laatste zinnen (83)

door johan_velter

laatste-zinnen_83

Het roezen hield aan, opklinkend uit de verbintenis van licht en duisternis die beide in beroering raakten van de klank die aanhief, want nu pas begon het klinken dat boven elk gezang en alle snarenspel verheven was, boven elke toon en elke stem, want het was dat alles te zamen, dat alles tegelijk, het brak zich baan uit het niets en uit het al, aanbrekend als een verstaan dat elk begrijpen te boven ging, losbarstend, klaroenend als de betekenis die alle begrip te boven gaat, baanbrekend en uitbarstend als het zuivere woord, verheven boven alle verstaanbaarheid en betekenis, voldongen en toch een nieuw begin, machtig en gebiedend, verschrikkelijk en koesterend, lieflijk en donderend, het woord des onderscheids, het woord dat de eed is, het zuivere woord, roezend vlood het aan, roezend vlood het over hem heen, aanzwellend, steeds krachtiger en luider tot het zo oppermachtig was dat niets daarbij kon blijven bestaan, en alles verging in het woord, alles verzonk en werd opgeheven in het woord en bleef toch erin behouden en bewaard, voor eeuwig vernietigd en herschapen, want niets was verloren gegaan, het einde hervond het begin, herboren, herscheppend; het woord zweefde boven het heelal, boven het niets, zwevend aan al het zegbare en onzegbare ontstegen, en hij, meegevoerd door het roezend woord, omhelsd door het roezen, hij zweefde voort met het woord, maar hoe dichter het hem omsloot, hoe dieper hij doordrong in de stromende klank en ervan doordrongen raakte, des te onbereikbaarder en weidser, des te zwaarwegender en vluchtiger werd het woord, een zwevende zee, een zwevend vuur, zwaar en licht als de zee maar toch nog altijd woord: hij kon het niet vasthouden, hij mocht het niet vasthouden ; onbevattelijk en onuitsprekelijk was het voor hem, want het woord had zich van alle taal verlost.

([…], denn es war jenseits der Sprache.)

Hermann Broch, De dood van Vergilius (1958), vertaald door Anneke Brassinga, Ambo, 1989

Advertenties