hugo claus, anti-bollandist (4)

door johan_velter

hugo-claus_goede-geschiedenissen_bartolomeus

Het tweede gedicht uit de reeks Goede geschiedenissen, of een A.B.C. van de Kinderheiligen begint met de naam van de kinderheilige alsof het om een lemma uit een encyclopedie gaat. Het eerste vers ontkent wat volgt: ‘Niets is over hem bekend.’ Maar het kan ook dat Claus bedoelt dat we niets over zijn gevoelens of gedachten weten – net alsof we daarin geïnteresseerd zouden zijn. Het gedicht beschrijft de heilige als een wat onnozele figuur die niet weet wat hem overkomt, hij bleef maar grijnzen. Al is dit gedicht gezet als 1 geheel, toch kunnen we ook hier een drie-structuur zien (1-3, 4-7, 8-10).

Bartolomeus. Niets is over hem bekend.
Tenzij dat hij heeft geleefd
en dat hij geen vrienden had, alleen minnaars.
Dat heeft hij bekend
nadat hij doorzeefd was door zeven kogels
en bleef grijnzen naar zijn beul
die hem toen heeft gevild.
Het vel werd verkocht aan een Armeense
bisschop die er zijn Nieuw Testament
mee liet inbinden.

De villing doet denken aan Marsyas en aan ‘Het oordeel van Cambyses’, het schilderij van Gerard David, waar we het hier al eerder over hadden. De heilige wordt onomwonden als een homoseksueel beschreven, iets wat in de katholieke wereld, waar het onderscheid tussen homofiel en homoseksueel nog altijd gebezigd wordt, niet veel gebeurt. De zeven kogels kan naar veel verwijzen. De reeks gedichten ‘Zoek de zeven’ van Hugo Claus zelf, Tijl Uilenspiegel van Charles De Coster, de zeven hoofdzonden, enzovoort. Weer heb je een mengeling: kogels zijn een min of meer modern fenomeen, de heiligen zelf worden in het verleden gesitueerd en ook de villing is door het schilderij van David een historisch gebeuren. Dat boeken in mensenhuid gebonden werden/worden, is door de enen afgedaan als een kwakkel, anderen hebben het bewezen. Het gebruik van een mensenhuid doet onwillekeurig denken aan concentratiekampen. Het verwijst ook naar de oppositie tussen de machthebber (een bisschop) en een gewone heilige: deze laatste wordt gebruikt om de heiligheid (het Nieuwe Testament) van de bisschop te tonen aan het volk. Schaamteloosheid.

De Toohcsmi-versie uit 1999 verschilt in niets (tenzij de punten in regels 3 en 7) van de reguliere versie (en dat geldt ook voor gedicht nummer 3, zelfde opmerking voor punten en komma’s). De prent van Thierry Renard in het prentgedeelte van de uitgave maakt het beeld van de kogels duidelijk: er zijn er 7. Het prentje mag nostalgisch ogen, het is het niet. Men ziet in de achtergrond een jongen met een geweer (steekmes bovenaan) in de rechterhand en een decoratie op de borst gespeld. Door de kogels prominent op de voorgrond te plaatsen, maakt Thierry Renard ons duidelijk hoe de machthebbers jongens als kanonnenvoer gebruikt hebben én gebruiken. Heeft Hugo Claus dan de rest uit zijn duim gezogen?

In The Penguin Dictionary of Saints van Donald Attwater (second edition, revised and updated by Catherine Rachel John, 1988, p. 55, vanaf nu steeds vermeld als Attwater) lezen we bij Bartholomew, apostle: ‘[…], nothing certain is known about him’, door Claus bijna letterlijk overgenomen. En wat verder: ‘Later writers associate St Bartholomew with the spreading of the gospel in Lycaonia, India and, more particularly, Armenia, where he is said to have been martyred by being flayed alive; but there is no certainty about any of this.’ We hebben dus het testament, Armenië en het weinig bekende over zijn leven. Ook de naam Bartholomeus is onzeker, bij Johannes I, 45-51 wordt hij immers Natanaël genoemd, en van hem is de beroemde en eindeloos geparafraseerde vraag: ‘Kan er iets goeds komen uit Nazaret?’. Blijft echter als onduidelijk over: de vrienden-minnaars – een verwijzing die we eerder bij de heilige Sebastiaan zouden verwachten.

De letter C verwelkomt de heilige Callista:

Callista was zeer opvliegend.
Vooral tijdens de mis wanneer God
zich elk moment aan haar zou openbaren,
dacht zij.
Hij zou zich over haar verspreiden
als de geur van een ziekenhuis, dacht zij.
Zij schreef elke dag een ansichtkaart
naar God.
God antwoordde niet.
‘Dat komt omdat ik in België
werd verwekt,’
snikte zij.

Weer hebben we een beschrijving van een pogen, een willen, een bijna dwingen van het goddelijke: als ik x doe, dan moet y gebeuren, zo niet word ik nijdig. De geur van het ziekenhuis herinnert aan de wierookgeur van de eucharistieviering. Een ansichtkaart schrijven doen toeristen of kinderen die in Sinterklaas geloven. De laatste regels is het typische zoeken van de intellectueel onmachtige naar een reden om het eigen falen te kunnen verdoezelen. Hier is het natuurlijk ook een gerechte straf en past het naadloos in het oeuvre van de schrijver: Het verdriet van België.

hugo-claus_goede-geschiedenissen_callista

Wat maatschappijkritisch lijkt, is ook een postkaartgegeven. De collages van Thierry Renard hebben allemaal als basis een foto van een kind dat als een volwassene is uitgedost, de foto’s hebben (waarschijnlijk) het postkaartformaat, foto’s uit die tijd waren ansichtkaarten. Niet het speelse, niet het onaffe maar de ernst en de volwassenheid zijn het ideaal. Op de derde collage zien we een triestig kind dat toch bijna een glimlach forceert. Haar hand ligt op een dik, oud boek, ongetwijfeld de bijbel. De eerste minimale ingreep van Renard is het plaatsen van 6 sterren rond haar hoofd, als een aureool van een heilige – hier eerder een schijnheilige. Onderaan de foto staat links ‘Carl Seegert’ en rechts ‘Berlin’ in rood gedrukt. Thierry Renard heeft in het midden ‘Made in Belgium’ geplaatst en de dichter heeft dit dankbaar verwerkt.

Callista wordt gelijkgesteld aan Calixta, de zeer schone (kallista, Grieks). Maar er is geen vrouwelijke heilige die Callista heet, wel is er een Callistus geweest, (misschien was er wel een Callista maar daarover is onzekerheid, dan zou ze de zus van Hermogenes en Evodius geweest zijn maar het kan ook om Callistus gaan – het Westen heeft altijd een probleem met mannennamen die eindigen op a), hij had de begraafplaats op de Via Appia onder zijn beheer. Vandaar de geur? Hij was een goede heilige, niet recht in de leer en medemenselijkheid was zijn bekommernis.

Paul Claes voegt toe: Callista is geen officiële heilige, maar Kardinaal Newman schreef in 1855 de roman Callista over een fictieve christelijke martelares met die naam, die aan het eind heilig wordt verklaard. Het boek is blijkens het Lectuurrepertorium ooit in het Nederlands vertaald.
Er zijn wel kloosterzusters die Callista heten (vervrouwelijking van Callistus).

Advertenties