sporen van het heidense (7)

door johan_velter

de-windhond_gerard-david_het-oordeel-van-cambyses

Op het schilderij Het oordeel van Cambyses schilderde Gerard David op het linkerpaneel een statige windhond: de hond die staat voor het majesteitelijke en/of voor de komende tijd waar de rechtvaardigheid zal zegevieren. Maar omdat we in een andere tijd leven, is de rechtvaardigheid van betekenis veranderd. Nu wordt de moraal niet meer vanuit het metafysische, het goddelijke of de macht gedefinieerd maar uit het egalitarisme. Natuurlijk zijn er nog tirannen die met de oude tijd verbonden zijn – maar het morele gevoel is geëvolueerd en die tirannen kunnen hun gedrag niet meer rechtvaardigen: zij gebruiken hun domheid als knots.

de-windhond_hendrick-aerts_allegorie-op-de-ouderdom-en-de-dood-rechterpaneel-1602

Neem dan het schilderij Allegorie van het leven en de dood uit 1602 van Hendrick Aerts. De hond rechtsonder heeft een gelijkaardige halsband om en is een stille aanwezigheid – de koelheid van marmer, bijna doorzichtig. De hond is hier meer aanwezig en betrokken dan bij Gerard, daar staat de hond buiten het leven, Aerts heeft de hond in de wereld gezet. Ook hier kunnen we de hond als een symbool voor de afrekening zien, hij die zal oordelen over de aardse daden. En een verlosser – indien de mens het goede gedaan heeft.

Zbigniew Herbert, de Poolse dichter in wie we helaas een bondgenoot moeten erkennen, heeft zijn leven lang tegen de tirannie en de dwaasheid van de macht gestreden. Hij veroordeelde het verleden niet, de nieuwe poëzie moest op de traditie steunen, net zoals de maatschappij ook in het verleden geworteld is. Ook hij heeft de onzin van een nieuw gebouw, een nieuwe mens gehoord en ook hij heeft de ineenstorting van het leugenpaleis meegemaakt – dat hij het gezien en beschreven heeft, is ook hem niet in dank afgenomen. Maar hij zag geen eenduidige traditie: zoals elke generatie heeft hij zich moeten verhouden tot het oude: wat is waardevol, wat niet.

In het begin van zijn oeuvre is er het gedicht ‘Tot Apollo’ geweest. In dit gedicht is de band tot de traditie negatiever dan later – maar hij heeft die wel als noodzakelijk gezien. Het nieuwe is maar mogelijk door een kritische houding tegenover het oude in te nemen maar ook tegenover het hedendaagse. Ook hier wordt de god met steen, versteendheid, geassocieerd. Er is de stilte, de koelheid/kilheid van de schaduw: de schoonheid, de schoonheid van de traditie, de afstandelijkheid tot de wereld. Het in zichzelf gekeerd zijn, weg van de wereld. Het is deze kunst die Zbigniew Herbert afwijst. Het gedicht kan als het ene deel van een tweeluik gelden, het andere is ‘Tot Athene’, waar de dichter Athene als de wijsheidsgodin aanroept. Het gedicht ‘Tot Apollo’ treedt in dialoog met de twee Apollo-gedichten van Rainer Maria Rilke, vooral ‘Früher Apollo’, waar de steen nog glans verschaft. ‘Een bloem’ bij Herbert verwijst naar ‘de rozenhof’ van Rilke. Bij Herbert werpt Apollo schaduwen, bij Rilke ‘zonder schaduw schouwen nog zijn ogen’. Het ‘lauwerlicht en -schaduw’ is het licht- en schaduwspel van de laurier. Ik citeer de vertaling van Gerard Rasch uit de Verzamelde gedichten, verschenen bij De Bezige Bij, 1999. Ik kan de lezer geruststellen: ook deze uitgave getuigt van de klungeligheid van de uitgeverij. Het boek heeft een linnen band en daarrond een papieren omslag, het boek lijkt in orde te zijn. Het boekblok is echter op zijn kop in de band gezet…

1
Geheel gehuld in het ruisen van zijn stenen kleed
liep hij lauwerlicht en -schaduw werpend

als een standbeeld ademend zo zacht
zijn gang als van een bloem

in zijn eigen lied verdiept
de lier tot zwijgen heffend

in zichzelf verzonken
in pupillen als een beek zo wit

van steen
van zijn sandalen tot het lint in het haar

Tot hier spreekt Zbigniew Herbert over Apollo, de klassieke kunst. Er is evenwicht en maat. Er is stilte, een beeld zonder leven. Het vuil van de straat bestaat hier niet, de menselijke verhoudingen zijn niet vernoemd, er is ijlheid, wolken en cipressen. Daarna spreekt de dichter zijn persoonlijke verhouding uit tot het klassieke, het verleden. Hij heeft in die kunst, dat levenloze geloofd, dat wat gemaakt leek zonder ledematen, enkel met het hoofd, het ijle, het cerebrale. Dan schreeuwt hij – en zwijgt het hoofd.

ik verzon je vingers
geloofde je ogen

instrument zonder snaren
armen zonder handen

geef me terug
mijn jonge schreeuw
mijn uitgestoken armen
en mijn hoofd
met zijn enorme pluim van geestdrift

geef me mijn hoop terug
wit zwijgend hoofd

stilte –
een gebarsten hals

stilte –
een gebroken gezang

De canon, het klassieke heeft geen antwoord op de problemen van vandaag. De breuk wordt geconstateerd, de steen gebarsten, het gezang is niet langer homogeen en kunstzinnig.

sculptuur_1982_didier-vermeiren

Het tweede deel van het gedicht spreekt een ontgoocheling uit. Wat de dichter uit het verleden ophaalt, is niet het ware, het volledige, het afgeronde, maar brokstukken. En de droom, de belofte van de poëzie/kunst is niet uitgekomen. De schoonheid is verbrand geraakt. Het echte leven heeft de voosheid van de klassieke kunst ontmaskerd. Meer zelfs: er is geen kunstwerk meer, enkel de sokkel is er nog, een herinnering aan wat het beeld ooit was. Typerend voor Herbert is hoe hij de schoonheid en waarheid met de ethiek verbindt: het zijn de smeerlappen die overleven.

2
De eerste bodem van de jeugd
raak ik geduldige duiker niet

wat ik nu ophaal zijn slechts
verbrijzelde torsen van zout

’s nachts droom ik van Apollo
met het gezicht van een gevallen Pers

de poëzievoorspellingen misleidden
alles was anders
anders de brand van het gedicht
anders de brand van de stad
de helden kwamen niet terug van de veldtocht
er waren geen helden
de onwaardigen overleefden

ik zoek het standbeeld
verzonken in mijn jeugd

alleen de lege sokkel is nog over –
spoor van een hand dat zijn vorm zoekt

Toch eindigt het gedicht positief: er is een hand (het concrete) dat een vorm, zijn vorm zoekt. Het leven als een zoektocht naar de schelp die bij de mens en zijn tijd past.

Beeld: detail uit Het oordeel van Cambyses, Gerard David ; Allegorie van het leven en de dood, Hendrick Aerts ; Sculptuur, 1982, Didier Vermeiren

Advertisements