spiegel der letteren, 58ste jaargang, nummer 2 : het claus-archief (3)

door johan_velter

En dus is het de vraag wat we aan de ‘manuscripten’ van Hugo Claus hebben en hoeveel authenticiteit die bevatten, hoeveel argeloosheid en onbevangenheid. De auteur heeft niet voor niets een archief bijgehouden, heeft ook in die zogezegde achteloosheid een beeld van zichzelf achtergelaten. We kunnen grofweg twee houdingen aannemen: schrijven is de weg naar de waarheid opgaan en dan is de drukversie de uiteindelijke waarheid. De manuscriptenonderzoeker gaat de andere kant op en zegt dat de oerbron de waarheid is – de intelligente lezer heeft al begrepen dat de intellectuele en de biografische waarheid twee verschillende werelden kunnen zijn. (En zie: ook lezen en schrijven gebeuren in een tegengestelde beweging.) Het schrijven is als het leven: de fouten zijn nodig om het juiste te kunnen doen. Een kladversie is dus geen waarheid of een noodzaak maar kan even goed een poging zijn.

Het concept van ‘pentimenti’ (het overschilderen, het over-schrijven) is moreel geladen, in het Italiaanse pentirsi afgeleid zijnde, betekent het ‘berouw hebben’. Dirk Van Hulle geeft een verkeerd voorbeeld: het gaatje in het schilderij Schrijvende vrouw met dienstbode van Johannes Vermeer is een technisch overblijfsel (en misschien ook wel ontstaan in de loop der tijd wegens de zwakte van doek en verf) en geen bewust achterlaten van een reliek.

Van Hulle onthult dat Hugo Claus als einde van zijn Het verdriet van België speelde met de zelfmoordgedachte voor zijn hoofdpersonage en hij schrijft : ‘Zodra het manuscriptonderzoek de zelfmoordgedachte aan het licht heeft gebracht, is het als onderliggend motief niet meer weg te denken.’ Dat is maar de vraag. Het is hier al eerder geschreven: het universum van Hugo Claus was gitzwart: hij hechtte geen geloof aan de mens of diens liefde; hij geloofde noch hoog noch laag; hij betrouwde enkel zichzelf (en zijn broers). Claus was een typische clanfiguur, iemand die aan de rand van het dorp in het laatste huis leeft. Zijn broers idem. Zigeuners. Van Hulle noemt het zelfmoordmotief een vernieuwend perspectief, dat is het dus niet want het voegt niets toe aan wat we al eerder wisten. De zelfmoord van Seynaeve kan logisch verklaard worden uit het voorgaande maar even goed het tegenovergestelde. De auteur heeft iets geprobeerd en dit verworpen – ook omdat na een zelfmoord geen volgend deel meer kan verschijnen én omdat dit een leugen zou zijn in zoverre we nu zelf een biografisch perspectief hanteren: Seynaeve-Claus heeft het overleefd. Het manuscriptonderzoek dat hier gevoerd werd, is de hermeneutische toer opgegaan en de consequenties zijn voor de auteur, niet voor schrijver en lezer.

Ook de opmerkingen over de structuur van Het verdriet van België zijn niet noodzakelijk verhelderend. Dat de auteur dit pas laat gevonden heeft, is geen verrassing (het is immers ook het zwakste van de roman): het is het schrijven zelf dat structureert. Claus was niet iemand die alles vooraf bedacht: het schrijven is voor iedereen op sommige momenten een ‘autonoom proces’ dat nieuwe eisen stelt én nieuwe mogelijkheden opent – vandaar dat denken en schrijven moeten samengaan. Overigens is ook dit een psychologisch zwaktebod: de auteur was al jaren bezig met de roman, het uiteindelijke opsplitsen van de roman heeft dus een lange aanloop gekend. Een bijkomend probleem is dat de onderzoekers niet weten welke manuscriptversie ze onderzoeken: de eerste fase?, de tweede? En wat met de kladbriefjes, wat met de verloren gegane schriften? Kan het ontstaan verklaren, het verstaan bevorderen?

