hugo claus, anti-bollandist (1)

door johan_velter

peter-paul-rubens-de-marteling-van-sint-livinus

Van kleins af is hij omringd geweest door heiligen, geen echte, maar van plaaster, pseudo-heiligen, anti-vrouwennonnen. Zijn vader, zegt men, heeft boekjes uitgegeven met heiligenlevens, maar het is de vraag hoeveel hij daarvan gelezen heeft. Toch is die hele poppenkast hem bijgebleven en in zijn boeken heeft hij nu en dan naar die wondere wereld verwezen. Zelfs als niet-specialist begeleiden die verhalen elke katholieke, ex-katholieke, of anderszins bestaande mens. De musea tonen in een splinter het bestaan. Barbara met haar toren, Catharina van Alexandria met het rad, de heilige Livinus, door Rubens al te realistisch-gruwzaam geschilderd, wiens tong door de heidenen werd uitgerukt en als voedsel aan de honden gegeven. De heiligenlevens waren na te volgen levens, ze dienden de gelovigen als voorbeeld, het waren helden, bovendien gelovig. Dat deze hele santenboetiek (en lees dit woord nu eens letterlijk) weinig historische waarheid bezit en dikwijls gebaseerd is op levens van ‘heidenen’, wie zal er om malen? Gelovigen slikken en knikken. Voor een kleine jongen in het pensionaat waren deze levens wensdromen, en eigenlijk beter dan die cowboys en indianen die toch maar brave jongens bleken te zijn. Een heilige worden was echter niet zo gemakkelijk als een filmster spelen – Stop the rain –, een cowboy was lonely maar een heilige moest nog goedgekeurd worden door een hele hiërarchie, de voorwaarden waren bijzonder zwaar en hier hielp een politieke benoeming niet. Niet te verwonderen dat die marsepeinen heiligen de deur uit gingen.

Er waren ook kleine heiligen. Bernadette van Soubiroux was zo’n simpel kind, eigenlijk heeft ze niet zo veel gedaan, ze geloofde en ze zag. Het water werd heilig en de commercie floreerde. Het pastoorke van Ars was ook zo iemand. Hij had danig veel medelijden met de armen en waste zich daarom niet, at nauwelijks en werd heilig (verklaard). Maar wat een degoutant manneke, altijd dat hoofdje schuin gehouden, net alsof het een hedendaags meisje is: ik heb aandacht nodig, hou van mij. Stinkend daarbij en goddamme, structuren moeten veranderen, geen boterhammen uit de eigen mond sparen en zo zelf stinken van armoede.

Heiligenlevens schrijven was een vak apart. De wonderen moesten wel geloofwaardig zijn, maar hoe konden wonderen geloofswaardig zijn? Domme vraag, doordat het wonderen zijn natuurlijk. Het probleem lag elders, namelijk bij de rechtgelovigheid. Elke dag zie ik wonderen maar die zijn tegen het opgelegde geloof, dus gelden die niet en zijn ze ketters. Een heiligenleven kon algauw tegen de almacht van de god ingaan, of de scheiding tussen lichaam en ziel op een problematische manier te berde brengen. Men moest rekening  houden met de geloofspunten, de dogma’s, de zekerheden: wonderen uit de duim zuigen kon dus niet – in tegenstelling tot onze tijd. Er waren plaatselijke heiligen, enkel voor 2 dorpen in West-Vlaanderen, andere hadden een grotere uitstraling of werden ‘universeel’ aanbeden. De rijkdom aan namen is niet groot, verwarring van de ene heilige met de andere gemene zaak.

