sporen van het heidense (2)

door johan_velter

gerard-david_het-oordeel-van-cambyses_medaillons-de-medici

Het schilderij Het oordeel van Cambyses van Gerard David is een ‘simpel’ schilderij: eens je het verhaal kent, valt alles in 1 blik te omvatten. Denkt men. De figuren zijn ons nabij, de handeling niet, maar we weten dat het villen van een mens mogelijk is, dat onrechtvaardige rechters bestaan en dat het lot wisselvallig is. En toch is dat schilderij ons vreemd, het behoort tot onze cultuur en die cultuur is ons niet nabij.

Op beide panelen is er een centraal tafereel te zien. Links de koning die op zijn hand de misdaden van de corrupte rechter opsomt, rechts het villen van de corrupte ambtenaar. Tweemaal is de ambtenaar een passief element. Daarbij zien we ook steeds een grote groep mannen. Staan ze bij het tafereel, ernaast of zijn ze betrokken? Hun gelaat is onbewogen, ze blijven stoïcijns bij de wrede behandeling. En dan wordt de onmenselijkheid van de Middeleeuwse mens benadrukt. Deze figuren – en het bestuderen van de ondertekeningen en de pentimenti heeft dit aan het licht gebracht – hebben een politieke functie: schilderijen werden niet voor de eeuwigheid gemaakt maar voor het moment zelf. Ik ga hier niet verder op in: het gaat om loyaliteit, de ideologie van de hond.

Maar een andere visie op deze beeldideologie verandert plots de mensvisie. Enerzijds heb je de groepen die bestaan uit reëel bestaande figuren die een maatschappelijke rol spelen, anderzijds heb je een ideële ruimte, een ‘sacrale plaats’ die los staat van de werkelijkheid en in die ruimte wordt de morele les getoond. De onaangedane personen hebben dus ‘niets te maken’ met de exempla, niets in de betekenis van directe betrokkenheid, maar de morele verhalen dienen hen wel als waarschuwing en voorbeeld. De historische figuren worden, doordat ze afgebeeld worden, in de geschiedenis getrokken en worden aldus zelf mythologie.

Het verwarrende van dit schilderij zit hem ook in de interne tegenstrijdigheid (of wat wij zo ervaren). In het linkerpaneel zien we boven de corrupte ambtenaar links en rechts van zijn zetel een medaillon geschilderd, twee grisailles. De specialisten (noch in de catalogus, noch op de tentoonstelling in Brugge wordt gewag gemaakt van het probleem) hebben niet echt een antwoord op wat ze daar doen. Men weet dat de schilderijen in het schilderij naar gemmen uit de Medici-collectie gemaakt zijn, maar wat ze precies voorstellen is onduidelijk. Het linkse medaillon toont misschien Ceres en Triptolemus, maar het kunnen ook Herkules en Deianira zijn. Rechts zouden het Apollo en Marsyas kunnen zijn. Beide medaillons gaan terug op de Metamorfosen van Ovidius, weer de grote heidense zanger.

gerard-david_ceres-en-triptolemos

Triptolemus, een halfgod, heeft de landbouw onder de mensen gebracht. Het is de godin Demeter (of Ceres) die hem dit geleerd heeft. Op het eerste gezicht gaat het hier dus om de weldaden van de aarde, de voedselwinning. Maar wat heeft dit met het schilderij te maken? Had de corruptie waarvan de rechter beschuldigd werd met landbouwproducten te maken? Iets wat in de handelsstad Brugge niet ondenkbaar was.

Het verhaal van Herkules en Deianira is ook niet direct en duidelijk met het werk in verband te brengen. Deianira had van Nessos, die haar van Herakles wilde afnemen, de raad gekregen zijn bloed op te vangen, bloed dat hij bij zijn sterven, veroorzaakt door Herakles’ pijl, verloor, omdat dit liefdeselixir zou bevatten. Maar het was gif. Als Herakles jaren later op een jong ding verliefd wordt, drenkt Deianira zijn kleed in het bloed van Nessos. Herakles lijdt daardoor heftige pijnen. In dit verhaal krijgt het slachtoffer als het ware een nieuwe huid, die hem doet sterven. Dat zou dan het verband met het werk van Gerard David kunnen zijn.

apollo-en-marsyas_de-medici_gerard-david

De rechtergrisaille kan gemakkelijker met het schilderij van Gerard David in verband gebracht worden, ook al hebben we hier een probleem. Apollo, Olympus en Marsyas worden voorgesteld. Echter: Apollo is bij Gerard David een vrouw, en dit zou dan moeten verwijzen naar de Apollo Hermaphroditus. De derde figuur die we zien is Olympus die de god Apollo smeekt mededogen te hebben voor de oude sater. Zou dit mededogen beide medailles met elkaar kunnen verbinden? Of moeten we in het eerste medaillon de eerlijkheid zien, de vruchtbare aarde die niet omgekocht kan worden?

