thierry de cordier – encyclopédiste, anti-théologicien, dieu-scribe

door johan_velter

thierry-de-cordier_dieu_soupe

Of een boek bibliofiel is of niet, hangt niet van de kostprijs af, ook niet van de grootte, noch van de luxueusheid van de materialen, het gaat ook niet om de intentie van de makers, of van de bijgeleverde kunstwerken, het gaat niet om dit alles. Een bibliofiel boek is een boek dat het waard is zo genoemd te worden, een tautologie is nog steeds de beste definitie. Het boek van Maurice Clavel heet niet voor niets Dieu est Dieu, nom de Dieu! Het bibliofiele boek is bescheiden, tooit zich niet met pluimen, roept niet, is geen propagandist van zichzelf of een ander, het verenigt kwaliteiten uit de cultureel-intellectuele wereld en die liggen ver verwijderd van de zeven hoofdzonden, het straalt bescheidenheid uit, armoede mag soms ook, maar het pronkt niet met die schaarste, het moet stijl hebben, het mag uit de haak schieten. Het moet in zichzelf geborgen zijn.

Al deze attributen karakteriseren het boek Iconotextures van Thierry De Cordier niet. Het is ongelooflijk dat een kunstenaar van dergelijke kwaliteit (die zelfs boeken bij de onvolprezen Yves Gevaert heeft uitgegeven!) zich laat inpakken door de grootte van een boek 33,5 cm breed, 44,5 cm hoog. De bladen zijn glanzend. De omslag is wit, te wit, te deftig, te kerkelijk-maagdelijk. De oplage is 500 exemplaren, waarvan 100 exemplaren genummerd en gesigneerd zijn. Het boek bevat een tekst van Michel Draguet, in drie talen. De naam van Draguet staat pontificaal op de titelpagina – een bibliofiel boek bevat nooit een uitleg over het boek, de kunstenaar of zijn werk. Het in zich geborgen zijn is het belangrijkste kenmerk van een boek, het verwijst niet naar pretentie, hoogmoed, geldzucht, pronkschijn, hebzucht, kruiperigheid en wrok.

thierry-de-cordier_dieu_kmsk_zaalzicht

Het boek is eigenlijk een catalogus van de tentoonstelling in het KMSK in Brussel, Dieu c’est un soupe!. (Een afgeleide van een catalogus kan nooit een bibliofiel boek zijn.) Het verzamelt 12 werken van Thierry De Cordier. Ze zijn zodanig afgebeeld dat de kunstliefhebber niets van de tactiliteit en waarde van de werken kan ervaren.

thierry-de-cordier_dieu_binnenwerk

De werken zijn samengesteld uit verschillende bladen, sommige zijn in de marge met potlood gedateerd, en daarop heeft de kunstenaar in zijn sierlijk ouderwets geschrift definities van God, het goddelijke neergeschreven. Het is een minutieus monnikenwerk geweest, alleen al het in lijn blijven is een prestatie. De woorden, zinnen, paragrafen zijn aan elkaar geschreven het is moeilijk een ingang te vinden, de auteur heeft zijn blauwe vulpen gebruikt, soms heeft hij zich verbeterd, soms zijn er inktvlekken gemaakt. De werken hangen achter glas en op grote hoogte, de kijker/lezer kan slechts op ooghoogte lezen, de conservator heeft geen ladder geplaatst waardoor de liefhebber de woorden vanaf het begin zou kunnen lezen. Hij kan ook op zijn knieën kruipen, net zoals de kunstliefhebber in het MSK in Gent op zijn knieën moet vallen om een ets van Ensor te mogen zien, en zo de tekst verder lezen. Comfortabel is het niet voor een hedendaagse kunstliefhebber, gestraft moet hij worden, de dwaas die denkt dat kunst en beschaving belangrijk kunnen zijn, die de pretentie heeft naar een museum te gaan, wat denkt hij wel, dat hij alles kan zien op een normale wijze omdat hij toegangsgeld betaald heeft, welnee een museumbezoek moet een kwelling zijn is er geen hartverscheurende onnozelheid te zien, lawaaihinder bij overvloed te horen dan heeft de conservator zijn werk niet gedaan. Een beleving moet en zal het worden, het moet eenieder heugen en in de hersenen blijven kleven. De kunstliefhebber, deze kunstliefhebber dwaalt, hij is een slechtziende nar.

In het voorwoord van de catalogus schrijft Michel Draguet, conservator en kunstkenner, zinnen als ‘Pruisisch blauw dat zich naargelang het merk verzet tegen deze benaming.’, ‘[…] [god] zijn absurditeit aan de kaak stellen teneinde zijn weergave beter te kunnen vernietigen.’ ; ‘Zoals het leven absurd is, is ook de dood een en al absurditeit. In de ruime betekenis ontstaat God uit dezelfde categorie.’ ; ‘Het is een ironische aanpak, niet gespeend van surrealisme.’ ; ‘De inkt die werd gebruikt, is schrijfinkt. Het is zowel de bron van een tekst die nog moet komen, als een harde en abstracte aanwezigheid … zoals die van een absolute God.’

De Nederlandse vertaling is een soortement Nederlands. Je begrijpt wat misschien gezegd wil worden maar het staat er niet juist (‘werd opgedwongen als een onbetwistbare waarheid’). Komen daarbij nog fouten als het icoon i.p.v. de icoon; kaligrafie i.p.v. kalligrafie.

