het enig juiste

door johan_velter

dante_de-hel_canto-3

De erecode : hoe morele revoluties plaatsvinden van Kwame Anthony Appiah toont aan hoe zijn  eigen stelling, dat eer de moraal verandert, niet opgaat. Door zijn irrationeel betoog onder het mom van rationele ideeëngeschiedenis, brengt hij een ouderwets begrip, dat dateert van een voor-aristotelische tijd, naar het huidige Westen en doet hij alsof die hele Westerse geschiedenis door het eerbegrip gedreven werd. Hij maakt zelfs een uitstap naar China om zo de strijd tegen het inbinden van voeten te verklaren.

Appiah doet dit alles op een zo klungelige wijze, vertellen à la Reader’s Digest, dat er niet al te veel aandacht aan besteed zou moeten worden – ware het niet dat deze werkwijze kadert in het nieuwe irrationalisme dat zich een eigen geschiedenis wil geven en dat samengaat met een psychologisering en dus verknechting van het individu en het geweten. Zijn bibliografie is enkele decennia oud. De wetenschapsgeschiedenis heeft na Thomas Kuhn en Paul Feyerabend toch nog iets meer opgeleverd. In Nederland werd hij bekroond met de Spinozalens 2016, om aldus nog eens de werkwijze te demonstreren van de nieuwe denkers: onder het mom van een rationeel oeuvre wordt een anti-rationele denkwijze gepromoveerd. (Als men Spinoza denkt te kunnen verklaren terwijl men verlekkerd naar de moordende en mensonterende autosport zit te kijken én die ook rechtvaardigt, dan kan is het gedachtengoed van Spinoza niets meer waard.)

In het Westen zijn er twee grote morele denkrichtingen: de deugdenethiek en de plichtethiek. Aan de eerste is de naam van Aristoteles, die bij Dante ‘de meester van hen die weten’ genoemd wordt, onlosmakelijk verbonden; aan de tweede Immanuel Kant, de Verlichtingsdenker. Niet toevallig zijn beide namen ook verbonden met de wetenschap: Aristoteles wilde de natuur onderzoeken, Kant zocht een wetenschappelijk denken in het morele besef. Beide systemen zijn ranken van dezelfde boom, beide denkers leggen een verantwoordelijkheid bij het individu en gaan zelfs verder: beide zoeken een onafhankelijk denken. Niet enkel van de traditie, maar van de groep. Het groepsdenken wordt bij morele denkers én moralisten (denk maar aan Chamfort of Cioran) veroordeeld als een kooidenken waardoor (al naargelang de politieke strekking) noch maatschappelijke noch individuele vooruitgang mogelijk is. De paradox: het is niet de groep die de vooruitgang mogelijk maakt maar wel het individu. Niet het groepsdenken verbetert het menselijk lot, maar de alleendenker, de criticus, de dissident die gelijk heeft ook in zijn ongelijk die het nieuwe vindt en uitdenkt, terwijl de groep die eenling als een bende coyotes aanvalt.

Het socialisme lijkt tegen dit Westers individualisme in te gaan – reden dan waarom het communisme in Rusland mogelijk was: het Russische volk was al een volk van slaven – maar dat klopt niet helemaal. Het revolutionaire denken steunde op de Verlichting waar een onderscheid gemaakt werd tussen de individuele en de abstracte mens. Iedereen is gelijk maar iedereen is ook ongelijk. Het begrip mens duidt zowel de individuele als de abstracte mens aan: in zijn concrete levensomstandigheden is de mens een ik, als economisch onderdrukt wezen heeft hij gemeenschappelijke belangen met zijn lotgenoten. De doelstelling van het socialisme was een bevrijd individualisme, een ik zonder afhankelijkheden. De tegenstelling anarchisme-communisme is slechts door de jaren heen gegroeid (en zoals in de godsdiensten gebaseerd op onverenigbare karakters) en heeft met deze zaak niet vandoen: het was en is vooral een methodenstrijd.

Morele vooruitgang is niet te wijten aan de tijdgeest, is geen deus ex machina, is niet terug te brengen tot toevallige voorbijgangers maar heeft te maken met een interne dynamiek. In het Westen is deze beweging terug te brengen van abstract naar concreet denken. We definiëren de mens als vrij maar onderdrukken sociale klassen, groepen op basis van geslachtskenmerken, godsdienst of ras. Het is de roep van het denken die mensen alarm doet slaan: men zegt wel de mens maar de zwarte mens is onvrij, de vrouw is onvrij. Men zegt wel dat er democratie is, maar de werkende mens heeft als werkende mens geen rechten. Het is die spanning tussen het beoogde en wat is, dat een morele vooruitgang laat gebeuren. Als men zegt dat het levende recht op leven heeft, dan zijn er die wijzen naar de dieren; eens die rechten en plichten opgeklaard zijn, zullen er anderen opstaan en verwijzen naar een krop sla, ook levend. Waar het bewustzijn vroeger een decisief onderscheid was, is dit nu het onduidelijke ‘leven’.

