hugo claus, anti-bollandist (3)

door johan_velter

hugo-claus_goede-geschiedenissen_ambrosius

Het eerste gedicht uit de reeks Goede geschiedenissen, of een A.B.C. van de Kinderheiligen begint met de gewijde uitdrukking ‘Het geschiedde’, een echo van Lukas 2, 1: ‘En het geschiedde in die dagen, dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus, dat het gehele rijk moest worden ingeschreven.’ En daarmee is de titel van de reeks herhaald in het incipit van het eerste gedicht.

Maar hier geschiedde het in oma’s salon (en het geschiedde is ook het geschiet, West-Vlaams voor geschijt).

Het geschiedde in Oma’s salon.
‘Ho,’ riep Ambrosius, ‘ho, mijn bronco!’
Het paard steigerde van vreugde
en van vreugde scheet het op Oma’s Kelim.
Beëdigde getuigen getuigden
dat op dat ogenblik een aureool
over Ambrosius’ schedel daalde
en dat Ambrosius ter plekke
nooit tevoren in het Westen gehoorde
hymnen zong.
Het kind werd zalig verklaard
nog voor het kon lezen en schrijven.

De herhaling van woorden is opvallend. 3 maal Ambrosius, vreugde-vreugde, getuigen-getuigden. De dubbele vreugde duidt een oorzakelijke keten aan maar is ook een deel pseudo-oorzakelijkheid. Het gedicht valt in 3 delen uiteen: vers 1-4 is de beschrijving van het gebeuren. Vers 5-10 komt buiten de actie te staan, dit is wat verteld wordt wat gezien was. Vers 11-12 is het resultaat van deel 1 en 2. Men kan ook zeggen dat er 3 strofen zijn, zoals in andere gedichten uit deze reeks, de driedeling is bijna overal aanwezig.

Bronco is een Mexicaans paard, wild, ongetemd. Ah, Claus heeft ongetwijfeld ook Zorro op zijn paard gezien. Kelim is een oosters tapijt, bont, exotisch. Het hoofdlettergebruik van Claus (Oma, Kelim) is ouderwets, misschien ook onnodig en kon door een redactionele ingreep gemakkelijk tot het normale teruggebracht worden.

De conclusie van dit gedicht is dat Ambrosius (let wel: niet Sint-Ambrosius of de Heilige Ambrosius) een onnozel kind was: zalig verklaard zonder kennis gehad te hebben. Maar wat is er gebeurd? Er is namelijk niets gebeurd. Of wel? Een kind speelt alsof het op een paard rijdt. Het beeld paard schijt echter zeer realistisch en het resultaat is niet alleen te zien maar ook te ruiken. Dan verschijnt er een immaterieel beeld, een aureool en het kind begint te zingen in nog nooit gehoorde gezangen. Wat is er verder met ‘het kind’ gebeurd? We weten het niet. Zijn er heldendaden gevolgd? We weten het niet. Want wat hier beschreven wordt, is wat Ambrosius overkomen is: zelf heeft hij nauwelijks verdienste aan zijn zaligheid (let wel: zalig, niet heilig), een echte katholiek dus. Toch is er in zo’n ‘onnozel’ gedicht weer heel veel gaande: het vraagstuk van de echtheid en de afbeelding, het profane en het sacrale, het zeggen over en het werkelijke, het belangrijke in een leven, de waarde van kennis en geloof. Ach stop, je moet ook niet overdrijven.

Wat boven staat is de versie die te lezen is in de bundel Wreed geluk (1999) en in het verzamelwerk Gedichten 1948-2004 II (2004). Maar de oorspronkelijke versie van de Toohcsmi-versie uit 1999 is licht anders. Weer zien we hoe het werk van Claus gemassacreerd werd door uitgevers. We weten dat de juiste schrijfwijze en Hugo Claus op gespannen voet met elkaar stonden. Het is een kwestie van beleefdheid om schrijffouten te verbeteren. Er zijn echter ook 2 inhoudelijke verschillen.

hugo-claus_goede-geschiedenissen_ambrosius_rubens_rond-1615

In 1999 begon het gedicht (minder goed) met: ‘Ambrosius reed door Omas salon’ – zonder eindpunt en zonder afkappingsteken in het woord Oma’s. in deze uitgave werden de namen van de kinderheiligen onderlijnd, in de reguliere editie cursief gezet. Het is een verbetering het gedicht met ‘Het geschiedde’ te laten beginnen. Claus treft direct een plechtstatige stijl die ook direct weer ongedaan gemaakt wordt. Er is de vermenging van het sacrale met het platvloerse (in dit gedicht zeer letterlijk te nemen), we zitten in een sfeer die doet denken aan Rabelais, De Ghelderode, Charles De Coster. Een andere schrijffout is ‘beëedigde’, ook staat er na zong geen punt. In de reguliere uitgave staat ‘nooit tevoren in het Westen gehoorde / hymnen zong.’ Het Westen moet hier tegenover het Oosten van de kelim begrepen worden. In de 1999-editie staat echter: ‘nooit tevoren in het Westen gehoorde / hyperbolische hymnen zong’. Hymnen zijn lofzangen op een god of op een held, zijn dus plechtstatig en hoog van karakter. Hyperbolisch heeft hier een overtreffende betekenis: betekent ‘sterk overdreven’. Maar kan men bij helden of goden overdrijven? Claus heeft het woord in de reguliere bundel laten vallen waardoor het gedicht een toon lager komt te zitten (het 3 keer terugkomen van de h-klank was een mooi effect: gehoorde, hyperbolische, hymnen) en door de droge toon een komischer effect krijgt.