Het verhaal van Apollo en Marsyas. De sater daagt de god Apollo uit om wie het mooist een instrument kan bespelen, de prijs mag door de overwinnaar zelf bepaald worden. Marsyas speelt op Minerva’s fluit (Ovidius, Metamorfosen, VI, 382-400) maar het is Apollo, die de lier bespeelt, die de overwinnaar is. De sater wordt gevild, ook dit verhaal heeft een tweevoudige moraal. De wreedheid van de goden, maar ook de uitdaging door Marsyas van een ‘hogere’ – zoals vandaag de dag de Heeren nog steeds menen dat ze gehoorzaamd moeten worden, eer betoond worden, de aloude moraal van de monarchie –, het antirepublikanisme in de praktijk gebracht. Marsyas wordt immers niet zozeer gestraft om zijn mindere spel maar wel om zijn durf de goden uit te dagen – en het is door het schilderij op pentimenti te onderzoeken dat we nu weten dat dit het ware verhaal is: de heerser werd door de stedelijke overheid beledigd, niet de corruptie werd gestraft, de belediging werd bestraft. Overal ontwaren we de tirannen.

Nu kunnen we misschien beide medaillons (verhalen) met elkaar verbinden – met de waarschuwing: dit zijn slechts de woorden van een amateur. In het linkermedaillon wordt het verhaal van Triptolemus en koning Lyncus verhaald. Ik citeer uit de vertaling van M. D’Hane-Scheltema (V, 652-660); Triptolemus stelt zich aan de koning voor: ‘Het machtige Athene is mijn vaderstad, / Triptolemus mijn naam. Ik kom niet over zee gevaren, / niet over land te voet; de lucht verleende mij ruim baan. / Ik breng u Ceres’ gaven, strooi ze op uw wijde akkers: / ze leveren u rijke oogst en milde granen op.’ / De Skyth, jaloers – hij wilde liever zelf van zo’n geschenk / de gever zijn –, nodigt hem thuis en als zijn gast in slaap ligt, / trekt hij zijn zwaard, wil dat diep stoten in diens borst, als Ceres / hem in een lynx verandert … […].’ De lynx is een katachtige en dit kan een verbindingselement zijn met het Apollo-Marsyas-medaillon. Daar zit Marsyas immers op de huid van een leeuw – o ironie: de huid zal ook hem afgestroopt worden. Nogmaals Ovidius: ‘Maar hoe hij ook roept en schreeuwt, hij wordt van top tot teen gestroopt; / wat overblijft, is niets dan wond, één klomp van stromend bloed, / de spieren liggen onbedekt, trillende aderbanen / kloppen wel hard, maar zonder vel; je kunt ook in de romp / hartslag en ritme van de transparante longen tellen.’ (VI, 387-391). Het verhaal van Ovidius gaat verder: Marsyas wordt betreurd door saters en faunen, door Olympus en door nimfen en door alle anderen die hun kudden in de vruchtbare weiden laten grazen. Hun tranen doen de rivier Marsyas ontstaan. Ook dit is een verbindingselement tussen beide medaillons: de vruchtbaarheid. En in de Latijnse versie is er met Marsyas mededogen, ook een bron van rijkdom.

Op het rechterpaneel zijn de beide medaillons verdwenen alhoewel de setting in de achtergrond dezelfde is als in het hoofdtafereel op het linkerpaneel. Het lijkt er dus op dat door de dood van de rechter de medaillons geen betekenis meer hebben en nu zien we een ander beeld: een Germaanse heerser, misschien wel Karel de Grote, met het zwaard (der gerechtigheid of wraak?) en de rijksappel in de hand. Het gezag is hersteld. De interpretatie van het linkermedaillon blijft dus problematisch. Maar is opgelost dankzij Paul Claes, zie morgen.

gerard-david_het-vonnis-van-cambyses_1498_rechterpaneel_detail

Links zien we een enigmatisch figuur, eenzaam in het venster, een melancholieke blik. Gevoelsmatig identificeren we ons met hem, misschien wel de schilder van dit werk.

gerard-david_het-vonnis-van-cambyses_1498_rechterpaneel_detail-melancholieke-blik

Het Marsyas-verhaal is voor het schilderij van Gerard David het belangrijkste. Toch moet nog gewezen worden op een andere ‘dissonant’ in het schilderij. In beide panelen zien we putti die een en al leven zijn, de beweeglijkheid is in dit schilderij opvallend omdat de ‘Vlaamse’ taferelen statisch en droog zijn, terwijl de italianiserende bovenstructuur levendig is: niet alleen zijn de putti twee aan twee met elkaar aan het spelen, ze vormen ook een drie-heelheid, verbonden als ze zijn met een bloemenguirlande die als een speeltouw gebruikt wordt. Deze frivoliteit staat in contrast met wat afgebeeld wordt en met wat de morele les is. Als we linker- en rechterpaneel bekijken, dan zijn de putti in beide panelen aanwezig. De medaillons zijn echter in het rechterpaneel verdwenen.

Het schilderij beweegt zich op grenzen, tussen Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. De oude schilderkunst toonde verschillende taferelen binnen 1 schilderij, in de nieuwe tijd zal er gefocust worden op 1 aangrijpend, dynamisch moment, zelfs op een detail dat ‘opgeblazen’ wordt. De schilderkunst van het Noorden toonde gehistoriseerde personages en was moraliserend en ernstig. De nieuwe schilderkunst was frivoler en begon meer en meer de Klassieke Oudheid als bron te nemen. Bij Gerard David komen die zaken bij elkaar. Hij toont een verhaal uit de Klassieke Oudheid terwijl wij de indruk hebben dat de verhalen van de zogenaamde Vlaamse Primitieven altijd uit de Bijbel stammen. Het werk ademt dus zowel het oude als het nieuwe. Er wringt iets.

Advertenties