Het systeemdenken heeft de ecologie mogelijk gemaakt – en heeft het islamistisch denken voorbereid. Daarin werd de individuele mens niet langer afgezonderd maar opgenomen in een netwerk van relaties: het individu is als dusdanig een illusie, hij bestaat maar omdat … : zijn verleden, afkomst, zijn geluk en ongeluk, de tijd, de plaats, het weer. Maar, typerend voor het Westerse denken, ook dit werd omgekeerd: doordat de mens in een systeem is opgenomen, heeft hij een verantwoordelijkheid tegenover dat geheel. De morele norm wordt daarmee verlegd én geabstraheerd: er is niet alleen meer een directe verantwoordelijkheid (tegenover zichzelf, zijn naasten, zijn omgeving) maar ook een algemene, verder afgelegen verantwoordelijkheid (de hele aarde, het universum, de toekomstige generaties). Er ontstaat aldus een morele verantwoordelijkheid die ongezien is in de geschiedenis van de moraal: niet alleen voor mensen, dieren en planten maar ook voor het idee ‘aarde’, ‘wereld’. En deze relatie wordt weer naar het individu gedraaid: de individuele mens is verantwoordelijk voor zijn eigen ‘voetstap’. Hij kan door zichzelf te verbeteren, de wereld redden.

Tussen Aristoteles en Kant staat René Descartes, de zo belaagde. Omdat in het Westen de moraal steeds verbonden werd met inzichtelijkheid, de boom van goed en kwaad is de boom van de kennis, heeft hij een morele standaard geplaatst in het individu zelf door de moraal in het denken te verankeren. Het denken moet op het eigen denken gegrondvest zijn: de mens moet de traditionele systemen afbreken om zélf het denken terug op te bouwen. Dat dit praktisch niet mogelijk zou zijn, is een bezwaar dat naast de kwestie staat. Uiteraard. In Descartes is de moraal gegrondvest in het individu en hij kan zowel de deugdenethiek als de plichtmoraal volgen.

De eermoraal is een moreel systeem dat het Westen vreemd is, dat anti-Westers is. Het woord eer wordt nog gebruikt en heeft een betekenis maar het begrip is geen rechtvaardigingsgrond. Men kan wel zeggen ‘dat is mijn eer te na’, waarmee men bedoelt dat men meer is dan wat men hem toeschrijft, maar ook dat is een individuele aangelegenheid: het is het ik dat zijn eigen morele grenzen bepaalt. Het woord heks bestaat en wordt nog steeds gebruikt, daarom bestaan de heksen nog niet – maar in een andere betekenis natuurlijk wel. Wie mensen wil knechten en vernederen zal een systeem opbouwen met vertrouwde begrippen maar de betekenis ervan verschuiven naar de eigen doelstellingen. Dit is wat het nazisme gedaan heeft en het zijn schrijvers als Böll geweest die zichzelf opgedragen hebben na de dictatuur: we moeten de taal heroveren. Dit is wat ook nu gebeurt: hun vooruitgang is niet de menselijke vooruitgang; hun betekenis van cultuur is niet de gerechtigde betekenis van cultuur. Vrijheid is hun geweld.

Appiah baseert zich zogezegd op de Westerse filosofische traditie maar hij doet dit op zo’n gemakzuchtige en misleidende manier dat men zich hoofdschuddend afvraagt hoe dit mogelijk is. Over Hegel zegt hij bijvoorbeeld: ‘Ik geloof niet dat hij zich erover zou verbazen dat de beweging voor afschaffing van de slavernij een deel van haar energie ontleende aan het hier bedoelde streven naar erkenning.’ (p. 11). Appiah ‘gelooft’, als filosoof moet hij argumenten geven. ‘Zich verbazen’ is een emotie en is niet van toepassing op dit denken van Hegel. ‘Een deel van haar energie’ moet Appiah wel verklaren want hij moet toch de indruk geven dat het gaat om eer en niet om rationele overtuigingen. Of Hegel zich al dan niet zou verbazen is een sentimentele gedachte die niets te maken heeft met denken, die ook geen rationele noodzaak is of een denkstap in een argumenatie. Het is rommeldenken. Hier geeft hij ook impliciet toe hoe verkeerd zijn stelling wel is: de slavernij is gekeerd omwille van rationele argumenten én door de oorlog: het zijn de wapens, de intellectuele en de militaire wapens, die een moreel systeem opgelegd hebben. Ook De hut van Oom Tom heeft een bijdrage geleverd: hoe sentimenteel en onjuist dit verhaal ook moge zijn, dit literaire werk behoorde tot de rationele argumentatie dat de zwarte een evenmens is van de blanke (het begrip en gebruik evenmens is een onderhuids superioriteitsdenken).