De uitgeverij Imschoot uit Gent bracht om financiële redenen een reeks kunstenaarsboeken uit, enfin dit werd zo genoemd maar was het niet. Niet een uitgever maar kunstenaars maken kunstenaarsboekenboeken, enkel een kunstenaar. De reeks bestond uit boeken van een zelfde formaat, een kunstenaar was ‘vrij’ om die vorm te geven, inhoud te geven (binnen de opgelegde structuren natuurlijk) en de uitgever verkocht ze. Een klein deel werd gesigneerd en genummerd, maar verschilde verder in niets van de handelseditie. Naast deze reeks bracht de drukkerij/uitgeverij een reeks boeken uit onder het imprint TOOHCSMI, een nogal doorzichtige omkering van Imschoot. Hier werden iets mindere goden opgenomen, ook meer lokale figuren. Imschoot was de man van het opvallende: hij kon kwaliteit leveren maar even goed de grootste snert, als het maar speciaal was. Niet het boek was belangrijk, de verkoop primeerde, ‘in de boekskes staan’ een doel. Het fonds heeft daardoor een ranzige bijsmaak gehouden – er werden wel een aantal gerespecteerde kunstenaars opgenomen maar het geheel had geen stijl.

De naoorlogse periode heeft een bezwering van nieuwe normen opgeleverd. Wat is goed, wat is kwaad, leven en dood of leven is dood: het existentialisme vierde hoogtij. Er moest gehandeld worden maar op basis van wat? De jonge generatie had de vorige generatie een oorlog zien voeren (waarvoor sommige jongeren zelf als kanonnenvoer dienden) die niet hun belangen diende. Wat was moraal waard als die in extreme omstandigheden van geen tel was? Braaf zijn is goed en wel, maar wat betekent dit als er wolven tegenover je staan? En als de verhaaltjes van de oude generatie op de letter genomen werden, waren de heiligen dan geen beesten en de beesten geen heiligen? Waar ligt de scheidslijn en wie bepaalt wie de grens oversteekt? Was Jeanne d’Arc een heilige of Gilles de Rais? Is een absolute liefde en hartstocht niet in se goed en dus nastrevenswaardig, wat er onderweg ook moge gebeuren? En wat is er zo heilig aan de oude, stinkende non uit De verzoeking? Hugo Claus kende ongetwijfeld het werk en de reputatie van Georges Bataille.

Freddy De Vree bracht in 1976 zijn boekje Hugo Claus in de ‘Profielreeks’ van Manteau uit. ‘Boekje’ is niet denigrerend bedoeld, wel is het een uitroep van spijt: had De Vree maar langer geleefd, dan hadden we nog veel meer kennis van hem gekregen. Als BRT-producer haalde hij Hugo Claus en Jean Weisgerber naar de radio-studio (19 oktober 1967) en liet twee mannen spreken. Wie dit leest en onderwijl luistert naar het gekir van Klaratje, heeft de neiging naar het bevrijdende wurgkoord te grijpen. Het gesprek ging over De verwondering, die toen 5 jaar eerder verschenen was. De vragen van Weisgerber zijn lang en toch betrokken op de geïnterviewde (terwijl bij Klaratje de vragen lang maar betrokken op de interviewster zelf zijn) en bovendien heeft de professor het boek gelezen (en heeft het reclamepersoneel van de uitgeverij niet, zoals bij Klaartje, de vragen ingefluisterd). Ik citeer de tweede helft van de vraag, ze behandelt het problematisch tijdsverloop van de roman: ‘[…], ik heb dat in verband gebracht met de heiligenkalender. Ik heb inderdaad opgemerkt dat de feestdag van Elisabeth van Spalbeek, die vereerd werd door de Kartuizers, de 19e oktober is, en dat de feestdag van de H. Hedwig, dus één van de vermommingen van Alice Harmedam, de 17e oktober is of de 19e oktober. En De Rijckel, het dagboek van De Rijckel, begint precies op 18 oktober, dus tussen de feestdag van Elisabeth en de feestdag van Hedwig in.

Hugo Claus: Mijn compliment. Ik geloof niet dat ik mij daar bewust aan gehouden heb, hoewel ik wel bij het schrijven van De verwondering een groot aantal dokumenten heb klaargelegd in mijn notaboek. En hoogst waarschijnlijk zal ik met die heiligenkalender wel rekening gehouden hebben en als vertrekpunt zoiets genomen hebben, maar ik kan u werkelijk niet zeggen dat ik dat konsekwent gehanteerd heb.’ (p. 16)