hugo-claus_goede-geschiedenissen_ambrosius_thierry-renard

Waar halen ze het toch allemaal, die dichters? Vanwaar komen die beelden? Uit die koker? Ach, wat moet daar toch niet allemaal in zitten!

De dichters halen het uit de boeken en uit de prenten (waarmee het probleem een trede lager komt te staan en dus telkens weer hetzelfde antwoord krijgt: tot bij Adam!). De eerste prent uit het ‘plakboek’ van Goede geschiedenissen, of een A.B.C. van de Kinderheiligen, dus het Thierry Renard-deel toont een getekend mannetje (eigenlijk uitgeknipt) en daarachter zien we een paard. Achter het hoofd van het mannetje, dat zelf een muts met een pompon draagt, zien we een cirkelvorm en dat moet de hoed van het meisje zijn dat op het onechte paard zit. het gaat overduidelijk om een studiofoto. Het kind van het opgeplakt prentje houdt zijn armen gestrekt en het is zo geplaatst dat het lijkt alsof het het paard berijdt. Bijna alle elementen die Claus in zijn gedicht opneemt, zijn dus al in de collage aanwezig: een kind, een speelgoedpaard, een kelim (tapijt), een aureool, de jonge leeftijd. ‘Oma’s salon’ kan opgeroepen worden doordat het om oude foto’s gaat. Wat niet in de collage te zien is, is het zingen van de hymnen.

Ambrosius is de naam die Claus gekozen heeft. Hij kon echter ook Alban, Albert, Almachus, Aloysius, Alphege of … gekozen hebben: heiligen zat. Ambrosius (vierde eeuw) is 1 van de kerkvaders, hij heeft Augustinus in 386 gedoopt (ik spreek over heiligen nooit in de voorwaardelijke wijze: ze hebben het gedaan en nog veel meer ook) waardoor deze Sint-Augustinus is kunnen worden. Hij heeft het arianisme bevochten – het arianisme betwijfelde de Drievuldigheid (de drie-structuur van de gedichten van Claus heeft daarmee misschien niets te maken maar is wel wat het is). Hij heeft ook het primaat van de Kerk geïnstalleerd: de heerser staat niet boven de Kerk maar is er een deel van. Hij heeft wat geschriften nagelaten, o.a. De mysteriis en ook hymnen geschreven, al is het Te Deum niet van hem, het
Aeterne rerum conditor  wel.  We spreken nog van Ambrosiaanse hymnen. ‘He was the first teacher in the West successfully to make extensive use of hymns as a popular means of divine praise and of fostering right belief.’ (Donald Attwater, The Penguin Dictionary of Saints, second edition, revised and updated by Catherine Rachel John, 1988, p. 41).

Soms wordt Ambrosius op een paard afgebeeld.

Dit eerste gedicht is dus geschreven op basis van een collage van Renard, bijna letterlijk overgenomen en aangevuld met encyclopedische kennis – de hymnen komen niet in elk boek over heiligen aan bod, ook niet het paard.

[Naschrift] In 1982 verscheen van Hugo Claus Almanak, een bundel die door de kritiek niet gesmaakt werd. Alweer niet. De bladzijden van het boek zijn niet genummerd, wel staan de dagen vermeld. Op 24 september staat het gedicht ‘Hagiografie’ en dit kan binnen het oeuvre van Claus als een kiem gezien worden voor deze Goede geschiedenissen. Het gedicht volgt hetzelfde stramien als de latere heiligenlevens: een kind, een onzinnige gebeurtenis en een ‘naamwording’, het naleven dus. Voor dit gedicht hebben we echter geen bron gevonden. Of: nog geen bron gevonden)

Hagiografie

Theo, een jongetje van drie,
verslikte zich in een stukje Brie.
En voorwaar, zijn moeder zag
hoe buiten bij de luifel
een aureool aarzelend zweefde.

Zij opende het raam,
zij koerde als een duif,
zij wuifde als een hoer.

De aureool daalde zeer gewillig
op Theo zijn dode krullen.
Zo werd hij zalig en dan heilig verklaard.
Heel Vlaanderen kwam op bedevaart
en bad aan het altaar (waarachter
Moeder cheques schreef met veel nullen).

Beeld: 13e eeuw, reliëf altaarretabel; Italië, Milaan, kathedraal. Dries van den Akker s.j./2012.10.16
Peter Paulus Rubens, Ambrosius ontmoet keizer Theosodius I, 1615
Thierry Renard, Goede geschiedenis 1

Advertenties