In de volgende passage verwijst Appiah naar de Ethica Nicomachea van  Aristoteles, hij doet dit zonder bronvermelding en zijn parafrase, beter zijn misbruik, is tegengesteld aan het werk van de grote Griekse denker: ‘Eén manier om een idee te krijgen van hoe en waarom eer een rol speelt in de ethiek is het besef dat eer en respect samenhangen, want respect en zelfrespect zijn eveneens zonneklaar menselijke kernwaarden; het zijn zaken die bijdragen aan eudaimonia en ons helpen een goed leven te leiden.’ (13). Een schoolvoorbeeld van een cirkelredenering maar ook een onjuiste voorstelling van zaken. Appiah wil moraal in psychologie grondvesten terwijl Aristoteles kennis vooropstelde. Laat ik tegenover het ‘zonneklaar’ van Appiah het ‘uiteraard’ stellen.

Appiah, hoogleraar filosofie aan NY University, stelt voor: ‘Het is daarom tijd, zo stel ik voor, om de ‘eer’ in de filosofie te herstellen.’ Ook hier speelt hij dubbelspel. Enerzijds poneert hij (ten onrechte uiteraard) dat eer een belangrijke rol gespeeld heeft in de morele geschiedenis maar anderzijds komt hij dit begrip ‘herstellen’ (wat uiteraard ook onjuist is: wat niet geweest is, kan niet hersteld worden). Enerzijds wil hij de indruk geven een objectieve moraalgeschiedenis te schrijven, anderzijds haalt hij een vreemd element binnen – waardoor het moreel denken van het Westen van binnenuit zal aangevallen worden.

Respect en zelfrespect hebben in de loop der tijden ook een betekenisverschuiving laten zien. Wie vandaag naar respect verwijst, schaart zich aan de kant van het reactionaire denken. Het respect gaat immers uit van een relationeel denken: het is x die eist dat y respect toont maar is niet gebaseerd op een deugd of op een plicht (wat gedaan moest worden). Respect is een loos begrip maar dat telkens zonder grond kan ingezet worden. Men moet respect tonen – maar er is geen argumentatie voorhanden. Niet te verwonderen dat de christendemocraten en de islamisten zich op hetzelfde begrip beroepen: een reactionair denken ontmoet een reactionair denken.

Het begrip eer zoals Appiah dat beschrijft hangt samen met schaamte: men schaamt zich voor wat vroeger gebeurd is. Het racistisch wapen: de blanke man is verantwoordelijk voor de verkoop van de zwarten door de eigen zwarte hoofdman. Maar ook schaamte is een reactionair begrip en werkt elke mogelijke vooruitgang tegen. De Westerse moraal heeft zich beijverd om weg te evolueren van een schaamtecultuur naar een verdienstencultuur. Er is een drie-eenheid: schaamte, eer en clancultuur. Appiah gebruikt Descartes. Hij schrijft: ‘In de zeventiende eeuw schreef René Descartes: ‘ik moet bekennen dat ik bloos van schaamte wanneer ik bedenk dat ik deze auteur vroeger geprezen heb …’. […] een onbezonnenheid die inhoudt dat hij niet langer recht heeft op volledig intellectueel respect. Het schaamrood stijgt hem naar de kaken. Wie iets geeft om zijn eer, wil respect waardig zijn.’ (16). Men ziet in deze passage hoe Appiah de zaken verschuift. Deze passage uit Notae in programma quoddam (1647) (« Pour le reste, je suis contraint d’avouer que je suis couvert de honte d’avoir autrefois loué cet auteur comme un homme de talent très perspicace et d’avoir écrit quelque part que selon moi, il n’y avait aucune des opinions qu’il enseignait que je ne voulusse reconnaître comme mienne.», vertaling Denis Moreau) gaat bij Descartes over Regius en hij schrijft hoe hij deze ooit in een brief (1643) aan Voetius geprezen heeft en daar nu over beschaamd is. Descartes ‘vergeeft’ zichzelf echter omdat hij toevoegt dat hij hem prees omdat Regius nu eenmaal de cartesiaanse filosofie beschreef. Het begrip schaamte die Appiah aan de rationalist toeschrijft is ten onrechte: Descartes gebruikt dit woord terloops, in een bijna-spreektaal, in een strijdschrift, niet als een constituerend element van zijn denken. Maar omdat Descartes een pijler van het Westerse denken is, doet Appiah alsof die hele pijler verkeerd gelezen en begrepen is – nu toch ook al gedurende enkele eeuwen. Descartes gebruikt het woord schaamte hier ook in een niet-sociale betekenis: hij schaamt zich tegenover zichzelf (iemand kan wel degelijk blozen zonder gezelschap) maar dat belet hem niet om verder te denken.