In het antwoord ziet men hoe beleefd Claus was. Eigenlijk zegt hij dat de professor iets uit zijn duim gezogen heeft, maar hij verbloemt dit door een ‘hoogst waarschijnlijk’ – net alsof het tijdsverloop van een roman bijkomstig is. Claus kan hier natuurlijk ook zijn ontgoocheling (dat iemand ‘het’ gezien heeft) trachten te verbergen. Maar laten we toch dit zeggen: het heiligenarsenaal behoorde tot de leef- en denkwereld van Hugo Claus, al was het maar op de achtergrond, als een kader. Verder in het interview begint Claus echter al toe te geven dat die Acta sanctorum wel van belang was, maar eigenlijk ook niet. Het blijft onduidelijk welk spel gespeeld wordt, vooral omdat de opwerpingen van Weisgerber en Freddy De Vree zelf, geen ‘sluitend’ beeld geven.

Eerder in het interview vroeg Weisgerber op wie het hoofdpersonage, Victor-Denijs De Rijckel, gebaseerd was. ‘Toen men u vragen stelde over de identiteit van De Rijckel, hebt u volgens die interviews gezegd dat De Rijckel een graveur of schilder was uit de XVIIe eeuw, terwijl hij in werkelijkheid een Kartuizer is uit de XVe eeuw.
Hugo Claus: Ik herinner mij heel goed hoe dat gekomen was. Een van die heren had het omslag, wat ik dus zelf ontworpen heb, en waar ik het over de allegorie had en over graveurs en schilders die zich van allegorieën bedienden, verward met mijn uitleg over ….’. Ondertussen weten we dat ‘zelf ontworpen’ nog iets anders is dan ‘zelf getekend’.

Die Kartuizer waar Weisgerber over spreekt, is, en dat lezen we dan weer in zijn essay ‘Hugo Claus: devotissimus et doctissimus doctor’ (Literair lustrum : een overzicht van vijf jaar Nederlandse literatuur 1961-1966, 1966) is ‘Dionysius cartusianus (1402-12 maart 1471) die te Rijkel (B. Limburg) werd geboren en te Roermond in het klooster trad.’ (p. 125). Op p. 126 schrijft hij het leven van de heilige en toont aan hoe dit alles een structuur van de roman uitmaakt. De bron zou Herfsttij der Middeleeuwen van Johan Huizinga zijn en dit alles (p. 127) maakt de band met Dante duidelijk.

Toch maakt ook Weisgerber niet duidelijk waarom Dionysius gekozen werd als ‘naamgever’. Misschien heeft Claus (zijn voorliefde voor het door anderen niet opgemerkte detail) ook dit gehaald uit The recognitions van William Gaddis (1952) waar op dezelfde bladzijde sprake is van James Frazer’s hoofdwerk – dat niet voor niets openligt op het hoofdstuk ‘Sacrifice of the King’s son’ (p. 23). De Vlaamse mysticus Dionysius Cartusianus schreef o.a. De vanitate mundi. In The recognitions is er op zijn minst een ‘mentale’ verwantschap tussen Gaddis en Claus te lezen, dit bijvoorbeeld ‘[… ] his charity to be a mask behind which he dissembled a sense of humor to mock them all.’ (p. 25). Maar zeker is er (overigens kan de verhaallijn van The recognitions geënt zijn op de begincarrière van Francis Picabia, wiens schilderij Acrobate (1949) het omslag van Claus’ In geval van nood (2004) siert) de verwantschap in het citeren, het leggen van draden zonder dat dit een inhoudelijke of dragende betekenis moet hebben. Dan komen we in een ander register terecht: dat van het ‘zinloze’ ornament en dit opent dan weer nieuwe perspectieven voor een andere Clausvisie. [Later schreef Paul Claes me: ‘Ik denk dat Claus de figuur van Dionysius de Karthuizer gevonden heeft in de uitgave van zuster Bertken door C. Catharina van de Graft (waaruit hij ook putte voor Het teken van de hamster). Daar staat (p. 16): ‘Dionysius de Karthuizer (1402-1472), die het leven der ingekluisden beschreef, prees de gelukkige cel’. Ook de claustrofobe hoofdfiguur van De verwondering schrijft in een cel en voelt zich als de auteur in de knel. Claus prend son bien où il le trouve.’]

Beeld: Peter Paul Rubens, De marteling van Sint-Livinus

Advertenties