Soms is het beter niet te lezen.

Ik mag u echter de kruiperigheid van de ‘dankbetuiging’ niet onthouden – onwillekeurig dien ik te denken aan de kruiperigheid van de omhooggevallen socialistische politieke benoeming, hoe zou ik daarop kunnen komen? ‘Het is de auteur een eer eenieder te danken die het mogelijk maakte zoiets bijzonders en moois te realiseren als een boek. […] Tot slot wil ik eer betuigen aan mijn vriend en gewaardeerd kunstenaar en aan zijn echtgenote Carine. Om zijn karakter, dat oprechtheid deelt met een levendig romantisch ideaal. Om zijn vriendschap: zo diep, dat ze geen woorden behoeft. Om de intensiteit van zijn ideaal: abstract en hard, zoals hij zou zeggen.’

thierry-de-cordier_dieu_kmsk_zee

Merkwaardig is dat de waard-kunstenaar-grote vriend furieus reageert als hij een romanticus genoemd wordt, een begrip dat hem tegenstaat omdat hij zelf wél rationeel is, dat hij het moeras van emoties terecht wantrouwt en dat wie hem romanticus noemt slechts de schijn van de oppervlakte gezien heeft.

thierry-de-cordier_dieu_kmsk_marge

Thierry De Cordier heeft dus definities van God verzameld en daarmee heeft hij gedaan wat de grote encyclopédistes van de 18de eeuw gedaan hebben: je moet de vijand ernstig nemen. Zo moet je de echokamer van hun woorden spelen, de onzinnigheid in hun ogen laten kapotslaan – dan zal u, zoals het anderen overkomen is – beschuldigd worden van uitlachen, maar het herhalen is geen uitlachen, is wel het ernstig nemen van wat cultuur is. Zoals Diderot de woorden herhaalde en naast elkaar zette, zo doet ook De Cordier het. God is geel en zwart, God is vet en gulzig, God is alles en niets. Door de begrippen naast elkaar te plaatsen komt de onzin (niet de absurditeit) tevoorschijn, het willekeurige, de menselijke maat en projectie. Zonder Feuerbach te moeten noemen, hanteert De Cordier zijn sloophamer.

De woorden, de zinnen komen in een delirium terecht, wanneer ze echter enkel nog beeld zijn, zitten we in een andere vorm van representatie, dan is dit niet langer kunst maar decoratie – zo worden de werken ook gepresenteerd: als blauwe vlakken die niet begrepen of gezien moeten worden, maar beleefd – ook dit laatste is het kenmerk van de spektakelmaatschappij waarin zelfs een kunstenaar als De Cordier geschoven kan worden. Het anti-intellectualisme gaat samen met de belevingsmaatschappij en dus zijn de vrijheid en de fantasie niet langer mogelijk. En nee, hier benadert De Cordier Dotremont niet.

Het werk kan als een antitheologie omschreven worden. Wie de oude betekenissen wil achterhalen, wie zich wil verdiepen in de godsdienstchronologie en daarin zelf betekenis wil zoeken, zal verdwalen in het woud van rationaliseringen en opzichtige vermommingen, zal zich kwetsen aan de hoogmoed van functionarissen en de domheid van denksystemen. Door deze teksten op te nemen, en dus ernstig te nemen, vernietigt De Cordier de betekenis ervan, maakt hij de woorden luchtledig en functioneert hij daarmee zelf als een cultuurfilosoof die de wanen van de mensheid doorgrondt.

thierry-de-cordier_dieu_kmsk_tekst

Het werk wordt een abstract werk, het verliest de anekdote, de eigenzinnigheid van het denken, het dwalen en vermorzelen, het is als een ding, het is dood, een afbeelding van het wroeten is niet het woelen zelf.

Dan komt de humor van de monnik tevoorschijn. Zoals deze in de marges zich oneerbiedig en onwaardig commentaar veroorloofde, zo begint ook De Cordier zelf definities te scheppen, spreekwoorden en uitdrukkingen te vormen die iconoclastisch zijn door hun onbeholpenheid, bravoure en schelmachtigheid. Het is daarom onjuist om te zeggen dat deze teksten niet gelezen moeten worden.

thierry-de-cordier_dieu_signatuur

In bepaalde passages zien we hoe de kunstenaar het schrijven moe wordt, hoe hij doet alsof, hoe hij de letters en de woorden niet meer vormt en dus zelf niet ernstig meer neemt, hoe hij zijn eigen werk deformeert en laat zakken zoals de zon in de zee. Hoe hij De Cordier speelt. Er is een tweespalt tussen de statigheid van de werken en de werkzaamheid van de kunstenaar. Het is in die tussenwereld dat het boek zich niet bevindt. Een kunstenaar als Thierry De Cordier zou een boek hebben kunnen uitgeven waarvan het papier ons doet denken aan schoolschriften, waarvan het formaat het notaboek zou benaderen, waarvan de omslag plooibaar en zwart zou zijn, waarvan de bladen met nietjes zouden samengehouden worden. De werken worden in de catalogus afgebeeld in hun geheel, onleesbaar en monotoon zich herhalend – terwijl de werken zelf fascinerend zijn, zelfs als niet elk woord begrepen kan worden, niet elke zin verstaan kan worden, zelfs als het handschrift van de kunstenaar ontspoord is – het werk moet gelezen worden. De weg van Thierry De Cordier is immers een soep.

Advertenties