arthur, c’est paul

door johan_velter

paul-claes_de-haas-en-de-regenboog

Ogenschijnlijk beschrijft Paul Claes met De haas en de regenboog (De Bezige Bij, 2016) een cruciale fase in het leven van Arthur Rimbaud en Paul Verlaine, in ‘werkelijkheid’ geeft de schrijver zijn tijdgenoten een esthetische, artistieke en intellectuele les. Claes gebruikt het verhaal als honing om zijn kunst- en levensopvattingen mee te geven. Het is geweten dat Rimbaud voor Claes een belangrijk auteur is, dat deze misschien wel voor hem de belangrijkste auteur is, in wie hij de toppunten van avontuur, culturele ontwikkeling, durf en verbeelding ziet. Het spel dat kunst is en moet zijn, wordt door Rimbaud tot de hoogste toppen gevoerd. Er is de ont-ikking, de zo dierbare ont-identiteit, het zich losmaken van wortels om vrij te worden – het omgekeerde van de huidige tijd waar zelfs de zogenaamde vertegenwoordigers van het proletariaat de Blut und Boden-theorie opleggen. Het land van de vrijheid is het land van de kunst en de cultuur, daar waar geen grenzen bestaan maar waar de grenzen toch weer anders begrepen worden dan in de hedendaagse grenzeloosheid.

De stijl van Paul Claes is die van de Italiaanse renaissance: elke zin is een kristallen stap: er is geen woord te veel, elke zin geeft informatie en maakt het verhaal en de boodschap compleet. Er is een helderheid van woorden en tussen de zinnen onderling is er geen duisternis. De hemel is klaar en licht. Onjuist wordt Claes soms tot het postmodernisme gerekend – het postmodernisme is een gemakkelijk woord voor geestelijke luiheid en gemakzucht – omwille van zijn intertekstualiteit, zijn verwijzingen naar andere boeken, schrijvers en tijden. Het modernisme van Pound en Eliot is zijn voedingsbodem. Het moet gezegd dat hij deze tactiek in dit boek zeer ver doorgedreven heeft en dat dit boek dus voor de schrijver een summa geworden is – en daarvoor hoeft Claes geen vuistdik boek te schrijven, naast helderheid is gebaldheid een andere dominant. Wie het boek sluit, heeft geen verhaal te onthouden, het verhaal kenden we al, maar wel een les: die van culturele bedachtzaamheid, het opgenomen zijn in een culturele stroom en een verdriet om wat vandaag vernietigd is – definitief, onherroepelijk en tot de zwarte dood ons komt halen.

Door de helderheid en het gebondene is er ook een lichtheid aanwezig: het lezen is gemakkelijk, lijkt ook te gemakkelijk te zijn, het gaat binnen als een zoete drank, het kan oppervlakkig gebeuren. Paul Claes richt zich echter tot die laag die de boekenbijlagen heeft afgezworen, die de officiële Reichskulturkammerpolitik verwerpt. Hij mikt op die lezers die verbanden kunnen zien en die lezers hebben ook werk voor de boeg: veel ontgaat hen, veel ontgaat ons. Is niet iedere zin, elk woord en idee een geleend voorwerp? Maar die verbanden maken het de lezer niet moeilijk, er is geen inhoudelijke duisternis: wat Claes te zeggen heeft, is klaar. Het spel is er voor de ernstigen.

De titel De haas en de regenboog heeft Paul Claes geleend uit een zin van Arthur Rimbaud, die ook als motto in het boek is opgenomen, in de vertaling van Claes zelf: ‘Een haas hield stil tussen de klavertjes en trillende klokjes en richtte door het spinrag heen een gebed tot de regenboog.’ Het is duidelijk dat Verlaine de haas is en Rimbaud de regenboog. Beide beelden zullen in de roman terugkeren. Maar het belangrijkste woord uit deze zin zijn niet de woorden haas en regenboog maar wel het woord spinrag. Claes weeft een web van verwijzingen, extern naar andere boeken; intern door herhalingen en zelfverwijzingen. In 1979 schreef Claes het essayboek Het netwerk en de nevelvlek: semiotische studies. Rimbaud wordt in de roman ‘de zoon van de Zon’ genoemd, de eerste bundel die Paul Claes uitgaf, heette De zonen van de zon (1983). Er zou een mooie studie gemaakt kunnen worden over het zonnemotief in het werk van Claes.