Ook het stuk van Tom Sintobin en Matthijs Sanders over De verwondering is niet echt verhelderend – maar daar speelt zeker de manuscriptversie een rol. De ‘onderzoekers’ doen alsof het creatieve proces een wetenschappelijke onderneming is maar vergeten dat Claus een autodidact was, een prutser, een foefelaar, iemand die heterogene elementen tot een geheel moest zien bijeen te krijgen (het wetenschappelijke onderzoeksproces is natuurlijk ook niet een louter rechtlijnig proces) en daar niet in slaagde – de grote zwakte van Claus is altijd de structuur van zijn boeken geweest: hij was nu eenmaal geen synthetische geest, de anekdotes waren hem liever. Maar om Claus een deconstructivist te noemen is toch een stap te ver. Grappig is de wanhoop van de essayisten: ‘Wat deze enigmatische passage in ieder geval wederom [sic] duidelijk maakt, is dat verklaringssystemen van welke aard dan ook (hier astrologisch) ontregeld worden door er elementen aan toe te voegen, waarna eenduidige interpretaties verloren raken in de beletseltekens.’ (p. 205). Nochtans heeft de auteur het zelf gezegd: Toujours sourire. De auteurs komen ook hier tot een vermeend nieuw spoor: het occulte. Terwijl er toch al onderzoekers dit aspect hebben aangewezen.

Kevin Absillis en Wendy Lemmens hebben een nogal eigenaardige visie op de geschiedenis van het Nederlands in Vlaanderen (p. 222): de Vlaamse tussentaal wordt alweer een strijdpunt, Claus is nu het slachtoffer. En dan komt men met zinnen als: ‘Mogelijk [sic] wilde Claus het gebruik van dialect niet alleen verbinden met een specifieke ruimte, maar ook met de tijd: dialect, zo laat deze aantekening zich eveneens [sic] interpreteren, is bestemd voor passages die in de tegenwoordige tijd verteld worden.’ (p. 223). En deze mogelijkheid is er geen: bij Claus gaat het om situaties, interacties en hun uitkomst. Helemaal wordt het dan als de auteurs Camille D’Havé tot het West-Vlaams hebben bekeerd. Van Hulle spreekt over de onzekerheden van het hermeneutisme, wat is deze esoterie dan?

Het artikel van Linde De Potter over Het jaar van de kreeft (1972) is echter wel verhelderend. Het toont aan hoe Claus in de leeffase reeds in de schrijffase beland was. De Potter verbaast zich daarover (p. 258) maar dit is nu eenmaal het gebruik bij buitenstaanders, bij mensen die rationaliserend leven en naast de gebeurtenissen staan. Claus gebruikte de literatuur als schild (ook de privé-literatuur: want het manuscript behoort nog niet tot de publieke sfeer), creëerde daarmee voor zichzelf, op het moment zelf, afstand, het registreren is zelf een levenshouding. Dan is een zin als ‘Al vroeg in het schrijfproces moet de auteur Claus dus beseft hebben dat hij de autobiografische stof als literair materiaal kon gebruiken.’ (p. 259) toch nog onverwacht in zijn onbegrepenheid. En als De Potter op p. 271 moet constateren dat Hugo Claus een schrijver was die schreef, tja dan is het manuscriptenonderzoek toch niet erg verrassend of diepgaand (en nogmaals: haar artikel is wél interessant, alleen zijn ook hier de interpretatieve vermogens nogal licht opgevat). Haar artikel bevat twee conclusies, allebei tonen ze dat dit genetisch onderzoek nog niet tot volwassenheid gekomen is. De eerste conclusie is dat de roman een roman is, zoals Georges Wildemeersch al eerder vastgesteld heeft. De tweede conclusie is dat we fictie nodig hebben – alleen komt dit niet tot uiting in het genetisch dossier van deze roman maar is dit een externe conclusie.

Het laatste opstel van Kevin Absillis en Dirk Van Hulle over Het verdriet van België heeft alle kenmerken van een vooringenomenheid: het is de theorie die bewezen moet worden, men gaat niet uit van het manuscript zelf, van de genese. Er bestaat dus ook al een omgekeerdgeneseonderzoek. En ook hier blijkt dat het manuscriptonderzoek een metafysische weg bewandelt, meer specifiek een oud-katholieke: ‘Daarbij is niet zozeer zaak om een wonde te dichten, maar om de herinnering op te roepen.’ (p. 280). Theresia van Avila, sta ons bij.

Advertisements