sporen van het heidense (6)

door johan_velter

apollo-vilt-marsyas_1625_jacques-jordaens

Maar nee, lezen we eerst het gedicht ‘Apollo en Marsyas’ van Zbigniew Herbert, 1924-1998, de grote Poolse dichter. We nemen de vertaling van Gerard Rasch (Verzamelde gedichten, De Bezige Bij, 1999).

Goed, we kennen het verhaal en dus is het gedicht simpel, een wedstrijd in het verre verleden. Maar nee, Herbert maakt er een hedendaags verhaal van. De dichter leefde in twee dictaturen, leefde hij nog langer dan had hij in drie dictaturen geleefd: er waren de nazi’s en er waren de communisten, dan kwamen de kapitalisten en met hen de nieuwe onderdrukking. Hij problematiseert de klassieke cultuur om zich vragen te stellen over de waarde van het heden en tegelijk maakt hij er een persoonlijk verhaal van en wil hij weten wat poëzie vermag, of poëzie mogelijk is. Zonder Adorno te noemen, staat diens denken centraal in dit gedicht. Hoe is het geweld met cultuur te verenigen – George Steiner kunnen we eveneens noemen.

Ook Herbert behandelt het probleem van de experimentele poëzie, ook bij hem is er de vraag naar de verhouding tussen ratio en gevoel  – terwijl de levenswijsheid er in bestaat het intellect gevoelig te maken en het gevoel rationeel – niet voor niets is het denken en schrijven van de achttiende eeuw een voorbeeldeeuw voor de mensheid.

het eigenlijke duel tussen Apollo
en Marsyas
(het absolute gehoor
contra een enorm stembereik)
vindt tegen de avond plaats
wanneer zoals we weten
de rechters
de god de overwinning hebben toegekend

stevig vastgebonden aan een boom
grondig gevild
schreeuwt
Marsyas
voor de schreeuw
zijn hoge oren bereikt
rust hij in de schaduw van die schreeuw

Apollo wordt beschreven als het absolute gehoor, Marsyas als ‘een enorm stembereik’, al van de eerste regels is er een oppositie, geen tegenstelling. Apollo staat voor het absolute, de eenzaamheid, Marsyas voor het vele, de massa. Het gedicht begint ná de wedstrijd en Herbert beschrijft wat de échte wedstrijd is, niet een Eurovision Song Contest, maar wat gebeurt ná de goddelijke geweldsdaad, wat er verder met het geweld gebeuren kan.

In de tweede strofe wordt Marsyas vastgebonden aan een boom beschreven en hij schreeuwt, er is geen fijnzinnigheid. De god Apollo heeft hem gevild – maar de stem is gebleven, we kunnen dit ook lezen als de stem van het volk, tegen de god, de macht die zich god waant en onderdrukt. In de voorlaatste regel is sprake van ‘hoge oren’ en dan kunnen we denken dat dit de oren van Marsyas zijn, toch lijken deze woorden ook van toepassing te kunnen zijn op Apollo, maar dan overdrachtelijk : de god in het hoge – maar de strofeverdeling spreekt dit tegen. Wat is dan de betekenis van het rusten in de schaduw van de schreeuw? Niet de schreeuw zelf, wel de afdruk: niet de rauwe emotie, wel de ‘verwerking’: kunst is afstand, niet het rauwe. Maar kunst staat ook voor beschaving – als god is Apollo ook een cultuurbrenger. De oppositie wordt onduidelijk, het is geen duidelijk verhaal meer. En toch weer wel: we huiveren voor wat Herbert over Apollo schrijft: het koele-afstandelijke, diens emotionele onkunde, en dan het woord instrument dat denken doet aan ‘folterinstrument’, een geweer, een wapen, een kil ding dat functioneel is en de afstand tussen moraal en daad bepaalt.

schokkend van een afkeersiddering
reinigt Apollo zijn instrument

slechts schijnbaar
is Marsyas’ stem
monotoon
en bestaat uit één vocaal
A

Het reinigen staat symbool voor het uitwissen van de daad, ook van de waarheid. Het instrument moet rein blijven, de reinheid staat symbool voor het abstracte en tegenover het vuile van het leven dat we straks zullen lezen over Marsyas, maar waar het vuile ook het levendige, het vele, het sappige, het smakelijke, het ‘echte’ zal betekenen. Weer ambigue is het schijnbaar monotone van Marsyas’ stem maar toch is er slechts 1 klank, A. De a staat voor een nieuw alfabet, een nieuwe taal, denken en maatschappij. Het nieuwe wordt in pijn geboren, aan de cultuur ligt een geweldsdaad ten gronde.

