spiegel der letteren, 58ste jaargang, nummer 2 : het claus-archief (1)

door johan_velter

Voor alle moeite die ik heb moeten doen om een nummer van Spiegel der Letteren te verkrijgen, is aflevering 2 van de 58ste jaargang dan toch nog een kleine teleurstelling geworden. Het themanummer Het Claus-archief puilt uit van triomf, duisterheid en methodische zelfzekerheid. Even recapituleren. Het Letterenhuis in Antwerpen, wat een lelijke én onjuiste naam is voor wat het eigenlijk is, Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven, heeft het Clausarchief van de weduwe in bewaring gekregen. Het is de Koning Boudewijnstichting die het aangekocht heeft (en niet zoals in dit nummer vermeld wordt de Koning Bouwdewijnstichting) en het Museum heeft het slechts in bewaring – het zegt ook heel wat over het zogenaamde Vlaamse cultuurleven dat een instelling die dient om archieven te verzamelen niet in staat is archieven te verzamelen. Het is toch ook de tragiek van dit land dat het oeuvre van een republikein ‘gered’ wordt door de katholieke en behoudende monarchie – al kan de stichting niet bruutweg gelijkgesteld worden met de instelling van het koningdom, ze is wel degelijk een monarchistische stichting.

Een aantal artikelen bevat wat theoretische beschouwingen die er toch vooral op neerkomen termen te introduceren die onproblematisch in gebruik genomen worden. De vergelijking met de schilderkunst is bijzonder pijnlijk – schrijven en schilderen zijn twee verschillende zaken en het is juist Hugo Claus die dit in woord (dus expliciet) en via beeld (dus via het tonen) heeft duidelijk gemaakt. Het artikel van Dirk Van Hulle is getiteld ‘De autograaf en het pentimenti-model : een verkenning van het Claus-archief’. Pentimenti is een schilderkunstige term voor het overschilderen. Elke kunstenaar heeft een ontwerp voor ogen en hij ‘beschildert’ dit, al dan niet op basis van een voortekening. Helaas is deze laatste zin onwaar. In de hedendaagse schilderkunst is het ‘ontwerp’ geen noodzakelijk gegeven meer en is het overschilderen helemaal anders van betekenis geworden dan wat een Michelangelo bijvoorbeeld deed. Welke betekenis moeten we hechten aan lagen 1-125 bij een schilderij van Karel Appel, ook als die wat kleuren bij elkaar brengt, plots een zwaan ziet en het schilderij ‘Leda en de zwanen’ noemt – het voorbeeld is bij Claus zelf te vinden? Of wat te denken bij schilderijen (of kunstwerken in het algemeen) die zich laten leiden door het toeval? Of wat, zoals een schilder als Pierre Alechinsky, die het overschilderen juist als een methode gebruikt, waar de techniek dus overheerst?

Dit brengt ons bij het tweede probleem (grondslagenonderzoek mag wel niet, maar is toch noodzakelijk) dat direct naar het hart van de creativiteit gaat. Een kunstenaar kan wel een bepaalde weg bewandelen maar plots begint het werk zelf wetten te stellen. Het kunstwerk zoekt zich een evenwicht, een kleur bepaalt een andere kleur, een uitwerking van een detail kan het hele werk doen kantelen, een repliek van een personage kan het werk in een ander licht stellen. Dit is nu juist wat Herman Teirlinck in zijn essay Ode aan mijn hand schreef: ‘De schrijver is onderworpen aan de nood slechts schrijvende te vinden; slechts te vinden wat hij schrijft. […] wat de hand schrijft.’ Het schrijven zelf is het creatieve proces – het is ook daarom dat denken, dat niet met schrijven gepaard gaat geen denken is – en het is in het schrijven dat de auteur zijn waarheid vindt. Dit heeft een gevolg voor het pentimenti-model: waar de onderzoeker meent iets op het spoor te zijn, kan dat gegeven voor de auteur slechts een spoor zijn dat een geheugensteun vormt, een dwaalweg moet soms weggeschreven worden. Maar dit is geen verdoken bedoeling, dit is geen weggemoffelde bekentenis.

Dat brengt ons bij het derde probleem, dat van de waarheidsvinding. De studie van de handschriften is er op bedacht een hermeneutiek te zijn, ze wil diep graven en denkt daar de waarheid te vinden. Maar de werkwijze van een kunstenaar is niet die van de natuur: de diepste lagen zijn niet het begin, zijn ook geen afkomst. Ze kunnen dode sporen zijn, raadsels voor zichzelf en de auteur. Men doet alsof het overschilderen, het overschrijven steeds weer de bedoeling heeft om een bron, om de waarheid te verdoezelen, het is alsof een auteur eerst een bekentenis op papier zet en daarna een verhaaltje maakt om die zin te begraven. Dit is, naast een model dat niet de werkelijkheid is, een antirationeel standpunt. Het rationele standpunt is omgekeerd: de uiteindelijke versie is de waarheid en wat er aan verborgenheden voorafgegaan is, is onbelangrijk. (Dit laatste ietwat nuanceren.)

Dit brengt ons bij het vierde probleem, de psychologisering van het werk wat een achteruitgang is van het culturele werk, zelfs van de cultuur zelf. Grosso modo zijn er twee benaderingen in het leven/de kunst/de moraal/de rechtspraak. De intentionele beoordeelt de intentie, de bedoeling. De consequentialistische richting bekijkt het resultaat. De eerste richting is de psychologische benadering, de tweede is een functionalistisch-sociologische. De eerste is metafysica, de tweede is gebed in een materialistische wereldbeschouwing. Het onderzoeken van wat de auteur nu bedoeld heeft, is een andere studie dan het onderzoek naar wat de schrijver geschreven heeft, hoe we zijn teksten moeten lezen, begrijpen. Niet alleen moeten maar ook kunnen lezen: het is de verworvenheid van de late 20ste-eeuwse kunstopvattingen dat de kijker/lezer/toehoorder ook zelf betekenis aan het werk kan toevoegen – dit leidt bij sommigen tot onnozelheid, anderen voegen toe, leggen een laag op het werk waardoor dit rijker kan worden. Nu telt plots niet zozeer het resultaat meer, maar wel wat de auteur aan psychologische problemen of aanzoekingen had. Het individualiseert de kunst, terwijl civilisatie de kunst ont-individualiseert.

De studie van de materiële overblijfselen hier (hier: want het kan ook anders) leidt botweg en paradoxaal naar een metafysica van de bedoeling, naar een psychologisering van het werk – en die is uiteraard nog veel wankeler dan de studie van het werk zelf want geen enkele onderzoeker is het hoofd van de schrijver binnengedrongen – en we weten van de hersenen van Guido Gezelle dat er betreffende het creatieproces daar niets te vinden is. De auteurs van dit themanummer mogen dan wel zeggen dat ze op een nieuwe wijze werken en dat er heel wat nieuwigheden naar boven kunnen komen, ze doen hun eigen zaak niet veel goed als ze telkens moeten bevestigen dat Georges Wildemeersch gelijk had – en dat kan uiteraard ook niet anders: zowel Wildemeersch als deze auteurs hebben een gelijkaardige opvatting over wat literatuuronderzoek is – of beter hoe zij de studie van Hugo Claus opvatten. Het leven heeft het werk bepaald. Het probleem met psychologisering is teven een verenging van de zienswijze, een tekststudie maakt varianten mogelijk, maakt het lezen creatief.

En toch bevatten enkele artikelen een verrassende vondst en is dit hele werk zeker niet onzinnig.

Advertenties