Laten we voor het plezier nu die zoon van de Zon in de roman zoeken, in de zekerheid dat we over woorden heen gelezen hebben: p. 8, 20, 25, 109, 116, 123 (‘Ik ben de zoon van de Zon’, zuchtte Arthur, ‘maar ik ben door de regenboog veroordeeld.’), 155, 173, 183. Daartussen worden de woorden regenboog en Rainbow (we zitten dan in de Londense periode) verweven, het Engels als zelfgekozen naam van Rimbaud: p. 21, 25, 35, 53, 54, 57, 60, 67, 123 (‘Ik ben de zoon van de Zon’, zuchtte Arthur, ‘maar ik ben door de regenboog veroordeeld.’), 131, 188. Er is een concurrentiespel tussen de zon en de regenboog. De haas als tussenperiode: ‘Hij [Verlaine] moest als een haas door blijven rennen en de zon achtervolgen tot achter de horizon.’ (p. 184) en dit hangt dan  weer samen met het metamorfosemotief dat op p. 187 Ovidius parafraseert: ‘Opeens begreep hij hoe de metamorfosen van de natuur aan de oorsprong lagen van elke menselijke fantasie. […] Het inzicht dat alles symbool kon staan voor alles was de sleutel van de verbeelding.’

Er zijn verwijzingen, uiteraard naar Rimbaud en Verlaine zelf maar ook naar andere schrijvers die in dit verhaal a-chronologisch betrokken worden. Slechts enkele voorbeelden.

Op p. 57: ‘Wij moeten absoluut modern worden. Onze kunst moet zo goed worden als onze techniek.’ Een brief van Rimbaud aan zijn moeder, 1873: ‘Il faut être absolument moderne.’

Op p. 26, Rainer Maria Rilke: ‘Maar hij wist niet dat je daarvoor je leven moest veranderen.’, een verwijzing naar het gedicht ‘Archaïscher Torso Apollos’, ‘Du muβt dein Leben ändern.’

Op p. 27-28, Charles Baudelaire: ‘Hij dook naar het schip en streek neer op het dek. Hij merkte dat hij niet meer vooruitkwam omdat zijn te wijde vleugels op de planken bleven slepen. De leden van de bemanning lachten om zijn logge gang en een bruine scheepsjongen greep naar hem.’, een verwijzing naar het gedicht ‘L’albatros’, waarvan Claes een synopsis gemaakt heeft, de laatste strofe maakt de vergelijking tussen de vogel en de dichter, de laatste regel ‘Ses ailes de géant l’empêchent de marcher.’ is door Claes geparafraseerd tot ‘Hij merkte dat hij niet meer vooruitkwam omdat zijn te wijde vleugels op de planken bleven slepen.’.

Op p. 61-62, Paul Celan: ‘Tot de dood toe ontroerd luisterde hij naar het gesuis van de melk van de morgen en van de nacht.’, een verwijzing naar het gedicht ‘Todesfuge’, ‘Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts’. [Later: dacht ik. Misschien heeft Celan ook deze regel van Rimbaud uit ‘Les déserts de l’amour’, ‘le murmure du lait du matin’ gelezen.]

Er is bij dit alles de rust, een culturele en intellectuele zekerheid die de smeerlappen escapisme noemen maar een weldaad is. De rust en de kalmte te weten, de rust en de kalmte te zijn tegen het lawaai van het gemeen, de rust en de kalmte te werken in een andere tijd en wereld.

De kleurensymboliek en -betekenis is belangrijk (‘Voyelles’!) en doordringt het hele boek, waarbij zon en regenboog een hoofdrol spelen. Slechts 1 voorbeeld: p. 23: paarse hoogmoed, blauwe vampier, groene jaloezie, rode wellust, witte wraakengel, zwarte doodsengel.

Er zijn de verwijzingen naar het surrealisme. Op p. 82: ‘Op de revolutie!’, riep Vermersch. ‘Op de liefde’, murmelde Paul. ‘Op de verbeelding’, besloot Arthur’ dat op p. 140 gevarieerd wordt tot ‘Op de vriendschap’, zei Ludomir. ‘Op de liefde’, zei Paul. ‘Op de vrijheid’, zei Arthur.’ (Tegelijk zien we hier de stijlvariatie van Claes. In het eerste fragment: roepen, murmelen en besluiten, in het tweede fragment de herhaling van ‘zei’. Beide mogelijkheden kunnen en worden dus ook gebruikt.)

Paul Claes is een geëngageerd schrijver, niet in de betekenis van partij-afhankelijkheid maar als solidarist van de verdrukte klassen. ‘De les van al die hoge heren was steeds dezelfde geweest: wie zich tegen de wereldlijke macht verzette, rebelleerde tegen God zelf en was voor eeuwig verdoemd. Maar de wereldse wet was niet beter dan de geestelijke moraal. Zij ontnam de enkeling de vrijheid om te doen en te laten wat hij wilde. De levenswijze die zij voorschreef was alleen een vorm van zelfonderdrukking ’ (p. 171)

‘Nee, nee, riep een stem, wij zijn niets vergeten.’ (p. 78).

Advertisements