in wezen
vertelt Marsyas
de onuitputtelijke rijkdom
van zijn lichaam
de kale leverbergen
holle witte voedselwegen
het ruisend longenbos
de milde heuveltjes der spieren
gewrichten gal bloed rillingen
de winterwind der beenderen
boven het geheugenzout

schokkend van een afkeersiddering
reinigt Apollo zijn instrument

In de schreeuw van Marsyas, zijn A, hoort de dichter het bruisen van het leven, het leven dat hij concreet en waarachtig maakt: de beschrijving is niet die van het lelijke maar van wat leeft en beweegt, van wat het leven mogelijk maakt. Dit lichaam is het instrument van Marsyas zelf. Daartegenover reinigt Apollo zijn instrument en Herbert stelt zo het levendige tegenover het levenloze – en wie kiest niet voor het leven? Het is de experimentele dichter die uitroept dat hij zichzelf wil uitdrukken tegenover de klassieke dichter die de cultuur buiten zichzelf wil ombouwen.

nu voegt zich bij het koor
de wervelkolom van Marsyas
in beginsel dezelfde A
alleen dieper en aangemaakt met roest

dit overstijgt tenslotte wat
de god met kunstvezelzenuwen kan dragen

De wervelkolom is de echo van de boom en structuurbepalend voor het lichaam. In het voorgaande had Herbert het koor van de ‘weke’ delen beschreven, nu voegt hij daarbij de hardheid van het skelet en alles wordt dieper, het roest doet denken aan het oude, het versletene, het veelgebruikte maar ook aan dat wat werken doet, wat leven geeft, tegelijkertijd is de roestklank niet welluidend, niet een hemels gezang. De kleur wordt op een behendige wijze in het gedicht gebracht. Er is de diepte van het leven én de kleur van het bloed – van Michel Pastoureau is zopas zijn 4de kleurenboek, Rouge : histoire d’un couleur (Seuil, 2016) verschenen, maar dit natuurlijk terzijde. Tegenover al dat bruisen van een mens (de sater) staat ‘de god met kunstvezelzenuwen’, het niet-echte, het kunstmatige, het artificiële. En is die god nu een overwinnaar, hij moet horen wat hij niet (ver)dragen kan.

De volgende strofen moeten met een inspringen beginnen – maar dit programma kan het niet aan. Weer hebben we een ambigue situatie. De god verlaat het tafereel, hij gaat door een groene laan – buksen zijn altijdgroen – hij wordt een overwinnaar genoemd maar hij twijfelt aan die overwinning: zal uit dat schreeuwen niet een nieuwe tijd aanbreken, een nieuwe kunsttak, een ander leven? Zal tegenover het abstracte, het apollinische koele, niet een concrete kunst ontstaan, een kunst die de dingen benoemt, gebruikt en poëtiseert? Zal deze kunst dan eindelijk de waarheid van het leven spreken?

Dat wat nu een gebrul is, kan uitgroeien tot iets nieuws: er is eerst het geweld geweest, dan het barbaarse gebrul maar uit die twee negativiteiten kan misschien wel iets positiefs ontstaan. Terwijl Apollo wegwandelt (en de lijdende Marsyas achterlaat – zoals God deze wereld heeft achtergelaten en vertrokken is), valt een ‘versteende nachtegaal’ voor zijn voeten neer – denk ook maar aan de ‘stenen krekel’ van Hugo Claus. De nachtegaal staat voor het ‘schone zingen van de fijnbegeesterde dichter’ – de apollonische dichter die Apollo zelf is, wordt hier geconfronteerd met zijn eigen dode, versteende kunst. De dichter, Zbigniew Herbert, lijkt dus voor Marsyas gekozen te hebben en tegen de oude kunst, maar dat is te simpel. Er is uitzicht op iets nieuws – maar niet zoals men het zou verwachten.

In de laatste strofe kijkt de god van de rede en de dichtkunst om en ziet niet Marsyas maar de boom waaraan deze was vastgebonden en de boom is volkomen grijs geworden. De kleuren van Marsyas zijn verdwenen, er is het grijs van de as (?) te zien. Is het grijs inderdaad van as dan kan het gaan om de phoenix en is dit een hoopvol slot. Maar beter is dit slot te interpreteren als de onmogelijkheid van het loutere brullen, de dichter moet het gevoel en het experiment verbinden met de rede en de traditie. De vorm en de inhoud moeten samen optrekken. Het werkwoord kijkt staat typografisch alleen – het is een moment van steen, ontzetting, inzicht. Kan er na het geweld (Auschwitz) een nieuwe kunst ontstaan? Zbigniew Herbert beantwoordt de vraag positief, maar niet eenduidig. Is Marsyas verdwenen? Is het leven gedood door Apollo? Is Marsyas in de natuur opgegaan? Is de bom gevallen?

over een begrinde laan
beplant met buksen
gaat de overwinnaar heen
zich afvragend onderwijl
of uit het gebrul van Marsyas
mettertijd niet zal ontstaan
een nieuwe tak
van kunst – bijvoorbeeld – een concrete

hij wendt het hoofd om
kijkt
de boom waaraan Marsyas was vastgebonden
is grijs

volkomen

beeld: Apollo vilt Marsyas, 1625, Jacques Jordaens

Advertenties