De eermoraal is de cultuur van het mes. Het functioneert enkel in een cultuur waar de sociale onderdrukking (controle) boven de individuele vrijheid en het geweten staat. Het werkt op basis van bloedrelaties, grondargumenten en irrationele gedachten uit het verleden. Het multiculturalisme verdedigt het islamisme, maar het zijn de rechtse krachten die er gebruik van maken – rechts heeft zich overigens in alle partijen genesteld – net zoals het islamisme. Links doet alsof multiculturalisme enkel bestaat uit shoarma, buikdansen en het lawaai van het gemeen. Maar rechts heeft het begrepen: het multiculturalisme wordt gebruikt om het Verlichtingsdenken van binnenuit uit te hollen. Men beroept zich op de Verlichting om de Verlichting te vernietigen. Dit is de kern van het huidige kapitalistische denken. De drie systemen, kapitalisme, communisme en despotisme, vinden elkaar. Welkom in 2017.

Eer is slechts een functie van de Gemeinschaft en behoort dus tot een voor-moderne tijd, is tegengesteld aan de Grieks-Romeinse traditie van het Westen. De eer komt steeds van een ander, wordt door de ander toegekend: het individu zit dus in een afhankelijkheidspositie, zoals de eer-verlorene (en nu denken we weer aan Heinrich Böll) slechts door die clan gewraakt kan worden. Er is geen persoonlijke verdienste aanwezig, het is de norm van de clan die opgelegd wordt én die blijft bestaan. In het Westen bestaat de plicht om nee te zeggen. Nee tegen de verloedering. Nee tegen de corruptie. Nee tegen de onnozelheid. Morele verandering gebeurt niet als gevolg van eerargumenten maar is een gevolg van het rationele denken dat zich in de gevoelens nestelt en daardoor een creatieve kracht wordt. Hoe reactionair en feitenloos Appiah is (ik zou ook kunnen zeggen: eerloos), komt tot uiting in een zin als ‘Dit is de eer van morele heiligen als Moeder Teresa.’ (p. 191). Ja, en Donald Trump is een fijnzinnige intellectueel.

Konstantinos Kaváfis schreef in 1901 het gedicht ‘Che fece … il gran rifiuto’. De titel verwijst naar Dante, De hel, canto 3, versregel 60: ‘che fece per viltade il gran rifiuto’, ik citeer de volledige strofe in de vertaling van Rob Brouwer (Primavera Pers, 2016): ‘Een paar van hen meteen herkennend zag ik / een schim, die ik kende als degene die / zich aan de laffe Weigering had bezondigd.’ Dante is aan het begin van zijn helletocht begonnen en aan de hellepoort ziet hij hoe de lafferiken, de lauwen gestraft worden. Dante spreekt van de meelopers die zich nooit laten horen, van de grijze muizen die zich verschuilen achter de vette buik van een ander, van de standpuntlozen die zwijgen en daardoor medeschuldig zijn aan het grote verzuim. In vers 64 schrijft hij met verachting: ‘En dit abjecte soort, dat nooit geleefd had,’.

Kaváfis neemt deze gedachte over en schrijft een gedicht, dat wij in december 1984 aangeduid hebben als een  levensgedicht (ik neem de vertaling van G.H. Blanken) (Warren en Molegraaf geven een iets andere versie):

Voor vele mensen komt een dag, waarop ze
het grote Ja of wel het grote Nee te zeggen hebben.
En onmiddellijk wordt dan duidelijk wie het Ja
al in zich klaar heeft; en het uitend

gaat hij verder, in eer en zelfvertrouwen.
Wie nee zei, hij heeft geen berouw. Werd het hem weer gevraagd,
nee zou hij nog eens zeggen. En toch richt dat nee
–  het enig juiste – hem te gronde voor zijn hele leven.

Advertisements