. Het is onduidelijk of Renard de hoepel heeft toegevoegd of dat hij die geaccentueerd heeft – de drukkwaliteit van de prenten is eigenlijk benedenmaats, te flets – andere collages zijn echter plots zeer fel. In die hoepel heeft Renard een uurwerk geplaatst en het meisje in de rug een opwindsleutel gestoken. De versregels 8-9 verwijzen naar dit uurwerk, Hugo Claus geeft een nadere interpretatie. Renard bedoelt dat kinderen en volwassenen door de tijd geregeerd worden waardoor ze opwindbare poppen worden. Claus noemt tijd iets voor schoothonden, een verheviging van de minderwaardige soort: hond. Tijd is met de volwassenheid te verbinden, we weten dat Claus een aanhanger van het Witold Gombrowiczianisme was. Het hele gedicht heeft iets frivools gekregen: praatjes, een hoepel, schuimwijn, het lichaamsplezier, de tijd waarboven men staat, de rozerode opwinding. Jazeker, Dorothea van Male.

Het is moeilijk dit gedicht met de heilige Dorothea van Caesarea (circa 290-circa 305) te verbinden, ook al is zij de patrones van de bierbrouwers, bier is geen schuimwijn.

Advertenties